Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1869.

Twintigste Jaargang.

N°. 50.

131N o >ninxn

Ps. CXVI: 10.

nederlandsche stem

VOOR

ISRAELS KONING, HET HOOFD 1)KR GEMEENTE.

-i A rx 1 Iï»t (I-I'ldof is uit

Vnjaag, ïu jjccemuex.

liet geloof is nit het gehoor.

Kom. X : 1.

=" ===== Vri'iiln.crH van iedere week.

lï)e"uitgave vandi t Blad, onder Redactie van Dr. C. SGI1WARTZ, geschiedt gerege.a ^ & ^

° t-»• • n nriy 0-Alifive men franco tp, n.drflssp,rnn aan de Uit-ge

nnarai£üii« v""-' »

\) QJ

Abonnementsprijs per kwartaal ƒ1,50, franco per post ƒ 1,65. —-De Prijs der Advertentiën is van 1—5 regels/1,elke regel meer 15 Centen. — Groote letters worden naar d6 plaatsruimte berekend.

Bij dit blad behoort ccn BIJVOEGSEL.

INHOUD. Een pleit voor de vrije school. — Een belangrijk adres. — Staatkundige dagbladpers. — Toespraak, gehouden^ door paus Pius IX, op den 2 December 1869, tot de bisschoppen der Roomsch Katholieke wereld, te Rome gekomen ter bijwoning van het Concilie. — Kerk. — School. — Zending. -

Boekbeschouwing- — Liefdegaven.

.1 . .1 — .1 ..

Zij, die zich aboiinecren op uc voigenuu jaargang van <lit blad, ontvangen van af lieden de nog te verschijnen nummers

gratis

De blinden en kreupelen.

XXIV.

Eli de koning toog met zijne mannen naar Jeruzalem, tegen de Jebusieten, die in dat land woonden. En zij spraken tot David, zeggende: Gij zult luer niet inkomen, maar de blinden en kreupelen zullen u afdrijven; dat is te Je£" gen: David zal hier niet inkomen. Maar David nam den burg Zion in;

is de stad Davids. Want David ten zeiven dage: Al wie de Je slaat, en sreraakt aan die wateig>

slaat, en geraakt aan cue w^'e,. flie krennelen . en die blinden,

Davids ziel gehaat zijn, die sa daarom hoofd en tot een ovew'te ^ ' j zal zegt men: Een blinde en kieupti

in het huis niet k°™|Damuel y : 6-8.

David had gedurende zeven en een half jaar te Bebro» als hee«l>er over Juda geregeerd, toen eene groote memgte mt alle stammen óch d«r-m.rtS begaf, om hem de kroon over alle stammen aan te bieden. In 1 Kronijken XII wordt eene volledige lijst medegedeeld, waaruit blijkt, en dit is feit allezins merkwaardig, dat de verafgelegen noordelijke stammen en de stammen aan de andere

zijde van de Jordaan, over weiKe isoosein nau geheerscht, het grootste getal van afgevaardigden lot deze gewigtige bijeenkomst hebben gezonden. De twee en een halve stam aan de andere zijde der rivier zonden een derde van het geheele getal, en de twee stammen Zebulon en Aser bijna een vierde gedeelte. Dit was evenwel zeer natuurlijk, daar de ver afgelegen stammen slechts vertegenwoordigd konden worden door hunne af¬

gevaardigden , terwijl de nabij wonende als het ware gerekend werden met hunne geheele bevolking tegenwoordig te zijn. Van daar dan ook, dat de afgevaardigden van Juda, waar de zaak van David buitengewoon

sterk was, vergelijkenderwijze slechts weinig

in getal zijn.

Voorts is het belangrijk, de gronden te vernemen, waarop David de troon aan0e boden werd door de overige stammen.

Eerste en onmisbare voorwaarde. » ne wij, uw gebeente en uw vleeseh zijn wij. Men kan hier naauwelijks de aanmerking terughouden, dat van den grooten Zoon van David gezegd wordt: »Hij heeft met de engelen, maar het zaad van Abraham aangenomen , is ons vleeseh en bloed deelachtig geworden.''

