Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1^69. - Twintigste Jaargang. JV°. 53.

^^ENE^NEimiw^sini "

VOOB.

ISRAELS KONING, HET HOOFD DER GEMEENTE.

■o** o wDxn ^ q Vrijdag1, 31 December. IIet *cloof is««het gehoor.

De uitgave van dit Blad, onder Redactie vari Dr. C. SCHWARTZ, geschiedt geregeld des Vrijdags van iedere week. Abonnementsprijs per kwaitaal ƒ 1,50, franco per post ƒ 1,65. De Prijs der Advertentiën is van 1—5 regels ƒ 1,

Bijdragen, Brieven, enz., gelieve men franco te adresseren aan de Uitgevers H. DE HOOGE & C°. elke reSel meel' 15 Centen. — Groote letters worden naar de plaatsruimte berekend.

Dij dit blad behoort een B!J\0KGSEL.

Inhoud: Aanteekeningen. — Het concilie te Rome en oorlog met het Lam. — Spanje. — Overlijden van Ds. G. W. A. van der Lingen. ■ Stellingen over de doodstraf. — Kerk. — Liefdegaven. — Advertentiën.

PJ- H. H. Abonncntcn worden beleefd verzocht de abonnementsgelden voor het vierde kwartaal van den Ileraut franco per postwissel over te maken. De Uitgevers.

Wie is de Koning der eere ?

Wie is de Koning der eere? De Heere, sterk en geweldig, de Heere, geweldig in den strijd. Heft uwe hoofden op, gij poorten! ja heft op,

fij eeuwige deuren! opdat de Koning er eere inga. Wie is hij, deze Koning der eere? De Heeke der heirscharen, die is de Koning der eere.

(Psalm 24 ; 8—10.)

David had eene plaats bereid voor de ark des Heeren. Priesters en levieten heiligden zicli, en de Levieten -droegen de ark Gods op hunne schouderen met de draagboomen, die op hen waren, gelijk als Mozes geboden had naar het woord des Heeren. De koning zelf legde zijn koninklijk gewaad af, en gekleed met een mantel van fijn linnen en een lijfrok van fijn linnen, aan de Levieten gelijk, huppelde David voor het aangezigt des Heeren met alle magt. Alzoo bragten zij de ark des Heeren op met gejuich en geluid der bazuinen, lovende en dankende den God van Israël, die hem tot koning over zyn volk had verkozen.

Het woord, dat hij tot Michal, zijne echtgenoote, Sauls dochter sprak, die hem van wege zyn dansen voor God bespotte, kenschetst Davids geheele gedrag jegens God in onderscheiding van dat van Saul. Voor het aangezigt des Heeren, roept hij Saul's trotsche dochter, — die hem, David beminde, maar niet Davids God, — die mij verkozen heeft voor uwen vader en voor zijn gansche huis, mij aanstellende tot eenen voorganger over het volk des Heeren, over Israël, voor het aangezigt van dien Heer, zal ik spelen. Zijn roem is mijne eer, en mij te vereenzelvigen met de dienstknechten en dienstmaagden van hunnen en mijnen God is de lust mijns harten.

Gedurende dezen feestelijken en plegtigen optogt werd Psalm vierentwintig gezongen, door David zeiven voor deze bijzondere gelegenheid vervaardigd en met muziek, hetzij door hem zeiven, hetzij door den opperzangmeester vergezeld. De gansche inhoud van dit heerlijk lied is hiervoor bij uitnemendheid geschikt en hoe meer men het onderzoekt en in zijne bijzonderheden nagaat, hoe meer men zich van zijne gepastheid overtuigt. Ik zal thans trachten dit lied, zoo als het hoogst waarschijnlijk door verschillende elkander antwoordende kooren gezongen werd, te beschrijven.

