Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1869.

Twintigste Jaargang.

N°. 45.

N HU|( stem ^

VOOR

ISRAELS KONING. HET HOOFD DER GEMEENTE.

° CXYI: 10,

Vrijdag', 5 November.

De uitgave van dit.Blad, onder Redactie van Dr. C. SCHWAKTZ, geschiedt geregeld des Vrijdags van iedere week. Bijdragen, Brieven, enz., gelieve men franco te adresseren aan de Uitgevers H. DE HOOGH & ^ •

Het geloof is uit het ffelioor.

Rom. X • 17.

Abonnementsprijs per Wtaal ƒ 1,5o7 franco per'post ƒ 1,65.—De Bnjs der Advertentie,i is vanT—S^regcls/7!. elke regel meer 15 Centen. — Groote letters worden naar de plaatsruimte berekend.

Bij dil Blad behoort een IIIJVUBIimL.

E& tofcert der Nede'EmcUche E™„ge,lsp<.h Protestantsche Vereenigmg. van rl°, "

Jaarfeest van de Christelijk;

Broederkring, inzonderheid bedoel^Jc

van Sterken Drank. - Adres aan de leden dei Waal-

sche gemeente te Amsterdam-

David Vii /ij"e helden

En de Geest toog Amasai aan, den overste der hoofdlieden, en hy zeidc: Wij zijn uwe, o David! en met u zijn wy, gij zoon van Isaïl vrede, vrede zij u, en vrede uwen helperen, want uw God helpt u. Toen nam hen David aan, en stelde hen tot hoofden der benden. Er vielen ook van Manasse tot David, toen hij met de Filistijnen kwam, om tegen Saul te strijden, alhoewel zij hen niet hielpen: want de vorsten der Filistijnen verlieten hem met raad, zeggende: Met gevaar van onze hoofden zou hy tot Saul, zijnen heer, vallen. Toen hy naar Ziklag toog, vielen tot hem uit Manasse: Adnali, en Józabad, en Jediaël, en Hichaël, en Józabad, en Elihtt, en Zillethai; hoofden der duizenden , die in Manasse waren. En de/c hielpen David mede tegen die benden, want alle deze waren kloeke helden; en zij waren oversten in het heir. Want er kwamen er te dier tijd dag bij dag tot David, om hem te helpen, tot een groot leger toe, als een leger Gods. 0_

1 Kron. 13: 1—

Gedurende zijn oponthoud te Ziklag werd Davids leger gedurig versterkt. Zijn toestand was, naar den mensch, veel beter geworden. Hij was in eene sterke vesting aan de grens van Juda, was niet meereen rondzwervende balling, maar een gioote eicsman, volkomen in staat om werkzaamheden te vinden en loon te geven aan hen, die zich bij hem voegden. Velen begonnen te gelooven dat hij tot koning bestemd was, en dit bewoog ben om hem op te zoeken en zich bij hem aan te sluiten. In het twaalfde hoofdstuk van het eerste boek der Kronijken vindt men dan ook eene lange lijst van mannen, die ontevreden over de regering van ®aul, vrijwillig uit hun land verbanden en al hunne vooruitzigten waagden, i11 vertrouwen op David. In die grot bevinden zich mannen uit Benjamin, Sauls stamgenooten; dit zoude ons kunnen bevreemden, zoo wij niet wisten dat de invloed van Samuel zeer groot in dien stam was geweest, en dat juist het feit dat de zetel van feauls r-egeritig aldaar gevestigd was, aan de mannen van Benjamin tot bijzondere ergernis verstrekte. De dapperheid c|er mannen, die even gemakkelijk den boog jiiet de linker- a}s me^ t]e regterhand konden spannen, was voorzeker van groot gewigt voor een aanval.

