Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1869.

Twintigste Jaargang.

N\ 52.

^^^^INE^O^^ANDSCHE STEM

voor

TSRAFLS klIMMi. HET HOOFD DER GEMEENTE.

-dik o 'rotten

Ps. CXYI: 10.

Vrijdag, 24 December.

Het geloof is uit het gehoor.

Kom. X ■. 1.

De uitgav» van ditBlad, onder Redactie van Dr. C. SCHWAETZ, geschiedt geregeld des Vrijdags van iedeie week. Bijdragen, Brieven, enz., gelieve men franco te adresseren aan de Uitgevers H. DE HOOGK & G .

Abonnementsprijs per kwartaal / 1,50, tranco per post ƒ l,bö. — Do i'rijs der Advertentiën is van 1—5 regels/1,

elke regel meer 15 Centen. — Groote letters worden naar d6 plaatsruimte berekend.

Het kistje en de kribbe.

De Heilige Geest heeft ons door den profeet Habakuk doen weten, dat de regtvaaidige door het geloof zal leven, en dezelfde Geest heeft den apostel Paulus geleerd de Heilige Schrift te doorvorschen, om ons eene wolk van getuigen voor de kracht en heer lijkheid des geloofs te beschrijven. Eene heerlijke reeks van belijders en lijders wordt onzen bewonderenden harten aangeboden, en wij zegenen God, onzen God voor de heerlijke voorbeelden van moed en zelfverlooche ning, die wij mogen aanschouwen. De apos tel begint met Abel, den eersten martelaar des geloofs in het beloofde zaad; naast hem staat de man, die met God wandelde en nooit den dood heeft gesmaakt, die gepro feteerd heeft, zeggende: »Zie de Heeie komt met tienduizend Zijner heiligen. n het midden eener wereld, die in den booze ligt, getuigt Noach voor de waarheid Gods, berispt hij de ongeloovigen door zijne ge hoorzaamheid, en wordt een erfgenaam der geregtigheid, welke is door het go oo . Daarna volgen de vaders van Israël, aan wie de belofte is gegeven, dat in hen en in hun zaad de geslachten der aarde gezegend zullen worden; maar zij zeiven waren gedurende hun geheele leven pelgrims en vreemdelingen, en zagen uit naar eene stad, wier bouwmeester God zelf is. Onder hen bekleedt ook Sara eene plaats, ofschoon zij zwak in het geloof was, opdat men zien moge, dat zelfs zwak geloof waarachtig geloof is, en dat alleen door het geloof mannen en vrouwen Gode kunnen behagen. Jozef werd uit zijns vaders huis gestolen toen liij nog zeer jong was; maar hij volhardde in het geloof aan den God van Israël, en hij werd getrouw bevonden zelfs tot aan den dood; want toen hij stierf maakte hij melding van het vertrek der kindéren Israëls, gaf bevel met betrekking tot zijne beenderen, en eischte een eed van zijne broeders, dat wanneer God hen bezocht zou hebben, zij zijne beenderen niet in Egyptischen grond zouden doen rusten.

Met hem sluit dit eerste tijdperk der helden des geloofs. Wij worden nu tot Mozes gebragt, die eene even hooge plaats als Abraham, de vader der geloovigen, bekleedt. Wanneer wij de zwarigheden en den arbeid, de beproeving en de vijanden die liij moest overwinnen, en de verlossing die hij tot stand bragt, in het oog houden, de zachtmoedigheid van zijn persoon en de vastheid van zijn onvermoeiden arbeid voor Gods eer, dan moet men wel bekennen, dat hij ons een wonderbaar blijk van de kracht en heerlijkheid des geloofs achtergelaten heeft.

De Apostel Paulus schijnt zoo veel waarde aan het getuigenis van Mozes gehecht te hebben, dat hij zijne hoorders eene schrede achterwaarts leidt, en ook het geloof der ouders beschrijft, waardoor het kind behouden werd. »Door het geloof," zegt hij, »werd Mozes, toen hij geboren werd, drie maanden lang van zijne ouders verborgen, overmits zij zagen, dat het kindeken schoon was; en zij vreesden het gebod des konings niet.'* (Hebreen 11: 23) Laat ons het oog vestigen op de gevaren, waaraan het kind blootgesteld was, de middelen die tot zijne verlossing werden gebezigd, en de gelukkige uitkomst die daardoor verkregen werd.