Doch hij is ook vroeger reeds hun leidsman geweest, heeft als zoodanig hun ver+—irorrlipnrl. en is nu ook waardig

wuuncu T

hun koning te zijn. Zij zeggen: »uaartoe ook te voren, toen Saul koning over ons was, waart gij Israël uitvoerende en inbrengende." Bij ondervinding weten wij wat gij in vroegere dagen hebt gedaan, en deze ondervinding geeft ons moed, om ook voor de toekomst vertrouwen te betoonen.

Maar bovenal, God de Heer zelf heeft ,, +nf lrnninor over Israël bestemd. » Ook heeft

de Hee® tot u gezegd: Gij zult mijn volk Israël weiden, en gij zult tot een voorganger zijn over Israël." Welaan, zij wisten dat alles zeven jaren geleden, en men moet toegeven dat hun erkennen van Davids regt zeer laat komt, maar eindelijk belgden zij, dat hunne natuurlijke gemeenschap met hem, zijne beproefde bekwaamheid als leidsman, en bovenal zijne zalving door God zeiven tot koning over Israël, hem aanwijzen als den door God gewilden en van God geschonken heerscher. En wederom komt bij ons onwillekeurig de gedachte op,

hoezeer dit van toepassing °P ^ezu'

Nazareth, den Koning van Isiaël. 11

, r ;;l nl de stammen

zal eenmaal door Israël,

,a„ « erkend t

tige Koning, als degen ' , , ,,

en door alle eenwen ziel, betoond eeft te zijn de overste leidsman va» Ajn volt, en bovenal door den Vader zeiven, «,t de i i door het woord der getuige!ls Koning der heerlijkheid is ver-, f1S r' 1 En Hij zal dit huldebetoon, al Wgtetit,'zeer laat, met nederbuielide liefde aanvaarden, zoo als David een verbond met hen te Hebron heeft gemaakt voor het aangezigt des Heeren. Zij onder¬

wierpen zich echter met onbepaaldelijk, en deden geen afstand van hunne regten, maar integendeel van beide zijden werden zekere voorwaarden vastgesteld, zoodat de regeringsvorm niet een absolute, maar om een woord uit

onzen tijd te gebruiken, een constitutioneele was. De voorwaarden waren zonder twijfel dezelfde, die vroeger door Samuël waren vastgesteld geworden, en van kracht bleven ook voor vorsten in lateren tijd, eene soort van krooneed, ofschoon de bepalingen niet zoo naauwkeurig en vast gemaakt waren, en het later meer Oostersch werd, om zoo mogelijk eene regering absolutistisch te maken.

David werd nu tot koning over Israël gezalfd. Dit was de derde zalving. Immers

hij werd gezalfd in 't stille en onaanzienlijke vaderhuis door Samuël; hij werd gezalfd tot

koning over' Juda en Benjamin, en nu eindelijk tot koning over het geheele volk van Israël. Wat dunkt u lezer, zou er nietin de geschiedenis van Jezus eene dergelijke drieTmlrlirrp -znlvinf? te vinden zijn: over's Vaders

huis,")ver een gedeelte van, .en over geheel Israël V

Weldra bespeurde David dat Hebron, of„An„n eene gepaste residentie voor het

kleine rijk, veel te zuidelijk gelegen was, om

tot hoofdstad voor het groote rijk m aan¬

merking te kunnen komen. iNogtans was hij ongenegen om zijn stam, op welken hij ,,nn (felieel vertrouwen kon, te verlaten. Hij

besloot dus Jeruzalem tot verblijfplaats te

kiezen, dat m de noordelijke grens van Sichem en in het gebied van Benjamin ge¬

legen was. Uok Jeruzalem was naauwelyks centraal genoeg voor het geheele land, maar had eene zeer goede ligging, was wel bevestigd en was buitendien, al de omstandigheden in aanmerking genomen, meer toegankelijk voor de stammen van het

