Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1869.

Twintigste Jaargang.

N°. 42.

EENE NEDERLANDSGHE STEM

VOOK

ISRAELS KONING, HET HOOFD DER GEMEENTE.

ÏSIK ^ waart

Ps. CXVI: 10.

Vrijdag, 15 October.

Het geloof is uit het gehoor.

Rom. X: 17.

De uitgave van dit Blad, onder Redactie van Dr. C. SCHWARTZ, geschiedt geregeld des Vrijdags van iedere week. Bijdragen, Brieven, enz., gelieve men franco te adresseren aan de Uitgevers H. DE HOOGH & C°.

*i 4.—i ~ i j? -i k a r t nrz U™;.-, j .... a n

ADonneimjin.»£jiijs pui K.waruuu j i,uw, üauw pui puau y nya uur iiavertentiën is yan 1 5 recr 1 f\

elke regel meer 15 Centen. — Groote letters worden naar d6 plaatsruimte berekend ° ' '

Bij dit lllad behoort een DIJ VOEGSEL.

David en Saul.

xw

Daarna maakte zich Bavid ook op, en ging uit de spelonk, en hij riep Saul achterna, zeggende: Mijn heer koning I Toen zag Saul achter zich om, en David boog zich met het aangèzigt ter aarde en neigde zich. En David zeide tot Saul: Waarom hoort gij de woorden der menschen, zeggende: Zie, David zoekt uw kwaad? Zie, te dezen dage hebben uwe oogen gezien, dat de Heere u heden in myne hand gegeven heeft in deze spelonk, en men zeide: dat ik u dooden zou; doch mijne hand verschoonde u; want ik zeide: Ik zal mijne hand niet uitsteken tegen mijnen heer, want,hij is de gezalfde des Heeren. Zie toch, mijn vader! ja zie de slip uws mantels in mijne hand; want als ik de slip uws mantels afgesneden heb, zoo heb ik u niet gedood; beken en zie, dat er in mijne hand geen kwaad, noch overtreding is, en ik tegen u niet gezondigd heb; nogtans jaagt gij mijne ziel, dat gij ze wegneemt.

1 Sam. 23 : 16—18 en 24: 9—12.

De verraderlijke Zifieten hadden bijna hun doel bereikt. David was aan de eene zijde van den berg, zuidelijk, en Saul aan de andere, zoodat hij hem den aftogt afsneed. Wat zal David nu denken van de verzekering hem door Jonathan gegeven, en wat Jonathan van den gevaarlijken toestand waarin David verkeert? Beiden welligt stonden toen vast in het geloof, en zagen af van de dingen die voor oogen zijn, in het volle vertrouwen dat de Heer op Zijnen tijd volkomen verlossing zoude schenken. En weldra werd hunne verwachting vervuld; want een bode kwam plotseling tot Saul, zeggende: »Haast u,en kom, want de Filistijnen zijn in het land

gevallen," en ofschoon Saul er op gesteld was David te verderven , en er op dit oogenblik geene uitkomst voor David overbleef, nogtans moest hij van deze vervolging afzien, om de Filistijnen te gemoet te gaan.

Welaan, wat zegt gij van onzen God en de wonderen Zijner Voorzienigheid? Wat zegt gij van den triomf des geloofs, dat de wereld en verbitterde en onvermoeide vijanden als Saul overwint ? En mag ik er niet gerustelijk bijvoegen: Indien het geloof in de dagen der schaduwen zoo groote dingen heeft tot stand gebragt, wat moet het doen in deze dagen der vervulling? Vele Psalmen spreken van de netten die hem gespannen, van de lagen die hem gelegd werden, en vooral de 54ste Psalm, die in deze dagen van groot gevaar en groot geloof geschreven is. Hij werd, zegt hij, zeer vervolgd in het land en inde woestijn , en door zijne volgelingen verraden , en voorzeker het is goed, dat God getrouw is, want op menschen kan hij niet vertrouwen. David steunt alleen op Gods magt, en heeft geen anderen pleitgrond dan den naam van zijnen God. Zijne vijanden handelden jegens hem als vreemdelingen, verraders die aan God de eer niet gaven die Hem

