Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1869.

Twintigste Jaargang.

\E NK EBI^K <STEM "

VOOE

ISRAELS KONING, HET HOOFD DER GEMEENTE.

N°. 46.

*üïn o iniöNn

Ps. CXYI: 10,

Vrijdag, 12 November.

De uitgave van dit Blad, onder Eedactie van Dr. C. SCHWARTZ) geschiedt geregeld des Vrijdags van iedere week. Bijdragen, Brieven, enz., gelieve men franco te adresseren aan de Uitgevers H. DB HOOGH & C°.

Het geloof is uit ]lct gehoor.

Kom. X: 1.

Abonnementsprijs per kwartaal ƒ 1,50, franco por post ƒ 1,65. — De Prijs der Advertentiën is

elke regel meer 15 Centen. — Groote letters worden naar de plaatsruimte berekend. Ö & '

Bij dit Blad behoort een BIJVOEGSEL.

Inhoudende: Gebeurtenissen van den dag. — Staatkundige pers. — Christelijke pers. — Vergadering van het Schoolverbond te Utrecht III. — Het Schoolverbond. — William Jamieson. — Het Doorgangshuis te Hoenderloo. — Kerk. — School. — Zending. — Evangelisatie. — Nieuwstijdingen. — Boekbeschouwing.

liet lied van den boog-,

David nu kiaRgde deze klageover Saul en over Jonathan, zijnen zoon. Als hij gezegd had, dat men den tinderen van Juda den boog zouleeren: ziet, het is geschreven in het boek des Opregten. O sieraad van Israël, op uwe hoogten is hij verslagen; hoe zyn de helden gevallen! Verkondigt het niet te Gath, boodschapt het niet op de straten van Askelon, opdat de dochters der Filistijnen zich niet verblijden, opdat de dochters der onbesnedenen niet opspringen van vreugde.

3 Samuël 1 : 17—30.

Wij bezitten twee verhalen van den dood van Saul. Het eene is door den heiligen geschiedschrijver zei ven ter neder geschreven, en het andere is van den Amalekiet afkomstig , die het berigt bragt van den dood des konings en zijne zonen. Wij kunnen slechts het eerste aannemen, daar de Amalekiet er een bijzonder belang bij heeft om aan dit berigt de naar hij dacht voor hem meest gunstige kleur te geven. Volgens beide verhalen echter werden de Israëlieten op de vlugt gedreven door de Filistijnen in den slag van Gilboa. Saul en zijne drie zonen evenwel versmaadden het als dappere helden, zich door de vlugt te redden, en zij sneuvelden allen op het slagveld. Onder die zonen was ook Jonathan, Davids edele en getrouwe vriend. De heilige geschiedschrijver zegt ons, dat Saul, die door een pijl doodelijk gewond was, zijn wapendrager verzocht zyn zwaard te trekken en hem te doorsteken, opdat misschien niet deze onbesnedenen komen zouden en met hem den spot dry vende hem zouden dooden. De wapendrager echter weigerde het bevel van Saul te gehoorzamen, waarop deze zelf het zwaard nam en daarin viel.

Een Amalekietisch man had dit waarschijnlijk uit de verte gezien, was daarop naderbij gekomen en had de koninklijke insigniën weggenomen. Zij waren het armgesmijde, dat van ouds af en ook nu nog tot de koninklijke sieraden behoort in Perzië, China en Indië. Ook de kroon van zijn hoofd nam hij, eene soort van een met diamanten versierde helm, zoo als hij op oude gedenkteekenen voorkomt. Yoor een oogenblik dacht de man welligt er aan, dezen ko¬

ninklijken buit mede te nemen, maar later bevond hij, dat het beter voor hem zoude zijn ze tot David te brengen, die zeer zeker daarover zeer voldaan zou zijn en hem koninklijk zou beloonen. Hiermede niet voldaan, geloofde hij zich nog daarmede bij David te kunnen aanbevelen, door te beweren, dat hij zelf op Sauls verzoek hem had vermoord. Een man, zoo dacht de Amalekiet, dieniet alleen de koninklijke sieraden bragt, maar Davids grootste tegenstander en vervolger had vermoord, zou zeer zeker op de grootste eerbewijzen kunnen staat maken. Maar ziet, zoo ooit menschelijke berekening zich heeft vergist, en iemand die wind had gezaaid, storm heeft geoogst, dan voorzeker deze Amalekiet.