noorden en oosten. Ook nu nog ziet men dergelijke bepalingen van residentie's in Perzië, waar de vorst meer centrale en beter gelegene deelen des lands voorbijgaat, om in de nabijheid van zijn eigen stam te kunnen vertoeven, op welken hij in tijd van nood en, gevaar het meest en best kan vertrouwen. Neemt men nu nog in aanmer¬

king, dat God, die het einde der dingen van den beginne af weet, voorzag dat weldra onder den kleinzoon van David op nieuw eene schenrim? zou plaats hebben, en Jeru¬

zalem de residentie werd van een zuidelijk koningrijk, dan kan men veilig aannemen, dat God de dingen alzoo bestierde, dat nu reeds Jeruzalem werd gekozen, om wanneer

de dag der scheiding zou aanbreken, de residentie der koningen van Juda voor goed gevestigd zou ziin.

Maar Jeruzalem moest eerst veroverd worden. Het was nog in handen der Jebusieten, ten minste het opperste en meest bevestigde gedeelte, met inbegrip van den berg Sion. In het lager gedeelte van de stad, voor zoover zij afgescheiden of onderscheiden was van de citadel, schijnen de Jebusieten en Israëlieten, voornamelijk uit den stam van Benjamin, bij elkander gewoond te hebben. De vesting was zoo sterk en zoo lang geweest in de handen der Jebusieten, dat

zij het voor onmogelijk hielden, dat het bezit daarvan hun ooit betwist zou kunnen worden. Van daar deze verklaring: »Gij zult hier niet inkomen, want de blinden en de kreupelen (of lammen) zullen u afdrijven; dat is te zeggen: David zal hier niet inkomen." Daarom zegt David: »A1 wie de

Jebusieten slaat, en geraakt aan die watergoot, en die kreupelen, en die blinden, die van Davids- ziel gehaat zijn, die zal tot een

hoofd en overste zijn; daarom zegt men: Een blinde en kreupele' zal in het huis niet komen." Maar nu ontstaat de vraag: Wie zijn die blinden en de lammen?

De gewone uitlegging is, dat het wezenlijk blinde en lamme mannen waren, aan wie de Jebusieten, vertrouwende op hunne sterkte, tot bespotting der aanvallers de bewaking der vesting hadden toebetrouwd.

Dit geeft zonder twijfel een goeden zin,

maar dan ontstaat de vraag: VV aarom zou

Davids ziel deze ongelukkige lammen en

blinden haten, die immers hiertoe met

gewillig, maar gedwongen werden gebruikt? En wat beteekent het nemen van deze blinden en lammen? Dooden was dan het eenigste dat te pas kwam. Buitendien in belegerde vestingen is men niet gewoon blinden en lammen op te liopen, en hoe kwamen alle deze blinden en lammen in de vesting der Jebusieten? Met het oog op deze zwarigheden is het beter zich te houden aan de door de beste joodsche uitleggers aangewezen verklaring, die daaronder de koperen afgoden verstaan. Dan verstaat men hoe zij in de vesting werden geplaatst, het

wegnemen daarvan, en den afschuw van Davids ziel. Maar waarom werden zij blinden

en lammen genoemd? De 115de Psalm geeft het antwoord: »omdat zij oogen hebben en

niet zien , en voeten, en niet kunnen gaan.

Tot hunne bespotting worden deze afgoden, waarop de Jebusieten hua vertrouwen stel¬

den, »lammen en blinden genoemd. De Jebusieten waren zoo zeker van de hulp dezer afgoden, dat zij David uitdaagden de vesting te komen nemen, zoolang deze afgoden daarover waakten. Maar van het standpunt van David en van dat van den heiligen geschiedschrijver waren deze afgoden zoo krachteloos, dat ze slechts bij »blinden en lammen" vergeleken kunnen worden, en hij aanvaardde den strijd tegen de afgoden der Jebusieten, gelijk hij tegen de afgoden der Filistijnen had gestreden, toen hijzelf frnlia/Kh. flpn lasteraar der heirlegers van Je-

hovah, in dien bloedigen kamp ontmoette. De Jebusieten bragten ze waarschijnlijk uit hunne tempels, en plaatsten ze op de muren der vesting, verklarende, dat zij met ir, rlo vnnr li en bestemde tempels of huizen

gebragt zouden worden, voordat de vijand

verslaeren was.