toekomt, en wat kan liij van menschen verwachten, die de vreeze Gods hebben vergeten? De Heere God schenkt uitkomst aan Zijn volk op Zijnen tijd, maar ook in den tusschentijd, gedurende de dagen van beproeving en strijd schenkt Hij hun veel van Zijnen troost en verkwikt Hij hunne zielen rijkelijk. Hij smeekt den Heer zijne zaak te handhaven, niet in den geest van bitterheid en wraakzucht, hoezeer hiervoor ook oorzaak bestond in het allerjammerlijkst gedrag der Zifieten, maar in den geest van waarheid en regt, en zoo men zich slechts op het standpunt van waarheid en heiligheid plaatst, dan is er voorzeker niets ver¬

keerds in de wijze, waarop David een beroep doet op het oordeel van God.

Met het oog des geloofs aanschouwt hij reeds de later geschonken verlossing, en dankt hij God voor al wat Hij hem heeft geschonken. De genade Gods leert en bekwaamt hem tot verdragen, en bereidt hem voor eene openbaring van zelfverloochening en zelfbeheersching, zoo als zij slechts zelden werd aanschouwd.

Wij keeren thans terug tot de geschiedenis van David, en dewijl het ons slechts om waarheid te doen is, wenschen wij ook Saul geregtigheid te laten wedervaren, en voor zooveel dit doenlijk is, te verklaren, waarom hij zoo onvermoeid was in het vervolgen

van David. Deze beschermde met zijne mannen de kudden der naburige herders tegen de aanvallen der vijanden dezer vol¬

ken. Doch mannen gelijk David en de schare die hem omringde, konden zich hiermede onmogelijk vergenoegen, en gretig grepen zij elke gelegenheid aan om zich in de aangelegenheden van het land te mengen. Zijn togt naar Kehila bewijst genoegzaam dat David steeds gereed was ter hulpe te komen aan allen, die door de vijanden van Israël werden bedreigd. Door zoodanige daden bewees hij diensten aan het volk, bevestigde hij zijn karakter als een vriend van zijne natie en beschermer der onderdrukten, verschafte hij bezigheden voor zijne onderhoorigen en voorzag hij in hunne behoeften. Maar juist de positie die David op deze wijze had verkregen, verontrustte Saul. Jaloersch en wantrouwend van aard, vreesde hij dat David door dergelijke daden de lieveling zoude worden van het volk, dat nooit vergeten had de overwinning, door hem op Goliath behaald. Voorts zoude hij misschien door den magtigen stam van Juda, waartoe hij door geboorte behoorde, ondersteund, en daardoor een zeer gevaarlijke

mededinger worden. Dit wenschte hij te voorkomen, en dan bleef er niets anders over dan zich tegen hem ten onverbiddelijken en onvermoeiden strijd toe te rusten en hem te verpletten vóór dat hij eene partij rondom zich had vergaderd. Van daar het vast besluit om hem nooit rust te gunnen, en hem door gedurige vervolging naar ligchaam en ziel te verzwakken.

Naar den mensch gesproken was dit juist gezien, en hij die geestelijke dingen niet geestelijk onderscheiden kon, moest oordeelen zoo als Saul deed. Niet alzoo oordeelt Jonathan , die juist als een man des geloofs geestelijk oordeelde, en daarom in plaats van David te vervolgen hem persoonlijk ging opzoeken, zijn hart in den Heer versterkte en een verbond met hem sloot voor zich en zijn zaad. Wat hij deed moest, gelijk elke geloofsdaad, den natuurlijken mensch als eene dwaasheid of het uitvloeisel van dweepzucht toeschijnen. Immers was het dwaas toen Abraham alles op des Heeren bevel verliet; toen Jakob de stervende grijsaard het land, waarin hij geen ander eigendom dan een graf had, onder zijne zonen verdeelde, en toen Mozes den smaad zijner broeders verkoos boven de genietingen der zonde van Egypte. Alzoo ook Jonathan, toen hij zijn eigen leven waagde en zich aan den haat van zijnen vade^ blootstelde door een bezoek aan David te brengen. Hij denkt niet aan zich zeiven , hij is bereid een paleis met

de woestijn te ruilen, om een vriend, een

broeder in het geloof te zien, te steunen en te verkwikken.