Wanneer God iemand tot een bijzonder werk verkiest, dan geeft Hij gewoonlijk bijzondere blijken daarvan kort vóór of na de geboorte. Behoef ik u te herinneren wat Hij deed vóórdat Simson, Samuël en Johannes de Dooper geboren werden? God openbaarde Zijne bedoelingen aan de ouders, en zij handelden daarnaar met hunne kinderen. Het is voorzeker een groot voor-

regt het kind te zijn van een vromen vader en eene godzalige moeder; want ofschoon het geloof niet overgeplant en als eene nalatenschap aan kinderen gegeven worden kan, is het evenwel waar, dat hun voorbeeld en het onderwijs dat zij geven, en vooral de gebeden, die zij met en voor hunne kinderen opzenden, een groote zegen zijn. Alzoo was het ook met den zoon van Amram en Jochebed, die door het geloof zijner ouders gered werd.

Om hun gelóóf volkomen te verstaan, is het noodzakelijk zich de toestanden te herinneren, onder welke hij geboren werd. Heerlijke beloften waren aan Abraham gegeven geworden, daar het gansche land Kanaiin hem tot eene blijvende bezitting gegeven werd en God verklaarde dat Hij zijn God zou zijn (Gen. XVII : 8). Die beloften werden aan Izaiik herhaald en wederom aan Jakob (Gen. XX : 1, 4 en XXVIII: 13, 14), maar vooralsnog zuchtte het volk onder zware verdrukking. Jozef had wel is waar het land groote diensten bewezen, doch deze waren reeds lang vergeten, ja in plaats van hen wel te doen, werd het volk grootelijks gekweld, en nergens werd eene stem van troost, of eene schaduw van verlossing gezien. Had God dan Zijne beloftenissen vergeten en opgehouden getrouw te zijn? Zeer zeker niet. God verkiest Zijne eigene middelen en bepaalt Zijnen tijd. Abraham moest 25 jaren wachten vóórdat de beloofde zoon geboren werd, Jozef was vele jaren in eene gevangenis opgesloten en Mozes zelf moest veertig jaren in de woestijn vertoeven, vóór dat hij geroepen werd zijne broederen te verlossen uit de magt des verdrukkers. Wij allen moeten leeren onze se-

Ö

dachten en wegen te vergeten , om gansch en al ons over te geven aan des Heeren leiding. Maar niets wordt meer geëischt en niets meer zeldzaam gehoord dan wachten op den Heer.

De hand van Egypte lag zwaar op Israël, en koning en volk maakten hun leven bitter met handenarbeid. En wie zou nu in deze arme metselaars de nakomelingen der patriarchen, of wel in deze slaven de erfgenamen der belofte Gods herkend hebben? Daarom, laat ons niet naar den schijn oordeelen; want de heerlijkste dingen Gods worden in aarden vaten bewaard, en God verkiest het zwakke en dwaze om het sterke en wijze der wereld te beschamen. Daarom moeten wij voor ons zeiven trachten ook den schijn van het kwade te vermijden; maar van de andere zijde anderen niet wantrouwen, omdat de schijn tegen hen is. Kwam niet Gods eenige Zoon op deze aarde in de gestalte van een dienstknecht, en werd Hg niet onder de misdadigers gerekend, ofschoon Hij geene zonde had begaan, en er zonde noch scliuld gevonden werd in 't geen Hij zeide en deed. Faraö werd hoe langer hoe meer met woede vervuld, en vergenoegde zich niet meer met de twee Israëlietische vroedvrouwen te gebieden de Israëlietische knaapjes te dooden, maar gebood zijn gansche volk, om dat gruwelijk bevel ten uitvoer te brengen, en veranderde dus de geheele natie in een volk van moordenaars. Overal raasde de ontzettende vervolging, en 's vaders sterke arm en moeders teedere schoot konden het onschuldig kind niet langer verdedigen, wiens eenige zonde was, dat het een afstammeling was der vaderen, wier God Jehovah wilde zijn.

Farao's middelen waren goed gekozen. De vervolging duurde voort zonder mededoogen en zonder stilstand. De koning van Egypte geloofde zeker te zullen triomfeeren, en toch mislukte het hem; en waarom? Omdat hij er één vergat, en die ééne is gelijk aan duizend, ja aan tienduizend, en Hij keert de

weegschaal tegen hen. Toen Herodes lateizijne moorddadige hand tegen den Koning der Joden uitstrekte, door al die kinderen van Bethlehem ' te vermoorden, geloofde ook Hij zeker te zijn van de uitkomst, doch Hij, die in de hemelen zit bespotte hem. Toen de Farizeën Pilatus noodzaakten Jezus van Nazareth aan het kruis te nagelen en zijn zegel te hechten aan den steen, die op het graf lag, twijfelden zij niet aan de uitkomst; maar Hij die in den hemel zit bespotte hen; en zoo was het steeds met allen, die den Heer durfden tegenstaan.