En nu zou men kunnen vragen: wie zijn die lammen en blinden, of wie waren die afgoden der Jebusieten? Wij kunnen niet

mfti hfislist.Vieid sdreken, doch kunnen De-

proeven dit eenigzins aan te toonen. De grondleggers van groote steden waren gewoon de sterrekundigen (astrologen) te raadplegen over de gesteldheid des hemels, 0111 onder gunstige omstandigheden den eersten steen te leggen. »Het dal des geluks,"

door de eerste figuur gevestigd, werd tot i i ■»? aav» onrlflv TT et

)> ascenüeni gemaand van ecu. auuw.*

eerste geschiedde met het oog op de duurzaamheid der plaats en het tweede nam in aanmerking haar uitwendig geluk en heeilijkheid. Onder den invloed der tweede figuur werd eene figuur van koper opgerigt, in welke liet geluk der stad getrokken en waarin het door geheime kunstenarijen bewaard zou worden. Wanneer het beeld met deze geheime kracht vervuld was, werd het op eene bijzondere plaats in de stad gesteld

door de bewoners beschouwd ais ae

bijzondere kracht beligchamende en de invloeden beschermende, waarop de welvaart der stad en hare bewoners rustte.

Zoodanige plegtigheden voor een dergelijk doel werden, zoo als wij weten, bij de vestiging van Alexandrie door Alexander

den Groote uitgevoerd; bij de vestiging van Antiochie door Antiochus, van Rome en van Byzantium, later Oonstantinopel. Naar het schijnt, werden deze feestelijkheden niet uitgevoerd zonder bloedige plegtige verrig-

tingen. In het geval van Antiochie, en waarschijnlijk ook op andere plaatsen , werd eene maagd geofferd. Een beeld der maagd werd dan opgerigt, waarop de nieuwe naam der stad werd geschreven, en dan werden offers aan dat beeld gebragt.

In den aanval tegen de Jebusieten slaagde Joab, die door eene misleiding naar het schijnt, toegang tot de stad vond. Op die wijze geraakte de sterke vesting, die zoolang door de Israëlieten begeerd werd, in de hand

van Joab, die toen aan het hoofd van het geheele leger van Israël werd geplaatst, zoo als hij tot dusver van Juda was geweest. Dit was zeer gelukkig voor Joab, daar het niet zeer waarschijnlijk is, dat David na den

moord van Abner in zijne tegenwoordige gemoedsgesteldheid geneigd was om Joab het opperbevel over het geheele leger toe te vertrouwen; ja welligt wilde David zelfs door dit aanbod, zich ontdoen van dezen dapperen, maar ruwen en gewetenloozen aanvoerder; doch hierover kan niets beslissends gezegd worden. Genoeg, Joab slaagde in zijne onderneming; liij werd tot opperveldheer benoemd, Sion werd het eigendom

van Dand, hij vestigde zijne residentie te Jeruzalem, de lammen en blinden werden verslagen en verdreven en de God van Israël,

die David tot koning over zijn volk had

bestemd, woonde aldaar in het midden van Zijn volk, en Hij zal daar op Zijn tijd, Zijne groote heerlijkheid openbaren. Davids Zoon

en Heer zal daar heerschen en Zyne heer¬

schappij zal geen einde hebben. O. b.

Aanteekeningen.

en

De onbelangrijkheid der Tweede Kamerdébatten, in September j.1., over liet adres van antwoord op de troonrede, werd door de meeste onzer vrienden opgemerkt. Niemand voerde liet woord over de algemeene strekking van dat

/-"lionnooio nirnv rlp nrfilrftls llGD in

ulllyyüip. -ivo uiouuoohj v » v/a — x

weinige oogenblikken af. Slechts bij paragraaf 4 eene korte schermutseling, de onderwijskwestie betreffende, waarbij de liberale minister Fock, even als vroeger, de zeer anti-liberale onderwijswet in bescherming nam, tegenover den heer van Lijnden van Sandenburg, die uit de troonrede had meenen te bespeuren, dat de regering tot toenadering gezind was. Eindelijk nog een kernachtig, positief Christelijk woord van den heer van Loon bij de behandeling van paragraaf 7.