Jeruzalem, als de stad Gods, werd als een voorbeeld, een type van den hemel beschouwd. De apostel Paulus zoowel als de apostel Johanues, beschouwen het alzoo, en overal in het boek der Openbaring is deze vergelijking onmisbaar. Van daar dat ook de christelijke kerk van het Jeruzalem daarboven en van het Nieuwe Jeruzalem in hare liederen en lofzangen te regt gewag maakt. Het voorhof, het heilige en het heilige der heiligen waren de verschillende deelen van Gods verblijfplaats te midden van Zijn volk, en de ark was Zijn troon. Houdt men dat in het oog, dan kan nien zelfs bij eene oppervlakkige beschouwing, indien het ooit vergund is het woord van God oppervlakkig te beschouwen, zich van de schoonheid en gepsstheid van dit lied voor deze bijzondere dienst overtuigen.

De opperzangmeester, die welligt bij deze gelegenheid de koning zelf was, begon het heilige lied te zingen in deze verhevene woorden:

De aarde is des Heeren, mitsgaders hare volheid , De wereld en zij die daarin wonen.

Want Hij heeft op de zeeën haar gegrond En op de rivieren heeft Hij ze gevestigd.

Een koor vatte deze woorden op en zong dezelfde woorden, die welligt door den koning als eene soort van recitatief werden gezongen, in meer uitgewerkte wijze en volmaakte harmonie. Daarna vielen de instrumenten en het gansche volk in, zoodat de lofzangen uit den mond van honderdduizenden ten hemel rezen. Men mag veilig onderstellen, dat het gansche volk, of althans een zeer groot gedeelte, daaraan deel nam, en meer bijzonder voor het zingen van liederen tot Gods eer werd onderwezen en voorbereid. Immers wij lezen uitdrukkelijk: »Alzoo bragt gansch Israël de ark des verbonds des Heeren op, met gejuich en met geluid der bazuin, en met trompetten, en met cimbalen, makende geluid met luiten en met harpen." (1 Kronijken 15: 28).

Wij mogen nu verder onderstellen, dat de kooren in twee deelen gesplitst werden, elk deel zingende op zijne beurt, en dan wederom zich tot gemeenschappelijk gezang vereenigende.

Want Hij heeft op de zeeën haar gegrond,

En op de rivieren heeft Hij ze gevestigd.

Dit gedeelte van het lied en van de muziek duurde waarschijnlijk, — want wij kunnen natuurlijk niet met beslistheid spreken — totdat de gansche optogt den voet van Zion genaderd was, of althans in het gezigt daarvan kwam, wat nagenoeg hetzelfde is, naardien de ligging van den berg Zion van dien aard is, dat men er zeer digt bij komen moet om hem duidelijk te zien. Dan kwam de koning wederom op den voorgiond en reciteerde op plegtigen toon deze woorden:

Wie zal klimmen op den berg des Heeren, En wie zal staan in de plaats Zijner heiligheid?

waarop het eerste koor antwoordde:

„Die rein vau handen en zuiver van hart is, En niet opheft tot ijdelheid zijne ziol en niet zweert bedriegelijk. En daarna het tweede koor:

„Hij zal ontvangen zegen van den Heeke , En geregtigbeid van den God zijns heils.

Beide kooren vereenigd zongen alsdan: „Dat is het geslacht dergenen, die naar Hem

vragen,

Die naar Uw aangezigt zoeken, o Jakob, Selah!" Dit gedeelte van het lied werd gezongen en met muziek door alle instrumenten herhaald, totdat zij de poort der stad bereikten.

Zoodra dit geschied was, reciteerde de koning wederom deze verhevene en onovertreffelijk heerlijke woorden:

„Heft gij poorten uwe hoofden op,

En verheft u, gij eeuwige deuren!

Opdat inga de Koning der eere."

Zij die hij dezen plegtigen optogt het oppertoezigt over de poorten der stad hebben, verheffen hunne stemmen en vragen alsdan :

Wie is de Koning der eere?"

waarop het eerste koor antwoordde:

„Jehovah sterk en geweldig,

Jehovah, geweldig in den strijd."