Zoo ik den drang mijns harten volgde, zou ik nog lang over deze heerlijke vriendschap uitwijden, die als eene vrucht van het geloof uitblinkt in daden van zelfverloochenende liefde; doch ik moet mij vergenoegen met deze enkele opmerking, dat ook zij, hoe uitnemend dan ook, niet in aanmerking komt bij de zelfverloochenende liefde van Hem, die den troon der heerlijkheid verliet, en op deze aarde kwam, in de gestalte van een dienstknecht zichzelven vernederende en vernietigende tot in den dood deskruises, om arme, ellendige zondaren te veranderen in kinderen Gods, en ze te erkennen als Zijne vrienden, als Zijne broeders.

Saul daarentegen had naauwelijks zijne vijanden, de Filistijnen, het hoofd geboden, of hij begon op nieuw David te vervolgen met eene schare, die uit drie duizend krijgslieden bestond. De koning had het berigt ontvangen, dat David naar de woestijn Engedi

teruggekeerd was, eene woestijn vol van rotssteenen voor steenbokken (vs. 3). Van alle zijden was dit gedeelte van het land door spelonken omringd, en dezen waren uitnemend geschikt om eene toevlugtsplaats voor David en zijne mannen te wezen. Op zekeren dag toen David met zijne mannen in het achterste gedeelte in eene donkere spelonk verborgen was, zagen zij tot hunne groote verbazing Saul de spelonk binnenkomen, en zich gereed maken tot het rusten gedurende de hitte des daags. Zij konden gemakkelijk alle bewegingen van den koning gadeslaan, doch waren zeiven geheel veilig door de duisternis in de spelonk.

Ziedaar dan eene zeer gunstige gelegenheid om wraak te oefenen en Saul voor het hun aangedaau onregt te doen boeten; want met het zwaard tegen Saul te keeren, zouden zij aan alle vervolging een einde maken; hem straffen niet slechts zoo als hij verdiende, maar de eenige hinderpaal tot het beklimmen van den troon door David uit den weg ruimen. Dit was zoo eenvoudig, zoo natuurlijk. Ja wel zoo natuurlijk, want het is de redenering van den natuurlijken mensch.

En toen Saul de koning sliep, naderden zijne volgelingen den miskenden en vervolgden David, en fluisterden hem toe Saul te dooden, wraak te oefenen, aan zijn lijden een einde te maken, en zich den weg naar

den troon te openen. Zij hebben de stoutmoedigheid om zich op eene soort van belofte, die nergens te lezen staat, te beroepen, zeggende: »Zie, de dag, van welken de Heere tot u zegt: Zie, Ik geef uwen vijand in uwe hand, en gij zult hem doen gelijk als het goed zal zijn in uwe oogen." Eene gelegenheid om zich op Saul te wreken werd David zeer zeker door de Voorzienigheid gegeven, en van zijn gedrag zoude het nu afhangen, of deze gelegenheid eene beproeving dan wel eene verzoeking ten kwade werd. David had nu gelegenheid om naar de begeerte van zijn hart te handelen, en het zoude nu van hem afhangen, om aan Saul te doen wat de begeerte van zijn hart was. De gelegenheid was gunstig, om aan gansch Israël te toonen hoedanig de man was, dien God tot toekomstigen koning over Zijn volk had verkozen, en juist door geloof, geduld, edelmoedigheid, zelfverloochening zoude hij het bewijs leveren, dat hij niet een man was naar den aard van Saul, maar naar het hart van God. Het zoude dan blijken, dat de Heer zijnen vijand in zijne hand gegeven '

Licht en duisternis.

Vervolg.

„Het is niet de godsdienst, welke ik belijd," antwoordde ik, op mistroostigen toon.