Thans trekt de algemeene beraadslaging over de staatsbegrooting onze bijzondere aandachtEn wel in de eerste plaats de nitnemende rede van den heer van Lijnden. Op cordate wijzo begon hij met de verklaring, dat zijne roeping in de Kamer, die van den C/irw/eii-staatsmau Txraa rlaf. Viii 0I3 imvforrnnnrr^nvrlirrPV rlpr aiiristelllk'

»» lu.j j <-uiu uy uw vi/i itgi/un »

historische rigting den strijd aannam in 's lands raadzaal tegen alles wat zich keerde tegen het éénig zuivere beginsel, het beginsel dat Neder-

n 1 • I 1 .1 - -- J_i. -lAnllfö

land Vjroas zegen niet Kan ontoeren, en tuit in de vreeze des Heeren dien zegen met grond mag worden verwacht.

De roeping van den C/Wsfcw-staatsman in de Kamer. Gemakkelijk is zij niet. Slechts hij, die op geenerlei wijze den smaad der wereld wil ontgaan, kan die taak op zich nemen.

Algemeene vermelding van OnristeiijKe oegi"sels wekt geenen noemenswaardigen tegenstand, en is den camtera-staatsman onwaardigDe heer van Lijnden van Sandenburg stelde dan ook in zijne rede van 26 November Gods Woord op den voorgrond, als de hem bij alles tot maatstaf strekkende autoriteit.

Welk een verheven standpunt is dat van den Christen, die in de volksvertegenwoordiging Se" roepen wordt getuigenis af te leggen. Hoe noodig is het, dit standpunt met allen ernst en alle waardigheid in te nemen. Waar deugt de anti-revolutionair in de Kamer toe, die zijn geïsoleerd standpunt verlaat, en zich aan eene andere partij gelijkvormig maakt?

Onze Christen-staatsman bij uitnemendheid, de heer Groen, schreef in Ongeloof en Revolutie

het volgende behartigenswaardige woord: > Wanneer het alleen om ministeriüele verantwoordelijkheid , of regtstreeksche verkiezingen, of soortgelijke, zoo het heet, overdierbare steunselen der burgerlijke vrijheid te doen ware, kon welligt de Christen, zonder pligtverzuim onbezorgd zijn, doch hier is meer dan dit, hier is al wat den Christen ter harte behoort te gaan, op het spel. Het geldt de bestrijding van begrippen, wier noodlottige werking zich tot de heiligste belangen uitstrekt."

Dft VlP.pt* trnn. TTcO/llmATI iIp lecde in den

" " — uun vttilJT j.uoijwuiw"»»' ' ci

loop dezer begrootings-discussie eene verklaring af, waar wij een oogenblik bij stilstaan. Hij zeido; »Wat mij betreft kou er noch in den jongsten tijd, noch vroeger sprake zijn van herwinning van zelfstandigheid, om de eenvoudige reden dat ik geene zelfstandigheid had verloren."

Gelukkig de antirevolutionair, die aan het einde zijner parlementaire loopbaan, bij een terugblik op de afgelegde baan, met den heer Bichon kan uitroepen: Van herwinning van zelfstandigheid was bij mij nooit sprake. Gelukkig, omdat deze belijdenis tevens de getuigenis be-

iraf. Viïi nrn<7P 7.11110

Christelijke — door de vrijzinnigen fel bestreden — overtuiging, lieeft gepreciseerd.