Alle instrumenten vallen in, en herhalen dit gedeelte van het lied totdat allen tot het voorhof van den tabernakel zijn genaderd. En nog eens begint de koning.

Heft gij, poorten uwe hoofden op,

En verheft u, gij eeuwige deuren!

Opdat inga de Koning der eere."

En wederom wordt de vraag herhaald :

„Wie is die Koning der eere?"

En beide kooren en alle instrumenten en liet gansche volk in tien duizendstemmig koor jubelen des Heeren lof, zingende

„De Heere der heirscharen , Hij is de Koning

der eere, Selah" 1

Voorzeker, nooit werd een heerlijker lied tot Gods eer vervaardigd, en nooit vereenigde zich een vorst en een volk met zijn priesters en leidslieden tot edeler werk, zingende des Heeren lof en juichende tot Jehova's eer. Voorwaar zij verblijdden zich allen te zamen in 's Heeren naam, en in waarheid de blijdschap Gods was de sterkte hunner zielen. Er is iets zoo grootsch en koninklijks in deze feesten, dat men slechts met een glimlach nederzien kan op de pogingen der wereld en die der Roomsche kerk om groote feesten te vieren. Want wat zijn de muziekfeesten, ook de. meest bezochte, vergeleken bij den luister die het opbrengen der ark vergezelde! Wanneer God feesten bereidt, dan zijn zij Hem waardig, en al wat Hij doet, is naar den aard van den Koning der eere. Nogtans is de ark slechts eene schaduw en Zion eene type van het Jeruzalem daarboven; wij gelooven daarom, dat men, mits men eerst volkomen regt laat wedervaren aan de historie, volkomen geregtigd is, om dezen Psalm op de hemelvaart van Christus, den grooten Zoon en goddelijken Heer van David toe te passen. In Hem woonde God immers ligchamelijk en werd het wonder van den verzoendeksel, waarop de Cherubim gedurig aanbiddende zagen, eene wezenlijkheid ; en toen Hij als overwinnaar van zonde en satan en dood wederkeerde,

en gezeten was ter regterfiand der Majesteit, toen zongen alle heilige engelen en alle heiligen Gods in de hemelen:

„Heft uwe hoofden op, gij poorten! (des hemels) en zoo er nog gevraagd werd :

„Wie is hij, deze Koning der eere? Dan juichten allen en jubelden :

„De Heere der heirscharen, Jezus van Nazareth,

De IConing van Israël, die is de Koning der eere !"

En gij moogt even veilig dezen Psalm en deze zielverheffende vragen en antwoorden in regtstreeksche toepassing brengen op uw eigen hart. Gij moogt het doen te allen tijde en meer bepaaldelijk bij het begin van een nieuw jaar. Want al wat de psalmist van de poorten zegt, die hunne hoofden moesten verheffen tot verheerlijking van den Koning der eere, wordt eerst dan wezenlijkheid wanneer het in onmiddelijke aanraking met ons hart wordt gebragt. Wat deze poorten vermaand werden te doen, en wat zij zoo zij met rede begaafd waren geweest, hadden gedaan, dat kunnen en moeten onze harten doen, wanneer des Heeren bevel tot ons komt.

Deze onze harten zijn van nature onder de heerschappij van een anderen vorst, dien men niettegenstaande alle pracht en glans, die hem schijnbaar omringt, den koning der schande zou kunnen noemen. Want niet alleen zal hij, om wiens werken te verstoren de Koning der eere in deze wereld kwam, met eeuwige schande bedekt worden, maar ook zij, die zich aan zijne leiding overgeven, of juister gezegd, die aan zijne ketenen geboeid zijn, brengen vruchten voort, waarover zij zich schamen,en eindigen met zijne bezoldiging der zonde. Gelukzalig daarom de ziel, die de roepstem van den Koning der eere heeft vernomen, die naar Zijne woorden luistert, Hem gehoorzaamt en tot hen behoort, die de zalige klanken des Evangelies hooren, en tot het volk gerekend wordt, dat gewillig gemaakt is op den dag Zijner heirkracht om Hem te dienen in het sieraad der heiligheid.