Geduiende de regering van Saul hadden de stammen aan de andere zijde van de Jordaan zich zeer onafhankelijk getoond' en hunne magt was grootelijks toegenome11 oor gelukkig rfovoQv/lt, onrln™,, fon-fiii naburige

volken. Deze toestand en de rivie) > ie ze van hunjje broederen scheidde, 611 herderlijke bezigheden maakten den anc schen hen, de herders en de Inbouwen van het westen zeer los, en nlenk°n naauwelijks ze» dat zij aau Saul onderdanig Waren. Ja' er schijnt zelfs eene soort van burgeroorlog tusschen hen eI1 1 aul te hebben bestaan; -want eene sterke ^ende der mannen van Gad schijnt hij h°Ogen vloed over de J°rdaan gegaan te z^n' en het land doortrekkende zicl1 met ^avid te Ziklag verbonden te behhen• 1 Kron. 12: 12-22. Hoofden °vel' '1011derd en over duizend kwamen tot hem; niet dat zij op dit oogenblik deze le£erS ^ zich hadden, maar dit alleen is ^t zij mannen van grooten in-

Y1 oe<^ wa,ren. Buitendien waren zij »kloeke gelden, krijgslieden ten oorlog toegerust met rondas en schild, en hunne aangezigten waren aangezigten der leeuwen; zij waren als de reeën de hergen in snelheid."

r' °eii deze en andere mannen uit Juda en ®enjarain tot hem kwamen, werd David eenigzing bevreesd, en welligt niet het minst van Wege de mannen uit Benjamin, die het meest moesten worden ondersteld met Saul lö&enomen te zijn. Hij ging hen daarom te §eDloet, niet slechts om hen welkom te heemaar om zich van hunne bedoelingen te vergewissen. David sprak hen met groote

vrijmoedigheid en welwillendheid toe, en zeide tot hen: »Indien gijlieden ten vrede tot mij gekomen zijt, om mij te helpen, zoo zal mijn hart te gelijk over ulieden zijn; maar indien het is, om mij aan mijne vijanden bedriegelijk over te leveren, daar toch geen wrevel in mijne handen is, de God onzer vaderen zie het, en straffe het!" Deze woorden drongen tot het hart der vreemdelingen, en Amasai _ welligt dezelfde man als Amasa, zoon vau David's vrouw Abigail, die later Absalom's eerste generaal was — sprak in aller naam, toen hij verklaarde: »Wij zijn uwe o David! en met u zijn wij, gij zoon van Isaï! Vrede, vrede zij u, en vrede uwen helperen, »want uw God helpt u." Zij werden vriendelijk ontvangen en aan het hoofd der benden geplaatst, die met hen gekomen waren.

Al wat het leven van David ons nader brengt, is van groot gewigt voor deze onze overdenkingen ; want het toont ons hoedanig een man hij was, en welken invloed bij uitoefende op allen, die met hem in aan" raking kwamen, ook op vreemdelingen-

De koning van Gath zag de toenemende mast van David met welgevallen, eU ie

O O O 1

kende er op alle deze mannen tegen > a te kunnen gebruiken. Hij plaatste David

aan het hoofd der l^fgarde, 'tgeen V1 aanmerken moest als een blijk van cn vertrouwen; doch aan de andere zijde oragt het hem in de onmiddelijk0 )la''Üllei't van den koning, zoodat alle zöne bewegingen onder het oog waren van zijnen koninklijken patroon. Waarschijnlijk werden nu ook Filistijnen bij dit leger gevoegd, en de mannen der legerbende waren te ittithen onder Ithai, die later David °™ral volgde en met groote getrouw^^ aan vasthield, iets dat op nieuw bewijst hoezeer David de harten aan zich wist te verbinden.