Bij de zevende afdeeling van het vijfde hoofdstuk der begrooting krijgen wij ongetwijfeld eenen warmen strijd over het onderwijs. Van de zijde dezer regering is geene opheffing van de regtmatige bezwaren van duizenden in den lande te hopen. Wie daarop nog rekent, zal lang kun-

TïPn WfLpAïtftn. Wplliorf. ia rlp inrlipvnnor vft.n een

voorstel tot wijziging der wet van 1857, door onze vrienden, het éénige middel om aan het eindeloos wachten een einde te maken. Zulk een voorstel onzerzijds zou het point de ralliement kunnen worden van alle leden in de Kamer, die eiken dwang en dus bovenal gewetensdwang schuwen.

Arnhem. A. Schimmelpenninck v. d. Oije.

Gebeurtenissen van den dag.

Wij moeten voor een oogenblik in de eerste plaats de aandacht vestigen op de boodschap, die de president der Vereenigde Staten van Amerika aan het congres heeft gerigt. Gisteren

/-* r 1 ' li 1 •• 11

(M.aauuo,g; mi.hu net congres ui)een, en neaen ochtend (Dingsdag) liggen de hoofdpunten van die zoo belangrijke en omvangrijke boodschap voor mij gedrukt in de Times. Dat op zich zelf is eene gebeurtenis. De president begint met God te danken (de afschrijver van zijne rede heeft dus niet vergoten God de eer te geven die Hem toekomt) voor de zegeningen van vrede en vruchtbaarheid van den bodem, zoodat overal overvloed heerscht. De staatsinkomsten zijn zoo rijkelijk, dat ze de uitgaven overtreffen, en hij spreekt don ernstigen wensch uit, dat wan neer hij en de leden van het congres tot het privaatleven terugkeeren, noch zij nocli hij door hun geweten veroordeeld mogen worden. Toen de rebellie onderdrukt was, waren elf staten zonder wettige regering, een zware schuldenlast drukte op haar en de handel was bijna vernie-

1 • ^ T~4- 1 •• , - , 1 J_

ngu. AiiLusscuen zyn zeven staten weaerom raut de republiek op wettige wijze vereenigd, en hebben gedaan al wat door het congres geëischt werd.

Daar de Vereenigde Staten het meest vrije volk zijn, sympathiseren zij met alle natiën, die worstelen naar vrijheid; evenwel willen zij hunne meeningen niet am onwillige natiën opdringen, of daadwerkelijk deelnemen, zoo zij er niet toe uitgenoodigd worden, aan den strijd tusschen de volken en tusschen-de regeringen en lïare onderdanen. Gedurende meer dan een jaar (dit is een zeer gewigtig gedeelte der Boodschap) heeft eene belangrijke provincie van Spanje, waarin wij groot belangstellen, naar onafhankelijkheid geworsteld. Het volk en de regering der Vereenigde Staten gevoelen even warm voor Cuba in hare tegenwoordige worsteling als zij vroeger voor andere koloniën en haren strijd tegen Spanje hebben gevoeld; maar de strijd heeft in Cuba nooit eene zoodanige uitgestrektheid gehad, dat hij volgens internatio¬

nale wetten genoema kou woraen een ourioy, noch heeft er ooit de facto eene zoodanige politieke organisatie bestaan aan de zijde der insurgenten, om ze als oorlogvoerende mogendheid te erkennen. Maar het beginsel wordt door ons verkondigd, dat deze natie (de Amerikaansche) voor zich zelve beslist wanneer zjj het regt van oorlogvoerende mogendheid een volk toekent, dat worstelt om zich vrij te maken van eene regering, die zij voor tiranniek houdt, of van natie's die met elkander in oorlog zijn. (Dit klinkt zeer eenvoudig, maar andere natie's zullen hetzelfde regt voor haar eischen, dat Amerika voor zich verlangt, en de Engelschen zullen spoedig ge-

o ï v . .. i ï 1 _ j .

noeg antwoorden, dat zij siecnts voor ue zuidelijke Staten in haren opstand tegen het Noorden deden, wat de Amerikaansche regering voor Cuba zou doen, indien de insurgenten slechts krachtig genoeg waren om als oorlogvoerende mogendheid te kunnen erkend worden.

De president spreekt dan over de verhouding van Amerika tot Engeland. Tegen het einde der

Sluiten