Hem te loven, te aanbidden, te verheerlijken, Zijne toekomst te verbeiden, en om de voleindiging Zijner heerschappij biddende, daarnaar reikhalzend uit te zien, is de lust van Zijn volk in alle eeuwen en geslachten; en wanneer Hij komt op de wolken des hemels, dan zal meer dan ooit te voren de lofzang op alle tongen en in alle talen, van ge-

zegenden, geheiligden engezaligden, van regtvaardigen, van engelen en aartsengelen zijn:

„Wie is de Koning der eere ?

De Heere, sterk en geweldig,

De Heere, geweldig in den strijd,

Jehovah Zebaoih is de Koning der eere."

c. s.

lïe schare van 144,000.

. Dij de verschijning dezer schare op den berg Sion wordt de heerlijkste der stemmen gehoord, die tot dusver in den hemel weergalmden. //En ik hoorde (zegt Opeiib. 14 v. 2 en 3) eene stem uit den hemel, als eene stem veler wateren, en aJs eene stem van eenen grooten donderslag. En ik hoorde eene stem van citerspelers , spelende op hunne citers. En zij zongen als een nieuw gezang voor den troon en voor de vier dieren en de ouderlingen, en niemand kon dat gezang leeren, dan de 144,000", die van de aarde gekocht waren.

Blijkbaar wordt hier de hemel, de plaats waar bods troon is, overgesteld tegen den berg Sion, de plaats waar het Lam is met de 144,000. L it, niet in den hemel hoort Johannes de stem, terwijl het Lam zich niet meer bevindt in het midden van den troon, omringd door de dieren en ouderlingen, maar op den berg Sion, bij de zijnen. Alzoo worden duidelijk de hemel en Sion onderscheiden, als verschillende plaatsen, waarvan de bewoners echter in gemeenschap met elkander zijn en innig aan elkander deelnemen. De hemel, de plaats in den hoogen, bevat de triomferende gemeente, het hemelsche Jeruzalem; de strijdende gemeente daarentegen behoort tot het Jeruzalem dat beneden is. Deze laatste is gereed tot den strijd, terwijl de eerste triomf- en lofliederen zingt.

De vermelding der citerspelers verdient mede onze. aandacht. Tot dusver was wel van citers sprake," doch zij werden niet gebruikt; wij zagen slechts de oudsten rondom den troon van citers voorzien, nevens de gouden fiolen vol reukwerks (Openb. 5 v. 8). Van het reukwerk, zijnde de gebeden der heiligen, werd gebruik gemaakt bij het openen van het zevende zegel, en daarop volgden stemmen, donderslagen, bliksemen en aardbeving. Het citerspel liet zich echter nog niet hooren; integendeel werd van eenen grooten strijd op aarde vernomen , waaruit eindelijk het rijk van het Beest en de verzameling van het volk Gods zich ontwikkelden.

Eindelijk echter, nadat het Lam met zijne honderd vier en veertig duizend op den berg Sion verschijnt, wordt de heerlijke stem als van vele wateren en als een sterken donderslag vernomen, begeleid met het liefelijk geluid van citers, eene stem alzoo van grooten omvang en kracht en in den toon der overwinning.

Gelijk het reukwerk der gebeden gebruikt werd tot inleiding van den strijd, zoo de citers tot het vieren der overwinning,

Het volk, hetwelk door de verzegeling eene bijzondere roeping had ontvangen, heeft het doel waartoe het bestemd was bereikt, en is bereid tot den laatsten kamp, die tot de eeuwige overwinning leidt.