Het is nioeijelijk te zeggen wat David later gedaan zou hebben, zoo hij in deze positie had moeten big ven. Men kan niet onderstellen, dat hij tegen zijne eigene volksgenooten gevochten zou hebben, en evenmin

dat hij llet vertrouwen, dat Achis in hem stelde, met verraad zou vergolden hebben. Het is mogelijk, dat hij er zich mede vergenoegd zou hebben, om getrouw zijn nieuw ambt en den persoon des konings te verdedigen. Doch het behaagde God hem uit dezen verkeerden toestand en deze verlegenbeid te verlossen, door het wantrouwen en den nijd der Filistijuschc vorsten op te Wekken. Dezen waren geenszins gerust, toen zij bespeurden dat een sterk Israëlitisch leger in hun rug was, terwijl zij naar Israël optogeH) en onderstelden eene geheime

verstandhouding tusschen Saul den schoonvader en David den schoonzoon; zij geloofden althans dat David vergeving van Saul koopen zou met de Filistijnen te verraden. Hierbij kwam dat een troep uit den stam Manasse plotseling Saul verliet en tot David overging, (1 Kron. XII: 20) en de Filistijnsehe vorsten konden nu .te gemakkelijker onderstellen, dat er eene geheime verstandhouding bestond tusschen het leger van Saul en de bende van David. Gelukkig voor David stonden de oversten der Filistijnen er op, om David uit het leger te verwijderen, en Achis moest zijns ondanks toegeven. Hierdoor werd David uit zijne verkeerde positie verlost, en ging met zijne mannen naar Ziklag terug.

Naar Ziklag teruggekeerd werd hij op nieuw door mannen uit Manasse geholpen, die als oversten welligt ook hunne manschappen medebragten. Deze versterking was vau het hoogste gewigt; want toen hij aldaar aankwam bleek het, dat Ziklag door vuur verteerd was, en dat met alles dat weggenomen kon worden, vrouw en kinderen gevangen genomen waren. De Amalekieten

liadden'va'i Davids tijdelijke afwezigheid gebruik gemaakt, om zijne aanvallen op hunne land-enooten door het verwoesten van Zikla/te wreken. De stad was verbrand, maar bet° schijnt dat geen bloed vergoten was, want David kon ze allen terugbrengen, toen hij de benden die alles en ook zijne twee vrouwen medegenomen hadden, had overweldigd. De Amalekieten spaarden allen, enkel eii° alleen om zich daarmede te verrijken, en welligt de vrouwen zeiven te behouden, of ze als slavinnen te verkoopen.

De mannen van David waren met woede vervuld toen zij zagen wat er gebeurd was, en deden bittere verwijtingen aan hun generaal omdat hij de vesting zonder bezetting had gelaten. Men gmg zoo ver om hem te willen steemgen. De Manassieten, die zich juist bij hen hadden gevoegd en niets verloren hadden, stonden hem welligt ter zijde, en beschermden, althans hielden hem staande tegen de ontevredenen. Men besloot de bende, die, zoo als men reden had te gelooven, nog niet vei veiwijderd zyn kon, onmiddely ^ te vei volgen. David had meer dan een ig anc ei geleden, doch hij openbaarde op dit oogenblik dat hij een man was naar het hart van God, »en hij versterkte zich inden Heeue zijnen God." Hier hebben wij David zoo

Q1<3 ni rl o rlnrcQv» -i • • ...

^ vctu oucls, ny neemt zijne

toevlugt tot Jehovah en vindt in Hem zijne» steun en sterkte.

Hij was zonder twijfel op dat oo^n1'!' k zeer zwak in zich zeiven. Alles scheen dan ook tegen hem gekeerd en gekant te zyn, en juist toen alles hem ontzonk, en ^ij alleen overbleef niet zijn bedrukt en benaauwd hart, zocht hij zijne sterkte daar waar zij alleen te vinden is: in den M^ere, den grooten en magtigen God, den Heer \ an het heelal, den Onveranderlijke en Getiou^e, die hem niet onbekend was, maar m waarheid zijn God. Het is voorzekei een onuitsprekelijk groot voorregt, van God als onzen God te mogen spreken, tot Hem. in kinderlijke betrekking en gemeenschap te staan, en in Hem dien steun en die sterkte te vinden, die Hij al¬

leen verleenen kan. Zoolang dit niet geschied was, verkeerde David als onder eene donkere wolk, doch zoodra hij wederom in een regten toestand voor God was geplaatst en hij in God wederom sterk was, kon bij ook in de kracht van dien God op nieuw kloeke daden doen en overwinnen. Laat ons toezien, dat ook wij in den Heer de kracht vinden, die wij van noode hebben, opdat wij sterk in Hem en in de kracht Zijner sterkte, meer dan overwinnaars mogen zijn door het geloof, dat de wereld overwonnen heeft.