Zoodra David hoorde van den dood van Saul werd hij met diepe droefheid vervuld, en er bestaat niet de minste reden om de opregtheid dier droefenis in twijfel^ te trekken. David scheurde zijne kleederen als teeken van rouw, en alzoo deden »ook al de mannen die met hem waren." Maar David gloeide tevens van verontwaardiging, dat een Amalekiet zijne hand tegen den gezalfde des Heeren had uitgestrekt. Misschien herinnerde hij zich, dat de Heer tot twee malen toe dezen bitteren vervolger in zijne hand had gegeven en hij hem had gespaard, zoodat hij èn na hetgeen hij zelf had gedaan, èn in een nationaal gevoel met toorn werd vervuld, en bevel gaf aan een der jongeren, om toe te treden en hem te slaan dat hij stierf. Men heeft David van wege dit doodvonnis eenigzins hard gevallen en gemeend, dat hij met hardheid jegens den Amalekiet had gehandeld ; doch ik beken, dat ik deze beschouwing niet deelen kan. Het stond niet aan David te oordeelen wie Saul had gedood; hij vergenoegde er zich mede, het verhaal van den Amalekiet voor waar te houden, zoo als deze zelf het hem had medegedeeld, en dan was hij voorzeker de moordenaar van den koning van Israël.

Het aandoenlijk lied, dat David ter eere van Saul en Jonathan en de andere helden, die met hen op Gilboa's heuvelen waren bezweken, heeft gezongen, draagt blijken van de diepste smart, en bewijst genoegzaam in hoedanig een geest hij was. Lig te] ijle had door een dagelijkschen omgang met de ruwe en gewelddadige mannen de teederheid van zijn gemoed kunnen schipbreuk lijden; maar het was niet alzoo, hij bleef de teedere en diep voelende man op den troon als

in de woestijn. Wat van hem als in e;ne schaduw wordt aanschouwd , wordt in Davids Zoon en Heer in zijne volle heerlijkheid gezien. Hy is in Zijne diepste vernedering en in Zijne grootste verheerlijking dezelfde; schaamt zich niet ze Zijne broederen te noemen en,— wat David niet kon doen, — wordt niet alleen door den omgang met zondaren niet besmet, maar zoo groot is de kracht Zijner heiligheid en heerlijkheid, dat allen die met Hem in persoonlijke aanraking komen, van zonde verlost en vernieuwd, Zijn beeld gelijkvormig worden.

Het lied heeft als wederkeerend vers: t>IIoe zijn de helden gevallen; dit wordt driemaal herhaald. De teederheid des zangers is volmaakt, wanneer hij van Jonathan spreel t, en men gevoelt dat zijne gansche ziel is uitgestort in de weeklagt over den verslagenen vriend en geloofsgenoot. Uitlegging behoeft het lied niet, maar wel is het waar, dat slechts een edel hart de woorden kan hebben geu it, en slechts een edel hart de diepte en warmte daaraan kan beseffen.

Er is echter een vers aan het hoofd van het lied bij wijze van inleiding geplaatst, dat verdere toelichting noodzakelijk maakt, en wel het achttiende. » Als hij gezegd hnd, dat men den kinderen van Juda den boog zon leeren; ziet, het is geschreven in het boek des Opregten." Deze woorden luiden vreemd en schijnen te onderstellen, dat David l

den treungeiT uitslag \ tien e trójtl JiavoI lieeft gegeven om de kinderen van Juda in het hanteren van den boog onderwijs te doen geven. Maar men begrijpt volstrekt niet waarom dit geschied is; immers het is van Jonathan's boog gezegd dat hij niet achterwaarts werd gedreven, en van Saul's zwaard dat het niet ledig wederkeerde. Buitendien waarom zoude dit ter neder geschreven zijn in »het boek des Opregten,'5 dat volgens Jozua X niet een krijgsboek maar eene verzameling was van nationale liederen.

