is toegevoegd aan uw favorieten.

De heraut van de gereformeerde kerken in Nederland, 1910, no 1696, 03-07-1910

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

karakter, met zijn opleiding, met zijn levenshis-j verarmen aan onze ziel, omdat onze kennisse

.. 1.4 /> 3 1 L f &n »>iaf «ArtMIlt

torie; en van dien geestelijken gang nu zegi ae Spreukendichter, dat wie er van verre op ziet, een glansrijken streep door het leven ontwaart, een streep die steeds al verder gaat, en onder dit verder gaan gestaag in glans wint. Ja, zóó aldoor lichtend, dat het in het eind de volle middagglans wordt, of gelijk er staat „lichtende tot den vollen dag toe".

Natuurlijk kan dit niet bedoeld zijn van den ■wcr der geboden. Die toch is voor allen gelijk

en schittert steeds in volle klaarheid.! Sprake is hier veeleer van iemand die uit de duisternis komt, die uit de duisternis in de schemering overgaat, uit die schemering in het licht treedt,

en nu den glans van het licht, dat hem bestraalt, steeds klaarder ziet lichten. Gedoeld wordt alzoo op een kind van God, dat van zijn jeugd aan tot aan zijn volwassen leeftijd, en van zijn volwassen leeftijd tot aan zijn ouderdom, ja van zijn ouderdom tot aan zijn sterven, het licht van Gods genade steeds helderder in zijn hart voelt stralen.

Het is hier geen spreken uit eigen ervaring. Dat doet de Psalmist, niet de Spreukendichter. De man die Spreuken dicht, beschouwt het leven. Zoo ook hier. Hij ziet als in de verte de goddeloozen en de rechtvaardigen wandelen, en nu merkt hij op, hoe het, waar de goddeloozen wandelen, al duisternis en donkerheid is (sie vs. 19), maar hoe het pad waarlangs de rechtvaardige zich voortbeweegt, een lichtstreep vormt, en dat, hoe verder hij met zijn oog dien lichtstreep vervolgt, het al verder gaat, en hoe verder 't gaat steeds heiier glans wordt, tot hij in 't eind een gloed in dien lichtstreep ziet als van de volle middagion.

Hij zegt niet, dat hij 't zelf zoo ervoer. Daar laat hij zich niet over uit. Hij zegt ook niet dat 't zoo zijn moet, als om ons een gebod op te leggen. Hij constateert alleen dat 't zoo is, dat hij 't zoo heeft waargenomen, dat het zich zoo aan zijn oog vertoond heeft. Als er een goddeloois was die zijn pad maakte, dan was het altoos almeer donkerheid; maar als hij een rechtvaardige zich largs zijn pad zag voortbewegen, dan was het altoos een lichtende streep die zich aan zijn oog vertoonde, en wel een lichtende streep „altoos voortgaande, en lichtende tot den vollen dag toe".

Vanzelf bezag de Spreukendichter dit alles met een geestelijk oog. In het oog der wereld toch is het vlak omgekeerd, Dan wandelt de goddelooze bij zijn kunstlicht en vuurwerk in hellen gloed, en schijnt Gods kind gedurig afgedoold in de vallei der schaduwe des doods. Bezien zooals de lieden der wereld oordeelen, glansden Cajaphas en Pilatus in het licht en was het om Golgotha al donkerheid. Saulus die Stephanus hielp 3teenigen, lichtte klaar, en op den weg naar Damaskus is niets dan duisternis over hem gekomen. Voor Nero was het leven al glorie, voor de martelaren, die hij ter dood bracht, bleef niets dan duisternis. Zoo was het toen, en nog altoos is het, zooals Asaf het in Psalm 73 bezong. Hij kon 't eerst niet zetten, zooals de goddeloozen in vrede hun dagen sleten. Er waren geen banden tot hun dood toe, en hun kracht bleef frisch. Ze waren niet „in moeite als het volk dat Jehova vreesde, en dat gedurig in benauwdheid wandelde, als hun de wateren eens vollen bekers werden uitgedrukt." Ja, 't was zoo, dat Gods volk schier in wanhoop verviel, en uitriep: „Zou God 't dan niet weteD, en zou er geen wetenschap bij den Allerhoogste zijn ?", of dat een ander klaagde: „Zie, deie zijn goddeloos, en nochtans hebben zij vrede en vermenigvuldigen hun vermogen, ik daarentegen dien God, en ik ben den ganschen dag geplaagd, en mijn bestraffing is er allen morgen!" Ja, in het eind zou Asaf zelf in dien toon zijn gaan meeklagen, tot hij zich aangreep en vermande. O-jk^ in hem kwam het op: „Heb ik dan mijn hart te vergeefs gezuiverd, en om niet mijne handen in onschuld gewasschen f' Maar neen, zoo mocht hij niet spreken, dan zou hij trouweloos zijn aan het geslacht van Gods kinderen. Hij voelt en bekent dan ook, dat toen zijn nieren hem alzoo prikkelden, zijn geest gansch onvernuftig en hij een dier gelijk was geworden. Ej nu gaat 't in den jubeltoon over: „Ik zal dan gedurig bij U zijn, Gij hebt mijn rechterhand gevat, Gij zult mij leiden door uw raad en daarna mij in heerlijkheid opnemen." Dit was de lichtstreep, die al voort en verder ging, steeds klaarder lichtend, ja, lichtend tot den vollen dag toe.