Nu raadpleegde hij wederom den efod, dien Abjathar, de zoon vau Achimelech, tot hem gebragt had, en door den efod gaf de Heer hem tot antwoord: »Jaagt na, want gij zult gewisselijk achterhalen, en gij zult gewisselijk verlossen." En weldra bleek het, dat de Heer met hem was, de bende der Amalekieten werd achterhaald, en niet alleen werd 't geen verloren was herwonnen maar een oroote buit viel in de handen van den overwinnaar. Al ligt zoude deze overwinning zelve een tweespalt in het leger van David hebben doen ontstaan, zoo David niet de zaak had beslist tot genoegen van allen en in billijkheid voor allen.

Natuurlijk werd een deel van de buit het eigendom van den generaal, en hij vol groote edelmoedigheid en tevens met veel takt zond geschenken aan de ouderlingen der plaatsen, die hem ondersteund hadden, met de boodschap: »Ziet, daar is een zegen voor ulieden van den buit der vijanden des Heeuen." De boodschap der behaalde overwinning en de vrijgevigheid, waarmede hij alles wegschonk, won hem de harten overal, en het gevolg daarvan was, dat men van alle zijden zich bij hem voegde, totdat zoo als in de

Kron ijken te lezen staat, het »een groot leger werd, als een leger Gods." (1 Kron. XII: 22).

Ik kan niet in bijzonderhederheden treden aangaande de mannen, die al deze groote daden volbragten, die in de boeken van Samuel en de Kronyken vermeld staan; genoeg zij bleven bij hem nadat hij als koning op den troon van Israël gevestigd was, en hij die ze als de zijnen erkend had toen hij zeifin verdrukking was, schaamde zich hunner niet, toen hij als koning verhoogd was.

Voortaan zullen wij David spoedig en onder strijd en overwinning als koning kunnen aanschouwen; maar ook nu betoont hij in zijn gedrag zoo veel heldenmoe en edele zelfbeheersching en zelfverlooc enmg, zoo veel ootmoed en moed, dat men in hem den toekomstigen koning, den man van God kan opmerken. Gaarne herinner ik u ten slotte de zwakheid van den mensch, ook den meest geloovige, zijne onmagt om des Heeren wil te doen en de kracht der genade, die zich ook in zwakheid, ja enkel

door zwakheid verheerlijkt.

Gode zij dank, dat wij weten dat zijne kracht in zwakheid wordt volbragt; dat wij in Hem

blijmoedigheid en vrijmoedigheid mogen hebben, z°o wij maar in het geloof wandelen. Ha zij ook ons ten goede nabij, en make het mogelijk voor een iegelijk onzer ons in den Heer onzen God te versterken. Sterkin de kracht Zijner liefde en trouw, zullen wij ook kloeke daden doen, en gesteund door Zijne almagt niet beschaamd worden, maaide

wereld overwinnen onder de bescherming van Hem, die ook ons schild en onze schuilplaats is, en door het geloof zijn ook wij meer dan overwinnaars O. S.

Met Beest uit de aarde.

Onwedersprekelijk is het, naar liet schijnt, dat het Beest uit de aarde is eene geestelijke raagt; geheel overgegeven aan de verheerlijking van het Beest uit do zee, welk laatste duivelsch is in kracht en heerlijkheid, en tot zijne grondwet heeft, de lastering van God.

Er volgt voorzeker uit, dat alle uitleggers die in het Beest uit de aarde het nog in naam christelijk Pausdom, de Jezuïtenorde, de moderne wetenschap, of wat anders ook verstaan, dat nog niet openbaar en in belijdenis godslasterlijk is, eene onjuiste verklaring geven.