Daarmede is de tijd gekomen tot het gebruik der citers, die de oudsten zoolang gereed hebben gehouden. Het is echter ondenkbaar, dat onder het geluid eener muziek zoo sterk als het gedruisch van vele wateren en als een donderslag, onderscheidenlijk zou kunnen gehoord worden het geluid van slechts 24 citers, zoodat hier als van zeiven spreekt, dat de 24 oudsten de toongevers zijn van eene menigte citerspelers , vermoedelijk te vinden onder de groote schare, die na de verzegeling wordt voorgesteld als des Heeren lof zingende in Openbaring 7 v. 9 en 10.

Thans, nu het door de verzegeling begonnen werk voleindigd voor hare oogen staat, een in waarheid rein en onstrafielijk volk den top van Sion's berg bereikt heeft en gereed is om het beloofde Gods werk te voltooijen, — n.i heft deze schare haren lofzang als op nieuw aan, begeleid door heerlijk citerspel.

Maar de triomferende en strijdende gemeenten worden hier niet alleen onderscheiden, ook het verkeer wordt aangegeven, dat tusschen hen plaats vindt. «En zij zongen," staat er vs. 3, »als een nieuw gezang voor den troon en voor de vier dieren en de ouderlingen, en niemand kon dat gezang leeren dan de 144,000, die van de aarde gekocht waren."

Niet zonder ons komen zij, die ons zijn voorgegaan, tot volmaaktheid (Hebreën 11 v. 40). Er is een naauw verband tusschen de overwinnaars boven en de strijders beneden. Die daar boven krijgen telkens helderder inzigt in het werk Gods, naarmate het zich op aarde openbaart, en zij spreken dat uit in een als nieuw loflied, een lied dat echter ook oud is.

De strijdende gemeente , het volk der 144,000 hoort niet alleen het lied, maar kan het ook leeren, en zij zijn do eenigen die daartoe bekwaam zijn gemaakt.

Men kan zich van deze verhouding tusschen de hoogerc en lagere gemeente, dunkt mij, geen

beter denkbeeld vormen, dan zich b. v. voor te stellen, hoe een heerlijk gevormd kind, aan de volwassenen veel leert van de werken Gods, van de volmaaktheid des Scheppers, terwijl het'kind dit wederom leert verstaan van de volwassenen. Aan het volk der 144,000 is het doel bereikt; zij verwezenlijken het werk van Christus in de verlosten in zijnen geheelen omvang; dat werk draagt in hen de volrijpe vrucht. Voor de eerste maal is op aarde een volk van dienstknechten Gods voorhanden , 't welk volwassen is in Christus, en daarom in staat is om een nieuw lied te leeren, dat is; een lied der volmaakte vernieuwing-

Nogtans wijl er staat» als een nieuw gezang," is het mogelijk en zelfs waarschijnlijk, dat hier nog slechts van eene betrekkelijke volmaaktheid, eene betrekkelijke vernieuwing sprake is. Zelfs de hemelen zijn niet gelijk in volkomenheid; Paulus spreekt van den derden hemel, en geeft daarmede gewis te kennen, dat er een eerste en tweede in volmaaktheid onderscheiden hemel is. Zoo geeft ook de vatbaarheid om een nieuw gezang te leeren, hetwelk niemand anders op aarde leeren kan , slechts te kennen eene volmaaktheid, eene vernieuwing, waartoe de andere menschen op aarde niet gekomen zijn.

De woorden als een nieuw lied geven blijkbaar ook te kennen, dat het geen bepaald onbekend, doch slechts door de omstandigheden of door in onbruik geraakt te zijn, als nieuw voorkomend lied is. Zij die van de aarde gekocht zijn, kunnen het leeren; de overigen niet. Geloovigen kunnen dit verstaan. Immers alleen zij, die verlost zijn, begrijpen de leer der regtvaardiging, om niet, uit genade, door het bloed des Lams. Onbekeerde menschen vatten dat niet; t is hun eene dwaasheid, en zij kunnen dit niet leeren verstaan met het hart.