Zoo is het niet bij wie in zijn jeugd vrome, teedere aandoeningen heeft gekend en in de kennisse Gods opwies, maar sinds insliep en zijn hart liet verharden. En zoo is het ook niet bij den man, die al,een halve eeuw oud, nog evenver in de kennisse Gods is als toen hij als jongeling het leven begon. Maar zoo is het wel bij den rechtvaardige, die na afloop van elk nieuw levensjaar weer rijker oogst in zijn schuur mocht opleggen, steeds zelf rijper werd, en hoe ouder bij werd, des tc dieper in de kennisse van zijn God doordrong.

Dan gaat 't van genade tot genade. Dan is zulk een als de palmboom in Gods voorhof geplant, die zijn blad steeds hooger opheft. Dan kan het leven bang zijn, en kan bij zelfs smaad en vervolging moeten verduren. Dan kan 't hem zijn, alsof het water hem dreigt te overstroomen, en al?of hij door het vuur bedreigd wordt. Ja, dan kan 't hem zóó bang zijn, of hem de adem in de keel dreigt te stikken, dat alle uitweg hem schijnt afgesneden en banden der hel hem schijnen te omstrikken. Maar juist die bangheden brengen hem aan zijn God nader. Hoemeer gewicht er aan de klok wordt gehangen, hoe zuiverder de klank van den slag is. Pressa uberior, hoemeer gewicht er aan den palmboom wordt gehangen, hoe weelderiger hij in zijn looi uitgroeit. Juist als de wolken zich donkerder samen pakken, begint het geestelijk licht klaarder tt glanzen. Dan weet de wereld niet anders, of zulk een kiad van God zit diep in duisternis bevangen, maar juist in die donkerheid straalt het Goddelijk licht met steeds winnende klaarheid. En als weer de angst doorstaan, en de nood doorworsteld, en de bangheid geleden i3, zou hij voor niets willen dat die bitterheden hem gespaard waren. Veeleer dankt hij dan zijn God, dat het water hem tot aan de lippen kwam, en jubelt hij in de geestelijke winst die dit lijden hem bracht. Het was dan donkerheid van buiten, maar licht van binnen, en in den glans van het Goddelijk licht dat hem inwendig bestraalde, voelt hij zich als een kind dat juist onder de kastijding van zijn Vader innerlijk geheiligd is.

Dit ligt dan daarin, dat hij in de kennisse van zijn God vorderen mocht. Ook in voorspoed en vreugde kan men zqn God aanbidden, eeren en dienen, maar voorspoed en vreugde trekken ons zoo licht van God af, dat we dan nog wel belijden en met Gods volk loopen, maar dat we toch

van onzen God bleef die ze was, en met vooruit kwam. Om dat hoozer licht op te vangen, moet

de ziel de gemeenschap met zijn God vinden, nader bij zijn God komen, en voelen dat God ons nader komt; en het is eerst in dit innig samenleven met onzen God, dat de kennisse van onzen God voor ons begint op te glanzen. En dit nu bereikt de ziel veel meer, zoo ze hard gedrukt wordt, dan zoo ze voorspoed indrinkt met volle teugen.