In Egypte ging alles den gewonen gang. Zij huwden en gaven ten huwelijk, en noch Egyptenaren noch Israëlieten wisten van de geboorte van het kindeken in het huis van Amram. Mozes 'spreekt slechts van de moeder, doch Paulus van de ouders (Hebr. 11 : 23) en hoogst^ waarschijnlijk waren de ouders, — en het is voorzeker een groote zegen wanneer ouders in den geloove vereenigd zijn, — te zamen bezig om voor God te overwegen wat voor hun kindeke behoorde te geschieden. Jochebed zag het kind aan en ziet het was schoon, en Stefanus zegt van hem: »schoon tot God (Handel. 7: 20 letterlijk vertaald in plaats van »uitnemend") 't geen niet slechts uitwendige, maar ook inwendige, bovennatuurlijke heerlijkheid aanduidt. Deze schoonheid versterkte zeer zeker het geloof der ouders, en Amram en Jochebed, die stellig de belofte van een verlosser kenden , en in deze belofte geloofden , vreesden niet den toorn des konings. Het is daarom niet onnatuurlijk, te onderstellen , dat daar de verwachtingen eens verlossers hunne harten bezielde, zij nu hoopten, zoo zij niet wezenlijk geloofden, toen zij dit schoone kind zagen, dat dit de geboren verlosser was van hun en zijn volk.

In de kracht van dat geloof verborgen zij het kind gedurende drie maanden, en maan¬

den van zware beproeving waren het, daar zij gedurig moesten sidderen voor de veiligheid van hun kind. En toen het onmogelijk werd, het kindeke langer te verbergen, veranderden zij hun waken, en legden het in een kistje aan hetzelfde trouwe Vaderhart, waaraan het in het wiegje gelegen had. Gode zij dank, wij mogen ook onze kinderen aan Zijne getrouwe zorg aanbevelen, en al verandert hun wieg in een zerk, ook dan immers zijn zij in de hand van God. Hem leven zij en met Hem zullen zij opstaan, wanneer de dooden Zijne stem zullen hooren en leven.

Gaarne sprak ik nog over het verband tusschen geloof en middelen, in de wegen die God met Zijn volk houdt, doch tijd en plaats ontbreken; laat mij u nu slechts herinneren Psalm XXXIII: 10—12.

Gods heerlijkheid wordt gezien in den zoon van Jochebed, die in een kistje rust; God geopenbaard in het vleesch in den zoon van Maria, liggende in eene kribbe. Hielen daar is een klein begin, en hier en daar een wonderbaar wassen; hier en daar een volk in ellende gedompeld en niemand bij magte om te redden, danjde Verlosser door God zeiven gezonden; hier en daar bloedige tirannen tot verderven bereid, en Gods waakzaam oog, dat hunne moorddadige doeleinden ter nederwerpt; maar dan ook daar de kracht; Mozes de zelf uit het water getogene, en daar Jezus de Verlosser, die kwam om te zoeken en te zaligen wat verloren was. Hier eene wakende zuster, daar wachtende engelen, die de komst des Konings verkondigen en den lof van den Zone Davids zingen. Hun lofzang weerklinkt in de hemelen en gaat uit in alle landen: »Eere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in de menschen een welbehagen/"

Eere zij God! Laat dit voortaan het wachtwoord van ons geheele leven zijn. Wij prij¬

zen Hem, die ons gekocht heeft tot een duren prijs met ligchaam en ziel, die de Zijné zijn. Wij prijzen Hem door het geloof, waarmede wij aan Hem ons vasthechten; door het geloof in Hem, de gehoorzaamheid aan Zijnen wil, de getrouwheid waarmede wij Hem volgen, het geduld waarmede wij Zijn kruis dragen, den moed waarmede wij wereld, vleesch, zonde en satan bestrijden; de zachtmoedigheid waarmede wij tegen Zijne en onze vijanden getuigen , de bereidwilligheid om de armen om Zijnentwil te helpen en de treurigen te troosten en den ernst om zondaren aan Zijne voeten te brengen. Eere zij Zijn naam in 'tgeen wij doen en dragen, in woorden en daden; want wat wij ook doen, wij doen het in Zijnen naam, dankende den Vader door Jezus Christus.