Men moet »de boog" niet als ivapen, maar als titel van het lied, bij die gelegenheid gezongen, opvatten. Dit lied ter herinnering aan de geleden nederlaag, zoude van buiten moeten worden geleerd, en eene plaats vinden onder de liederen der natie. Wanneer men zich slechts herinnert, dat ook vele psalmen dergelijke benamingen dragen, dan zal men ook den naam van en voor dit lied, dat zooveel van den boog spreekt, gemakkelijk kunnen begrijpen. Alzoo wordt Ps. XXII: 1 gelezen: Ayeleth hasschaschar, Psalm XVI: 1; Jonath-

Elein-Rechokim, Shoshannim enz., in Psalm LXIX, LXXX en LX. De boog, de moordende der Filistijnen, de boog van Saul en van Jonathan , eenmaal zoo gedenkwaardig in de geschiedenis van David's leven, toen het bevel aan den knaap gegeven werd, diede pijlen vergaderen moest, dit alles kon gemakkelijk eene aanleiding geven, om aan dit lied den titel de Boog te geven, opdat het door tijdgenooten en door toekomstige geslachten niet zou worden vergeten. Het is voorzeker merkwaardig , dat dit lied, zoo belangrijk in de geschiedenis van David's leven, geene plaats vindt in zijne Psalmen, omdat dezen niet bloot historische en persoonlijke, maar godsdienstige feiten en gewaarwordingen verheerlijken. 0. S.

David te Hebron.

En het geschiedde daarna, dat David den Heere vraagde, zeggende: Zal ik joptrekken in eene der steden van Juda? En de Heere zeide tot hem: Trek op. En David zeide: Waarheen zal ik optrekken ? En Hy zeide : Naar Hebron. Alzoo toog David derwaarts op, als ook zijne twee vrouwen, Ahinóam, de Jizr^ëlietische, en Abigail, de huisvrouw van Nabal, den Karmeliet. Ook deed David zijne mannen optrekken, die bij hem waren, een' iegelijk met zijn huisgezin; en zij woonden in de steden van Hebron.

3 Samuël 2: 1—3.

De dood van Saul met zijne drie zonen op de heuvelen van Gilboa, gaf David vrijmoedigheid om een stap verder te gaan en zijne aanspraken als koning te doen gelden. Hij was koning volgens regt. Ilij was op Gods bevel door Samuel tot opvolger van Saul gezalfd geworden, en had dus dezelfde vnlmasrt en hetzelfde regt als Saul, die ook door Samuel tot koning was gezalfd geworden. Saul was als koning erkend geworden onder bepaalde voorwaarden, die hij geschonden , en op bepaalde beginselen, die hij verloochend had. Dien ten gevolge verbeurde hij den troon, niet slechts voor zich zelven, maar ook voor zijne nakomelingen. De Heer, die dit regt voor zich zeiven van den beginne af, om zoo te spreken, bewaard had, een regt waarmede Saul van den beginne af werd bekend gemaakt, — verklaarde nu dat Saul dien ten gevolge was afgezet en David benoemd door Samuel, Zijnen gezant. Dit was in geheel Israël bekend , en de erfprins Jonathan had hierin volkomen berust, ja Saul zelf had verscheidene keeren de regtvaardigheid dier beschikking erkend, ofschoon hij hem, die tot troonopvolger bestemd was, had vervolgd. Volgens het Israelietische constitutioneele regt was David de wettige koning, en voorzeker nooit heeft een koning zich meer dan David op goddelijk regt kunnen beroepen. Van erfregt kon

geen sprake zyn, en al ware dit zelf* iet geval geweest, dan immers was de wettige erfgenaam Mephiboseth, Jonathans zoon, en Jonathan had voor zich en zijne nakomelingen plegtig afstand gedaan van den troon.