Zeker, Gods Woord is ons een lamp voor onzen voet; met Gods bestuur, Gods raad tej rekenen zet ons vaster; maar zoo 't daarbij blijft, is het alles nog niet het ontmoeten van den levenden God zelf; ontbeert ge nog den persoonlijken omgang met den Heilige; komt ge als kind nog niet met uw Vader zelf in aanraking; en kunt ge daarom niet diï diepere kennisse van uw God erlangen, die alleen in zijn gestadige gemeenschap te leeren is.

Heeft uw God u nu lief, dan ziet en weet Hij het, hoe ge te midden van de vreugde der wereld van Hem zult blijven afdolen, en dan trekt Hij u met de koorden der liefde naar Zich toe, en die koorden doen u pijn. Maar die pijn moet doorstaan en moet doorworsteld, anders weet uw Vader dat ge nooit naar Hem toekomt. En als dan onder de benauwdheid en te midden van die pijn, Zijn toenadering door u gevoeld en gesmaakt wordt, en de volzalige indruk van zijn gemeenschap door u in uw hart wordt ervaren,dan lacht ge van heilige vreugde, al vloeien de tranen om uw leed u uit de oogen, en weet ge een geliefd kind «ran uw God te zijn, zooals ge dit voorheen nooit waart geweest.

En dit is het licht. Dan was het u eerst, als ge aan de wereld dacht, alles glans, maar als ge aan uw God en aan de eeuwigheid dacht, alles donker. Maar nu is dit vlak omgekeerd. Naar den kant der wereld een onbegrensde donkerheid, maar als ge aan uw God en aan de eeuwigheid denkt, alles één klaar lichten als bij vollen zonneglans. En genaakt u daa weer leed en smart, dan beeft en dan siddert ge niet meer, maar verstaat ge dat uw God u tot nog klaarder licht brengen wil. Moedig en onversaagd

eaat ee dan die nieuwe benauwdheden tegen

En klimt dan nogmaals het water van den stroom

van uw liiden. zoodat het u aan de borst, u aan

de keel, jt tot aan de lippen komt, dan weet ge vooruit, dat dit water toch weer dalen, toch

weer atdriiven zal, en dat net eina zat zijn nieuwe

glorie en een nog rijker kennisse van uw God.

gekozen onderwerp belooft veel en heeft zeker de verdienste, dat het niet te veel boven de bevatting der hoorders zal gaan.

Van een goede opkomst zijn we bij deze jaarvergadering zeker. Rotterdam stelde ons nog nooit teleur. Zelfs toen we, dertien I jaar geleden, te Rotterdam saamkwamen onder den indruk van den verloren electoralen veldslag en van de moeilijke crisis, die de Vrije Universiteit pas doorworsteld had, was er toch geestdrift, saambinding der harten, een worstelen tegen den stroom op. Hoeveel te meer zal er nu verheffing des harten tot God wezen, nu pas de provinciale stembus zoo schitterende victorie ons bracht ea we in het teeken dier overwinning saamkomen, Gode dankende voor wat Hij ook in onze Calvinistische Hoogeschool ons schonk voor ons land en volk, om de Christelijke grondslagen van ons nationaal leven te handhaven en te bevestigen.

PRO RECE

DOOR

X>r. A. KUYPER.

Van. verschillende zijden verzocht men ons, den termijn van inteekening op de premie-exemplaren in boekformaat van deze artikelenreeks, te verlengen. Wij besloten daarom de gelegenheid tot inteekening te blijven openstellen tot 15 Juli 1910. Ook vroeg men een inteekenbiljet, aan welk verzoek wij eveneens thans voldoen.