„Wat is dan uwe godsdienst en waarom gaat gij naar Jeruzalem, even als Samuel en in gezelschap van Samuel?"

„Dit was "'uist de vraag, welke ik, zonder liet te weten,'vier dagen lang, gedurig aan mij zeiven had voorgesteld, zonder haar te kunnen beantwoorden. Het eenige, dat ik to zeggen wist, was dat ik Alexandrië tot dat doel verlaten had. Maar waarom had ik Alexandrië verlaten ?"

»Luister, Leon. Hetzelfde Joodsche geloof dat mij naar uw Museum voerde, leidde mij ui uw Museum; het maakte mij Jood en het maakte mij Heiden. Neen, val mij niet in derede; ik bedoel wat aangaat kous en overtuiging. Wat mijne nationaliteit betreft, was ik steeds een Jood en verlang niets anders to wezen. Met zulk een verleden als het onze, bekrachtigen de vooroordeelen van het gepeupel en de vervolgingswoede der Heideuen mij slechts in mijn verlangen om, zoo mogelijk, nog Joodsch te worden."

Ik werd kalmer, en kreeg een helderder inzigt in den oorsprong en voortgang mijner godsdienstige ontwikkeling, terwijl mijn geest den draad zocht, welke mij langs de kronkelpaden der dwaling tot het licht had geleid.

Het was juist de godsdienst van Samuel, of erger nog van de Joodsche would be philosophen, welke mij, toen mijne ziel zich zelve bewust was geworden, een toevlugtsoord deed zoeken bij de Heidenen, Waarom ik het Bab-

binisme verafschuw, behoeft geene verklaring; het te kennen is het to verachten. Voor het hart geeft het niets, hoegenaamd niets; en wat het de verbeelding heeft aan to bieden, is alles behalve aantrekkelijk. Jk weet, dat zelfs onder de Rabbijnen naauwgezette, godsdienstige mannen worden gevonden, maar geestelijke gemeenm°t' hen te onderhouden is eene onmogelijkheid. Ik ontken geenszins, dat hier en daar eene kostbare waarheid schittert, een edel denkbeeld opwelt, in weerwil van het stof en vuil, dat aan de bron ligt opgehoopt. Maar zoo de leer der Rabbijnen de Joodsche godsdienst ware, dan kan ik onmogelijk een Jood zijn of blijven. Versta mij wel, wat mijne nationaliteit ^betreft, bleef ik een Jood — ik bleef deelnemen ^aan de groote feesten en gehoorzamen aan de inzettingen van ons volk. Hoe is liet mogelijk, dat edele, vrije harten in eene verpesten, geestdoodende atmosfeer blijven ademen? Is het niet, omdat van hunne eerste kindschheid de vleugelen hunner ziel geknot zijn? Wat is onze Joodsche philosophie? Wat anders dan eene affectatie en eeno leugen ? Een mengelmoes van jodendom en wijsbegeerte! Een tweehoofdig monster, dat zich voedt met verdraajjng der eenvoudigste waarheden, zich zei ven en anderen bedriegt door hoogdravende woorden en zinledige phrases? Toen dit alles mij duidelijk werd, hoe vervlóekte ik het noodlot, dat mij tot een Jood had gemaakt? Ik verachtte mij zelf, mijn volk; ik wanhoopte aan het behoud der waarheid. Ik was onbeschrijfelijk rampzalig. En dit was de reden, die mij naar het Museum dreef."

»Waarom hebt gij het dan verlaten?" viel Leon haastig in.

»Wacht, luisterl In uw Museum vind ik niets; niets dat op kan wegen tegen de rust,

had, niet om hem te verderven, maar om hem te sparen, hem te vergeven.