Met nederbuigende liefde handelde de Heer ook hierin met Zijn volk. Hij wilde hun niet een koning opdringen. Van daar dat ook Saul gewacht had, totdat zijne benoeming door het volk bevestigd was. Tegenover een anderen candidaat tot den troon was

avids titel geheel voldoende; doch tegenovei het volk wilde hij met groote zaohtmoe igheid en voorzigtigheid te werk gaan, en aai om beriep hij zich niet op den sterven aim , maar op de erkenning door God ze ven en de overwinningen , die deze hem had geschonken.

Het oogenblik was van groote beteekenis vooi de geschiedenis van David niet slechts, maar voor geheel Israël, en daarom wilde David geen stap verder doen zonder God te raadplegen. Zijne eerste vraag was: »Zal ik optrekken in eene der steden van Juda? En toen dit bevestigend werd beantwo«rd, weid gevraagd: » Waarheen?" en het antwooid luidde: sNaar Hebron". Deze oude stad van Abraham was de hoofdstad van den stam van Juda en de sterkste en belangrijkste plaats binnen de grenzen van dien stam. Ook was Hebron eene Levietische stad en daarom welgezind voor David, die ondersteld werd de dienst van Jehovah te beminnen CU Luiffjculilt; 11 ;»go„uliicu

te zijn met de priesters, sedert de schanddaad te Nob gepleegd.

David trok op met zijne beste manschappen naar Hebron; hij werd met blijdschap dooi zijne stamgenooten ontvangen en eerlang werd de kroon hem bereidvaardig aangeboden en door hem aangenomen. Meer konden zij hem niet aanbieden, want over de andere stammen konden zij natuurlijk niet beschikken. Daarentegen behoefden zij niet te wachten op het besluit der andere stammen, daar zij behalve Efraïm de magtigste stam waren, die teregt mogten 011dei stellen dat hun besluit invloed op de andere stammen zou uitoefenen.

David schijnt groote waarde gehecht te hebben aan het aansluiten der andere stammen aan de overzijde van de Jordaan, en mogt veilig onderstellen, dat hij niet ongaarne gezien werd aldaar, omdat ook gedurende den tijd van zijne ballingschap velen zich bij hem hadden gevoegd. Weldra bood zich de

Licht en duisternis.

Vervolg.

Ik kon een gevoel van afgrijzen niet onderdrukken, toen deze slaaf, zich omwendende, een gelaat vertoonde, waarop sluwheid, kwaadwilligheid, hebzucht en argwaan hun ontsierend zegel hadden afgedrukt. De meester was in prachtkleedij, schoon zijn reisgewaad van ligte stof was geweven; aan zijnen gordel was een dolk bevestigd, waarvan het gevest met edelgesteenten ingelegd, helder flikkerde bij het schijnsel der lamp. Hij was groot, met gefronsde trekken en diepe, doordringende oogen, die zich rusteloos bewogen onder de zware wenkbraauwen; diepe rimpels doorploegden zijn gelaat, en grijze haren mengden zieh hier en daar tussehen het donkerzwart van hoofdhaar en baard.

»Vrede zij met u! Weest gedankt, er is geene oorzaak tot ongerustheid," begon hij, onze vragen voorkomende. »Alleen, mijn — mijn

»Nicht!" vervolgde eene zachte, heldere stem, die uit het binnenste der tent scheen voort te komen. Daar dit gedeelte in diepe schaduw lag, waren wij volstrekt niet voorbereid op de tegenwoordigheid eener vrouw, die thans naar voren trad en zich aan de zijde van haren oom plaatste.