C. S.

Evangelische o{>leidin»school in Toskane.

Onlangs ontving ik weder een brief uit Cisanello, bij Pisa, waarin mij verzocht werd, onderstaande circulaire ook in een Hollandsch blad te laten plaatsen; mogt zij luide spreken tot veler harten en beurzen. Wij vragen eerst uwe gebeden, dan uwe giften. Beiden zijn noodig, ook voor Italië, waar nog zoo veel valt te werken, niet enkel aan de jeugd , maar allereerst tot vorming van bekwame onderwijzers en onderwijzeressen, waaraan zoo groot gebrek is.

Het werk door Miss Carruthers ook thans aangevangen, is daarom zeer belangrijk en van het grootste nut. Maar ik laat haar zelve spreken.

»In mijne circulaire van Junij uitte ik de hoop, vóór het einde dezes jaars een aanvang te kunnen maken met de opleidingschool te Cisanello, bij Pisa; thans kan ik, met dankbaar opzien tot den Heer, vermelden, dat ik dit heb kunnen doen. Mijn eerste voornemen was, een schoollokaal te bouwen in den tuin mijner villa; daar ik echter hiertoe de noodige gelden niet bij elkander kon krijgen, gevoelde ik, toen de zomer bijna ten einde was, dat ik dit plan voor het oogenblik moest opgeven. Toch koste het mij tevens veelde opening eener goede opleidingschool, waaraan hier zoo groote behoefte bestaat, nog uit te stellen, waarom ik na rijp overleg, besloot, dat het beter was, ten minste met een tak van het werk te beginnen, dan in het geheel niets te doen. Daar ik van eene zeer geschikte hoofdonderwijzeres in het noorden van Italiö had gehoord, nam ik het besluit, haar voor het eerste jaar te huren en voor haar en de school de noodige plaats in mijn eigen huis in te ruimen. Het voorportaal is derhalve ingerigt tot schoollokaal en een daaraan grenzend vertrek dient tot eet- en speelkamer voor de kinderen; want zij brengen allen hun eten mede en hebben een uur van uitspanning van 12 tot 1 ure. Eene gordijn scheidt deze kamer van den keukentrap, enz.

Deze regeling heeft natuurlijk vele bezwaren, maar behalve het sparen der kosten, heeft het toch dit voor, dat ik alles tot in de kleinste bijzonderheden kan gadeslaan, en volkomen bekend worden mot de onderwijzeres. Wij hebben onze school geopend op den 18den October en hebben thans 23 kinderen, die geregeld komen; 12 hunner behooren tot de Evangelischen, 11 tot de Roomsch-Katholieken. Wij noemen onze school de elementaire gemengde school, om het vooroordeel te voorkomen, waarmede alles wordt aangezien wat Protestantsch is, en ik ben genoodzaakt geweest de school te openen onder den naam der onderwijzeres, daar de Italiaansche wet het burgerregt eischt, als onmisbaar tot verkrijging der noodzakelijke toestemming tot het openen eener publieke of eener bijzondere school in Italiö. Als vreemdeling kon ik de school dus in mijnen eigen naam niet openen.

De onderwijzeres heeft insgelijks voor eene kleine vermeerdering van salaris ondernomen, een meisje onderwijs te geven, om haar zoo doende te bekwamen tot het doen van een staats-examen, om het diploma van hulp-onderwijzeres te verkrijgen; zij heetAssunta Macchia, en genoot gedurende verscheidene jaren onderwijs in de school te Pisa (die door freule Witsen Elias en hare vrienden wordt ondersteund); ik heb met haar oom, die een der eerste bekeerden tot het Evangelisch geloof alhier was, schikkingen gemaakt, zoodat zij in zijn gezin kost en inwoning geniet; des namiddags komt zij ten mijne huize, om dan, na schooltijd van de onderwijzeres les te ontvangen.

Op deze wijze ben ik ook begonnen eene proeve te nemen met het opleidingsonderrigt; de reeds voorziene moeijelijkheden zijn echter niet lang uitgebleven. De eerste Zondag de beste, eigenlijk onmiddellijk na de opening

der school, preekte de pastoor er tegen, betreurende, > dat zelfs goede Roomsch Katholieken hunne kinderen bij de Protestanten zonden." Omstreeks eene week daarna vernam ik, dat eenige der fanatieke Roomschen in eene villa naast de mijne eene bijeenkomst hadden gehouden, om te zamen te beraadslagen betreffende de school, en het onmiddellijk gevolg was, dat de priester alles in het werk stelde, beide bedreigingen en beloften, om de ouders te overreden hunne kinderen niet bij mij te zenden.