Een gevoel van regt, eene vrijwillige en oogenblikkelijke betooning van regtvaardigheid, enkel mogelijk voor hem, wiens hart in den grond regt staat vopr God. Voor het luwe gemoed zijner bende moest het gediag van David bij deze merkwaardige gelegenheid dwaas toeschijnen, nogtans was zijn gediag niet slechts regtvaardig voor God

en e e , maar ook staatkundig wijs. Eerlijk10]1 was ^er beste staatkunde, en godza ïg ïeid had niet alleen de belofte van het toe omstige.maar ook den zegen van dit leven.

p.vi handelde eenvoudig naar den zeer vei igen regel: »Doe regt en laat de uitkomst aan den Heer over;" en dat de uitkomst zoo gunstig was, was niet het gevolg van zijne scherpzinnigheid en staatkundig overeg, maar van zijne onderworpenheid en bereic vaardigheid om zich door den Geest des eeien te laten leiden. David begreep wat waarljjk wijs, goed en regt was in deze omstandigheden, en sterk in die overtuiging, deed hij zijnen pligfc, niet twijfelende dat God ook Zijnen pligt zou doen.

Had David toegelaten dat de koning vermoord werd , dan zouden de gevolgen vooral voor hem zeiven allerverschrikkelijkst zijn geweest. Het volk had nooit den schepter aan een man toevertrouwd, wiens handen met het bloed van den vermoorden Saul bezoedeld waren, en Jonathan was zeer zeker opgestaan tegen den moordenaar van zijnen vader, en gesteund door het volk, dat m -yne verontwaardiging over de gepleegde vermoording van een slapenden vorst zich zonder twijfel rondom den zoon van den koning had geschaard, zoude David ook niet den minsten kans gehad hebben om den troon van Israël te beklimmen. Eindelijk, indien David zelf zijne hand uitgestrekt had tegen den wettigen koning, tegen den man, die door Samuel eens was gezalfd geworden, zoude hij zijn eigen troon en leven aan gevaar hebben blootgesteld, want wie zou het leven van David willen beveiligen, nadat David zelf Saul had vermoord.

David sneed stilletjes een slip van Sauls mantel. Zoodra Saul de spelonk had verlaten en de omgeving des konings glimlachte over het bespottelijk figuur van

den vorst zonder slip, sloeg het hart van David. En met denzelfden moed des geloofs, die dwaasheid scheen te zijn in de

oogen der menschen, ging hij onverschrok-

ken naar den ingang van de spelonk, en

Welke ik verloren had, niets, dat mij daarvoor bevrediging kon verzekeren. Wat ik verlangde, kan ik u niet beschrijven; ik voel het en welligt...." Leon had het hoofd van mij afgewend! » Welligt hebt ook gij hot gevoeld. Genoeg hiervan. Het platonisme zal ik steeds in dankbaarheid blijven gedenken, want het kweekte, het ontvlamde de goddelijke vonk in mijnen boezem! Er was niemand, voor wien ik mijn gemoed kon uitstorten, behalve voor Jochanan, Hij troostte, hij vermaande mij gelijk een vader. Hij verhaalde mij de geschiedenis van ons volk, hoo eindeloos verschillend van wat ik vroeger had gehoord en geloofd! Hij ontsloot mij de leer onzer Heilige Schriften, de zending onzer profeten , de bestemming van ons volk — en ik werd ditmaal met hart en ziel een Jood. Ten minsts, ik meende het te zijn," vervolgde ik na eene korte pauze.

Maar vroegt gij hem nimmer, waar tor wereld dat ideale Jodendom werd aangetroffen ? Was er niemand, dieii gij als de beligchaming, als den levenden vertegenwoordiger er van kondet aanmerken ?

Wel zeker vroeg ik dat; Jochanan antwoordde,

dat ik hen elders moest zoeken. Wan. 1* 7!lin 7.Ü ?