Men kan volstrekt niet met eenige zekerheid zeggen, wat het Beest uit de aarde zijn zal, zoolang het Christendom niet officiëel is afgeschaft , dat is: zoolang de afval er niet is. Die in de vorige eeuw zou beweerd hebben, dat er gedoopte menschen zouden worden gezien, die een geheel nieuwen Bijbel zouden hebben, met veelwijverij enz., zou krankzinnig zijn geacht, en toch zijn de Mormonen thans in vrij groot aantal openbaar. Wie zal dan nu kunnen zeggen, welke geestelijke magt er zal opkomen, nadat de volken in toorn ontstoken, Jehova zullen hebben verworpen?

Waarschijnlijk echter acht ik het, dat het Pausdom zijne rol nog niet heeft uitgespeeld. Mij dunkt het kan haast niet anders, of ook het Pausdom moet zijne rijpheid hebben vóórdat het geoordeeld wordt. Hot was met zijne wereldlijke en geestelijke magt, zijn schijnchristendom en leugenleer, steeds eene sterke afschaduwing van een lam met twee hoornen, sprekende als de draak. Innerlijk was het steeds meer vleesch dan geest, meer heidenscli dan christelijk; steeds geneigd Gods kinderen te dooden; dragende scharlakenkleur ; vereerende het getal 666 1); godslasterlijk in zijne titels enz., maar het was nog nimmer dienende eene godslasterlijke wereldmagt, en vertoonde zich nog nimmer geheel zóó als het Beest uit de aarde.

Wanneer echter het Pausdom in handen is van iemand uit het geslacht der Napoleon*s, waartoe eerlang alle kans bestaat; wanneer het tevens ten volle zal zijn bewerkt door Jezuïtisme en spiritisme, en buigen moet voor de kracht der socialistische beginselen, en deze consequent zijn gekomen tot liet verheffen van godslastering tot godsdienst van het_ menschdom, dau schijnt het hoogst waarschijnlijk dat het Pausdom in de hoop van later weder tot zijne kracht te zullen kunnen komen, zich geheel dienstbaar zal maken aan de goddelooze wereldmagt van den Antichristus, en daardoor

1) Volgens Pierre L. Rome au 19m siècle ontvangt

de Paus bij zijne benoeming van de kardinalen 666 Louis d'or.

tot do rijpheid van het Beest uit de aarde later den valschcn profeet, komen zal.

Ik veronderstel dit, hoezeer ik het mogelijk acht dat de schrikkelijke verandering der Christenheid in eene wereld die den satan aanbidt, nog geheel iets anders dan het pausdom doet o-eboren worden als beest uit de aarde.

Men kan zich de duisternis van den afval tf ^on^er voorstellen. Deze ontzettende ontwikkeling der menschelijke geschiedenis is ons tot waarschuwing vooruit voorspeld en het betot het regte waken, dat men er oogen vooi leeft. God heeft steeds het einde Zijner wegen aan de Zijnen geopenbaard en het nimmer aan iet noodige licht laten ontbreken, om

vprl-in8 ^n-,w men te doen heeft. Daarentegen satan zijn doel achter schoonschijnende voorstellmgeu. Hij tracht steeds en op den mensch diets te maken, dat 3 eioud boven alles gaat en verleidt hem V TV 6 °m se^1Önbaar gevaarlooze, doch inderaac ten verdorve voerende wegen tot zelfbehoud in te slaan.

De profetie heeft die verkeerde wegen der menschen, der kerken, der staten helder aangewezen , zoodat ieder, die er ernstig op wil acht geven er de noodige waarschuwingen in vinden kan. De hoofdzonde van de anti-Christus-vereering is voorzeker de verhouding der kerk tot deu staat. De kerk laat zich verleiden om de zekerheid van haar bestaan en van haren invloed te ontleenen uit de magt van den staat, en wij zien haar consequent eindelijk zóó ver gaan, dat zij tot de aanbidding van het Beest komt en er toe verleidt.