Tot nog toe zijn ons geene der kinderen, die wij reeds hadden, ontnomen; maar verscheidene jongens, die ons toegezegd waren, zijn niet gekomen , en hetgeen erger is, de priester heeft zijn voornemen bekend gemaakt, om Roomsch Katholieke scholen in de gemeente te openen. Buitendien is hij huis aan huis gegaan, om de menschen te waarschuwen en tegen ons op te ruijen. Ik schep nogtans, bij dit alles troost, in do gedachte , dat deze tegenstand van den kant der vijanden van de Waarheid een bewijs is , dat dit werk uit God is, zoodat ik met Hizkia durf zeggen: »Met hen is een vleeschelijke arm, maar met ons is de Heer , onze God, om ons te helpen, en om onze oorlogen te voeren;" en gelijk toen het vereenigd gebed van Hizkia en Jesaja overmogt, en het •leger des konings van Assvrie overwon (2 Kron.

XXXII vers 8, 20, 21), zoo vraag ik ««dringend aan elk die deze regelen leest, zich met mij te willen vereenigen in vurige gebeden, opdat de pogingen, die tegen dit werk worden aangewend, niet mogen gelukken, maar dat het mij vergund zij , het ten uitvoer te brengen tot eer van onzen God en Zaligmaker.

S. H. Carruthers.

Cisanello-Pisa, Italië, 3 December 1869.

Mogt eenige lezer of lezeres dezer circulaire nog iets naders willen weten aangaande het werk, dat te Cisanello wordt verrigt, of eene gift hiervoor afzonderen, mot beide wil zich gaarne belasten,

Mejufvrouw van Manen, Laan van Meerdervoort, N°. 34, 's Gravenhage.

De leer der onsterfelijkheid en de Staatsschool.

Over de »leer der onsterfelijkheid in verband met de Staatsschool" is in onze Tweede Kamer zoowel als in de dagbladpers eeu debat gevoerd, dat in de hoogste mate onze belangstelling eischt.

Gelijk men weet, heeft het Noorden beweerd, en de N. Rotterdammer beaamden de Minister officieel, zij het ook zeer omzichtig, bevestigd: dat de leer van de onsterfelijkheid der ziel contrabande is op onze Staatsschool.

Met het oog nu op dit feit, willen we aantoonen: lo. Dat de minister en de radicale pers onloochenbaar recht hadden bij hun beweeren. 20. Dat het alarm tegen deze verklaring met de verkeerde klok is geluid, en 3». Dat bij dit geruchtmakend feit op ontzettende wijze het zedelijk verval van ons volksleven gebleken is.

Vooreerst: de minister en de radicale pers hadden onloochenbaar recht in hun beweeren.

We leven onder artikel 194 onzer grondwet, en de schoolwet van 1857 is nog ten volle van kracht.

Men houde dit wel in het oog.

Niet wat we wenschen zouden. Niet wat duizenden bij duizenden heilig is. Niet wat met het levensbesef zelf voor den Christen samenvalt. Uitsluitend de schoolwet van 1857 schift, wat op de openbare school als goede lading mag binnengeloodsd, en wat als verboden waar moet afgewezen.

Daarvoor nu bevat onze schoolwet deze curieuse bepaling, dat slechts met algemeene stemmen tot toelating mag besloten worden.

Geweerd moet, wat anders denkenden ergeren zou.

Toegelaten wordt dus alleen datgene, wat niemand ergert.

Zóó spreekt de wet, en zóó moest ze spreken.

Wil men een school die voor allen haar deuren openen zal, dan is een eerste vereischte dat die school kleurloos, strikt onzijdig zij.

Op zulk een school mag de Israëliet niet aan den Christen, de Roomschgezinde niet aan den Protestant, de Remonstrant niet aan den Hervormden Belijder worden opgeofferd. Voor aller geld gebouwd, voor aller kroost bestemd, moet die school van Staatswege voor allen even onergerlijk worden gemaakt.

Of niet zulk een school ondenkbaar is, is niet de vraag. De schoolwet wil haar, en eerst

Sluiten