Ik weet liet niet; maar hij sprak van een tijd, die weldra zal aanbreken, wanneer de Messias zal komen en Zijn volk vrij zal maken, wanneer Israël in waarheid Israël zal zijn, wanneer — vergeef mij — gij en ik één zullen wezen; wanneer de Heidenen zullen komen tot het licht der kennisse Gods; wanneer er geene verdeeldheid zal wezen, geene duisternis, geen halflicht, maar licht over de gansche aarde, omdat de Zonne der geregtigheid is opgegaan met genezing onder hare vleugelen; wanneer allerwegen een heilige vrede zal heerschen, vrede

van binnen, vrede van buiten, ééne ondeelbaar onverstoorbare broederschap der liefde. Dit alles geloofde ik, en het was als een merg in mijne beenderen. »Ik trok naar Palestina om meer te weten, misschien zelfs, wie weet het, om alles te aanschouwen. En nu, ik stamelde, want

mijn nart was vol van droefenis, nu sta ik nogmaals aan den kruisweg, en er is geen pad, dat mij henenvoert naar mijn huis, naar het huis des levenden Gods!"

s Anne Markus, arme vriend," sprak Leon, met diepe ontroering. »Die Messias, op wien uwe hope is geweest, wie is Hij, van waar komt Hij ? Ziet gij ginds de torens van Raphia? De stad is nieuw, weinige jaren geleden op de puinhoopen der oude gebouwd. Wie bouwde haar? Was het niet de Romein Gabinins? Zijn niet de Romeinen de meesters van uw volk de meesters der geheele wereld? Zijn zij niet overal de verspreiders van beschaving, de dragers van verlichting, Wetenschap en kunst?

Samuel en zijns gelijken mogen dit vrij ontkennen ; zij mogen zich paaijen met de verwachting dat hun Messias het wereldrijk zal verbreken, en u niet alleen onafhankelijk maken, maar het heelal in onrlftrwpirninor brenorpn aan

_ ^ O O *

het verachte, vertredene Israël. Maar gij, kunt gij dit gelooven ? Kunt gij het wenschen, wanneer gij u den aard van een zoodanig koningrijk voor oogen stelt? De gansche wereld ten urooi aan de fidele verre-a,ehtineen nmor IMi.

bijnen, geprangd in het keurslijf hunner enghartigheid, zwoegend onder den last hunner vooroordeelen, hunner willekeurige inzettingen, hunner werkheilige godsvereering! Welk eene wereld! Is dat uwe gouden eeuw?

Ik wist waarlijk niet welk antwoord te geven, toen onze aandacht plotseling werd afge¬

leid^ door een schellen, angstigen kreet, schijnbaar eener vrouw, gevolgd door een tweeden minder luid, en door een verward gedruisch van voetstappen. Wij spoedden ons in de rigting, van waar het geluid scheen te komen, !n e ™Gening, dat roovers, die in deze slecht waakte streek geen ongewoon verschijnsel waren, een hunner nachtelijke aanvallen hadden ten uitvoer gebragt.

snelle wending langs de tenten brao-t

nns snna/l;™ _ i J . .-i _ , .. „ °

" op ue plaats aes onheils. Leue

openstaande tent gunde ons het gezigt van haren inhoud. Eene Egyptische reislantaren, herschapen in eene gewone tafellamp door do zijden van wasdoek aan weerskanten op te rollen, ei spreidde haar licht over do omringende voorwerpen. De tent was prachtig ingerigt. Een kostbaar tapijt bedekte den bodem In het midden stond eene tafel, waarop, behalve de lamp, een gouden beker was geplaatst van I hoemcisch maaksel, en met kunstig beeldhouwwerk versierd; daarnaast eenige rollen van perkament, die bedekt schenen met zonderlinge figiuen en astronomische teekens. Groote sterrenkwasten hingen aan de wanden. Een ee-

makkelijko stoel, die eenigo overeenkomst had niet eene Egypt^^ sofaj maar veel kleiner en vooizien van weelderige kussens, stond naast een tabouret, in het achterste gedeelte der tent; a-nder huisraad was er niet. Ik had naauwelijks t'J ^ alles op te merken, want mijne opmerkzaamheid werd spoedig geheel ingenomen door eene rijzige mannengestalte, in gebiedende houding, welke bevelen gaf aan twee slaven — de een een koolzwarte Ethiopiër, de andere, naar zijne kleederdragt te oordeelen, een Pers.

(Wordt vervolgd).

Sluiten