Zeker is het goed dat kerk en staat eensgezind zijn, en dat de staat door de kerk ondersteund wordt en zij de bescherming der overheid geniet, maar de kerk behoort te weten dat de sterkte van den staat daarin berust, dat de overheid Gods dienares zij; hare magt ontleent van God, en dat elke afwijking van Gods wet, elke inrigting waardoor het ongeloof, de vleeschelijkheid bij het volk worden gevoed en alles wat uit den Booze is, voor de kracht van den staat verderfelijk is en dezelve vroeger of later ondermijnt. De kerk meet weten en openlijk en krachtig getuigen van hetgeen de staat nuttig en noodig is, en strijden tegen alles wat in den staat strijdt met Gods bedoeliugen.

Dit is onvermijdelijk noodig voor kerk en staat beide, en al moet de kerk door hare getuigenis voor de waarheid, in omstandigheden komen zoo als Elia, zal zij, wanneer zij niet toegeeft en tot in den dood aan hare roeping getrouw blijft, ervaren, dat wié zijn leven zal willen verliezen het behouden zal.

Is zij echter nalatig in hare getuigenis, zwijgt zij, dan is zij op den weg van het, Beest uit de aarde, onverschillig om welke oorzaak zij zwijgen mogt. Of zij het doet uit traagheid, om vrede te houden met den staat; of zij het doet uit moedeloosheid, omdat het verderf zoo groot schijnt, dat alle verbetering onmogelijk wordt geacht; of zij het doet uit eigenbelang, omdat haar bestaan op het spel staat, dau wel uit theologische dwaling, omdat zij meent, dat het hare roeping niet is tegen den staat te getuigen , — dat is alles hetzelfde.

De kracht der beginselen, sterker dan de menschen , zal de wereld zeer zeker ten verderve voeren , wanneer de krachten der duisternis niet bestreden worden en het van den Heer afgevallen volk wordt rijp voor het Anti-christendom, terwijl de kerk, die deu uitwendigen vrede wil blijven bewaren, eindelijk tot den grooten stap moet komen, om op aarde een tempel voor den Draak op te rigten.-

Was zij in gunstige tijden onrnagtig om weerstand te bieden, zoo wordt zij, van lieverlede aan de dwaling gewoon geraakt, in den boozen en zwaren tijd des afvals, ten laatste het niet onwillig werktuig van het Anti-christendom.

Voor dit verschrikkelijk einde van het instituut , dat wij thans volkskerk noemen, sal de g°ede _ bedoeling om den Heer opregt te dienen, de zuivere leer en het woord Gods in eere te houden en orthodox te zijn, ons geenszins bewaren, evenmin als de Joodsche kerk bewaard is door de regtzinnigheid en den ijver der Farizeeën, die hun bloed over hadden voor den tempel des Heeren en de wet van Mozes.

Slechts wanneer de leer op het leven wordt toegepast, bekeering werkt van bijzondere personen en hot leven der volken hervormt, wanneer de gezindheid, de zeden , de maatschappelijke orde worden doordrongen van den Geest van Christus, dan is er eene kracht des levens, die voor 't verderf bewaart.

Houdt de kerk op een bruikbaar zout te zijn, dan wordt ze als smakeloos zout weggeworpen en vertreden. De Meester heeft het gezegd. Gelukt bet alzoo aan de kerk in Europa en ook in Nederland niet, om te komen tot eene nieuwe doortastende hervorming, dan is zij verloren. Gelukt haar die wel, dan zal het haar aan aanzien e11 magt niet ontbreken. Doortastende hervoi'iumg ia de eenige weg tot redding van kerk en staat. Elke andere weg leidt de volken tot het laat ste antichristelijke wereldrijk, en de kerk tot dienstbaarheid aan hot Beest uit de aarde, den valschen profeet.

Sluiten