Joodsche vrouwen zijn niet gewoon zich te sluijeren, en voor den dagelijksche omgang is dat ook volstrekt geen vereischte. Grooter tegenstelling liet zich naauwelijks denken dan tussehen het jonge meisje en den ouden man. Zij had bet zware opperkleed ter zijde gelegd, dat onder het reizen aan de schouders wordt geplooid, en zoowel tot mantel dient als tot hoofddeksel en, zoo noodig, tot sluijer. Het donkerbruine haar,

door een gouden band aaneengesnoerd, hing in weelderige lokken over rug en schouders. De oogen waren van een lichter bruiu, en overschaduwd door lange, zijdeachtige wimpers; haar langwerpig gelaat vertoonde al de eigenaardige kenteekeneu der zuiverste Hebreeuwsche schoonheid. Het onderkleed reikte tot aan hare voeten, en was om haar middel bevestigd door een gouden band, uitloopende m een gesp, welke den vorm had eener schuifelende slang. De stof was van Egyptisch weefsel, zuiver wit, met gouden draden en omgeboord. Onder de plooijen van haar gewaad verstaken zich de Perzische schoenen van gloeijend scharlaken, die bijna den geheelen voet bedekten.

Het zonderlinge van het tooneel, de onverwachte verschijning der jeugdige jodin, de rijkdom harer kleeding, maar bovenal bare buitengewone schoonheid hielden ons als aan den grond genageld.

»Ja, mijne nicht!" vervolgde de grijsaard, met iets sarkastisch in zijnen toon, »is wakker geschud door een vreemd geluid in hare nabijheid, aan het uiteinde der tent. Misschien was het slechts een droom, of is een der lastdieren losgebroken en tegen de pinnen der tent aangeloopen."

^ »Waarlijk, oom, ik heb het duidelijk gezien. Eenige oogenblikken te voren hoorde ik sluipende voetstappen. Ik zag dat er eene opening gemaakt werd in de tent. Een oog gluurde naar binnen, en ik voelde den heeten adem op mijne wangen!"

»Het is zoo, er is eene opening in de tent," hernam de oude man, > maar dit kan geheel toevallig zijn. In elk geval, mijne slaven hebben de plaats onderzocht en niets gevonden. Ga, Ariel, de nacht is helder; ga en bezie dester-

ren! En gij, broeders, weest nogmaals gedankt! De Heere beware uwen uitgang en uwen ingang!"

Er was dezelfde wufte, spottende klank in zijne stem, welke ik te voren had opgemerkt. Voordat wij er op bedacht waren, bevonden wij ons weder aan den ingang onzer tent.

Salomo stond ons op te wachten. Hij scheen grootelijks opgewonden'

»Hebt gij Rabbi Samuel gezien?"

Het antwoord was ontkennend, en voordat wij tijd hadden om onderzoek te doen naar de bedoeling zijner vraag, was ook Salomo verdwenen.

Waarschijnlijk zouden de moeste menschen in deze omstandigheden gehandeld hebben zoo als wij. Wij worden niet moede te spreken over de wonderlijke gebeurtenis van dezen avond, schoon wij er al zeer weinig van konden zeggen. Wij spraken fluisterend ; en toch was er niemand die ons beluisterde. Onze beraadslagingen bepaalden zich tot en waren besloten in deze vraag: Wie was zij? en in welke betrekking stond zij tot den wonderlijken ouden man, die haar nicht noemde? Klaarblijkelijk hadden zij vele landen doorgereisd, klaarblijkelijk waren zij rijk, klaarblijkelijk waren zij van de Joodsche natie. Maar in dit alles was niets zekers. Duizenden Joden spoedden zich in dezen tijd naar Jeruzalem, uit alle landen, beladen met de rijkdommen deiHeidenen. Toch scheen het ons vreemd toe dat een Joodsch pelgrim zich zoude bezig houden met de studiün, in welke wij hem gestoord hadden , of eenen Perzischen slaaf zoude gebruiken tot het waarnemen van sterrekundige berekeningen. Over het algemeen was er iets zeer onIsraëlietisch in zijn voorkomen en in zijn gedrag. En waarom verlangde hij zoo vurig een einde te maken aan onze ontmoeting? Wij vonden het gemakkelijker deze vragen te opperen