De inhoud van het lied wordt overigens niet medegedeeld. Voorzeker zal in die dagen van afval, van een totaal mistrouwen in het Chrisfcandom , oen lied der volkomene verlossing door het Lam, voor de wereld geheel onverstaanbaar zijn. De volken der aarde zijn nog niet eens zoo ver, dat zij het lied van Mozes, Deut. 5: 32, dat op uitdrukkelijkcn last des Heeren tot eene getuigenis aan Israël geleerd is, gelooven en verstaan. Hoe zouden ze een lied kunnen leeren , waarvan het Lam de hoofdinhoud uitmaakt. En helaas! onder belijders des Heeren zijn er nog velen, die slechts enkele regelen van de psalmen van David kunnen medezingen als ware uitdrukking van hun leven!

Nogtans deze 144,000 van de aarde gekocht zijn menschen van gelijke bewegingen als wij. Is van< hen niets te leeren op het gebied der gewijde muziek? Hoe vele Nederlandsche muziekbeoefenaars zullen eenmaal beschaamd staan, als het blijkt, dat zij niets verstaan van dit loflied, schoon ze hun gansche leven hun talet geoefend hebben. Salomo was een groot mai. ook op dit gebied, maar meer dan Salomo hier.

In de Heraut van 9 Aug. 1867 heb ik een weinig over de citers der oudsten voor den troon gezegd, en een toon van smart aangeslagen over het diep verval, waartoe wij geraakt zijn, door niet op elk gebied des levens neder te vallen voor het Lam, dat in het midden van den troon is als geslagt! Wat kon ons volk veredeld worden door Christelijk gezang.

Onlangs zong een blind organist van Ermelo, naar eene door hem gemaakte schoone wijs, het lied van den blinde van Ds. de Liefde, op de nieuwe Markt voor eene schare van ±1500 menschen, en ik sprak daarna een toepasselijk woord, ziende den hartverhefienden indruk, dien dat lied op het volk maakte, 't Was eene aandoenlijke ure, en niemand scheen zich aan deze hulde van het Lam Gods te stooten.

Mogt de Nederlandsche Koraalver eeniging, die helaas! meent in hare liederen den Christus Gods te mogen verloochenen , hieruit leeren, dat het volk die verloochening geenszins verlangt. Integendeel door het godsdienstig gevoel van allen, ook van Deisten, te willen bevredigen, zoo als die vereeniging wil, bevredigt men niemand en is men bepaald anti-nationaal. De vereeniging zal dan ook door 't volk genoemd worden : de nietrNederlandsche koraalvereeniging.

Zou Ds. R. Beunink Janssonius, die volgens Ds. van Rhijn (in de Vereeniging Christelijke stemmen voor Augustus) een meesterschap op het gebied van het godsdienstig gezang heeft verkregen,inderdaad meenen, dat door het ignoreren van het Lam geslagt, in de liederen der koraalvereeniging, eenige kans bestaat om eenmaal te komen .tot het verstaan van het nieuw gezang der 144,000 ?

Mij dunkt dit is onmogelijk. In al deze dingen is eene onbeslistheid, eene halfheid, voor opregte gemoederen ondragelijk.

Is Jezus Christus waarlijk God geopenbaard in het vleesch, in de wereld gekomen, om arme verlorene menschen te verlossen van zonde, dood en hel, van al de ellenden, waarvan de menschelijke geschiedenis sedert den val van Adam vol is. Is Hij waarlijk het eeuwige leven, de volheid van al wat het menschelijk hart behoeft, en de stoutste menschelijkc verbeelding zich op het gebied van wijsheid, schoonheid, kracht, heerlijkheid, vrede en zaligheid kan voorstel-

Sluiten