dan ze te beantwoorden ? Leon had een inval; hij zelf en ik mogten op verkenning uitgaan. Er zijn op dit tijdstip vele wigchelaars, die het rijk doortrekken, en die een aanmerkelijk deel joodsch mysticisme voegen bij sterrewigchelarij, waarzeggerij en tooverij. Of zij handel drijven met het bijgeloof dér zwakken, of zich waarlijk toeleggen op eene verbindtenis met de geesten van eene andere wereld, die volgens onze Rabbijnen ons gedurig omringen, dit kan ik niet beantwoorden. Maar al had de oogenschijnlijke rang en rijkdom van den ouden man deze theorie toegelaten, zoo vonden wij het toch onmogelijk te denken, dat zulk eene schoone, onschuldige gezellin aan deze onderneming verbonden was.

Zoo waren wij na al ons spreken even verlegen als te voren. Eén ding scheen ons zeer duidelijk , schoon wij het niet uitspraken, namelijk dat wij beiden veel belang stelden in haar: en^ wij besloten dat wij op de eene of andere wijze moesten te weten komen waar zij heengingen en hun waar karakter en levensdoel leeren kennen.

Er was slechts eene wijze, waarop dit mogelijk was., door de twee te volgen, stil te houden waar zij stilhielden en te blijven waar zij bleven.

Mee veel tegenzin was ik genoodzaakt te bekennen, dat ik niet de persoon was, geschikt tot zulk een onderzoek. Mijn pligt riep mij naar Hebron en Jeruzalem, zelfs al had ik genoeg overleg gehad, of de middelen tot mijne beschikking bezeten om een krachtdadig onderzoek in te stellen. Leon, een aanzienlijk Heiden, die, indien het noodig ware, de hulp van invloedrijke personen kon inroepen, zoude de achterdocht kunnen ontgaan en ons doel beter kunnen bereiken. En zoo werd dit ten laatste besloten.

De band, die ons nu te zamen verbindt, is naauwer dan die der vriendschap alleen. Wij zijn overeengekomen waar en hoe wij elkander onze ontdekkingen zouden mededeelen, en het kan niet anders of wij zullen liet voorwerp onzer nasporingen spoedig ontdekken, Maar wat dan ?

Lr waren nog vele andere zaken, die geregeld moesten worden, want ik moet geen tijd verliezeu, zoo ik Hebron wil bereiken vóór het ingaan van den sabbath. Zoo belastte ik Leon met de zorg voor mijne paarden en andere zaken, en besloot zoo spoedig mogelijk naar het hsnvelachtig gedeelte van Judea te verreizen.

De eerste trompet had zich al lang doen hoore_n, eer wij scheidden om ons gereed te maken. Eindelijk kwam Salomo aan. Onder gewone omstandigheden zou ik veel van zijne hulp bij onze nasporingen verwacht hebben. Maar hij was in eene bijzonder vervelende bui, daar hij geene enkele vraag konde of wilde begrijpen en moeijelijkheden en tegenwerpingen opwierp bij elk plan. Het leidde klaarblijkelijk nergens toe het onderwerp te ^espreken.

Toen ik mij bij Leon voegde bij de karavaan, mistten wij Samuël en zijn slaaf bij ons gezelschap. Dit wekte onzen achterdocht op, en herinnerde one aan de vraag van Salomo bij het teruggaan naar mijne tent. Maar Salomo was te bezig met kameelen en goederen, om ergens op te letten. In de duisternis en verwarring van onzen nachtetelijken togt was het mij onmogelijk eenig onderzoek in (e gtellen. Van den ouden man en zijne nicht zagen wij niets meer. Dit was zeker de onaangenaamste, en naar het mij toescheen de langste pleisterplaats gedurendo onze reis.

(Wordt veroolgd.)