De voorwaarden van inteekening werden in vorige nummers van dit

jJB vuuiw^mcu Qnen dgr

blad uitvoerig medegedeeld. Wij

herinneren slechts, dat elkabonnent voor zichzelf en desverlangd ook voor twee van zijn eventueele medelezers, voor elk 1 ex. van het pre-

miewerk kan bestellen tegen den

De Kerkeraad der Hervormde gemeente

te Rotterdam heeft op voorstel van Ds. G

H. Wagenaar een adres gericht tot de gemeenteleden, waarin naar af.nleiding van de Borromaeus-encycliek de gemeenteleden

worden opgewekt om, bij wqze van protest

tegen dit pauselijk schnjven, op politiek gebied niet langer met de Roomschen saam te werken of hen te steunen, m. a. w. om de coalitie te verbreken. En de antipapistische predikant van Doorn acht dit manifest zoo fraai, dat hij het wil toezenden aan alle ciassïcaie vergaderingen om er haar instemming mee te laten betuigen. Straks krijgen we misschien een contra-encycliek van de Hervormde Synode, die aan alle leden der Hervormde Kerk aanraadt op geen Roomschen candidaat te stemmen, omdat de Paus de Hervorming gesmaad heeft. Een klein da capo van den Aprilstorm van 1853.

Of het wenschelijk is, dat Kerkeraden zoo optreden als geestelijke adviseurs in politieke zaken, mag betwijfeld worden. Tot dusverre oordeelde men in protestantsche kringen, dat de Kerk als zoodanig zich buiten de politiek moest houden. Zelfs veroordeelde men het rechtstreeksch ingrijpen in de politiek als clericalisme, als een roomsch beginsel. Een pastoor kondigde van den preekstoel af op welken candidaat zijn gemeenteleden stemmen moesten, een protestantsche kerkeraad deed dit niet.

Het is daarom wel een tegenstrijdigheid, dat een Kerkeraad, die het zoo warm opneemt voor de Hervormers tegen Rome, een weg bewandelt, die feitelijk naar Rome toeleidt. Een verschijnsel, dat in deze kringen niet op zichzelf staat. Het „Kerkisme" krijgt hier steeds meer de overhand, Ea kerkisme is in den grond een roomsche idee.

Zoo is er dan wel een opkomen voor de personen der Hervormers, maar dat tegelijk gepaard gaat met een verloochening hunner beginselen. Wel een zekere felheid tegen den Paus van Rome, maar tegelijk een practisch huldigen van de roomsche beginselen.

Politiek of Kerkelijk.?

II

Het feit van de doodstraf staat, zoo toon-

halven prijs, dus tegen f 7.50 per

ex. De betaling geschiedt door den abonnent in zes termijnen van ƒ1.25 per ex. Desgewenscht is de Administratie van „De Heraut" bereid te beschikken over het verschuldigd bedrag, verhoogd met 6 cents voor dispositie-kosten.

Telkens na 2 kwartalen wordt den inteekenaren één deel van het premiewerk franco toegezonden. Alleen de abonnenten in Ned.-Indië of in het buitenland zullen per deel f 0.50 voor verzendingskosten moeten vergoeden.

Van de abonnenten die voor zich of ook voor hunne mede-lezers van deze aanbieding wenschen gebruik te maken, wachten wij dus gaarne onverwijld, per keerende post, toezending van het aan dit no. gehechte inteekenbiljet, ingevuld en onderteekend.

De Administratie van „De Heraut".

Amsterdam, Juli 1910.

Amsterdam, 1 Juli 1910.

Ds dertigste jaarvergadering van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag zal 7 Juli ïe Rotterdam worden gehouden.

Des avonds te voren vindt een bidstond plaats in de Nieuwe Westerkerk. waarin als voorganger zal optreden Dr. B. Wielenga van Arnhem. Van hem, die ais redenaar zoo goeden naam heeft en het hart van ons volk won door zijn kostelijke verklaring onzer liturgische geschriften, mag een bezield woord worden verwacht, dat opwekt tot liefde voor onze Hoogeschool en tot gebed voor haar bloei.

De jaarvergadering, die Donderdagmorgen te 10 ure aanvangt en waarbij Ds. van Schelven praesideeren zal, wordt gehouden in het gebouw der Societeit de Harmonie. Niet het minst belangrijke punt op het agendum is wel het onderwerp, dat Prof. Bavinck zal inleiden en dat, onder den titel uitbreiding aangekondigd, een verrassing belooft te worden.

Ia de openbare meeting, die des middags te 2 ure zal aanvangen, zal het debat worden ingeleid door Prof. Dr. R. H. Woltjer, die spreken zal over Het Woord Gods en het woord der menschen. Met belangstelling zien we de rede van dezen jeugdigen hoogleeraar tegemoet, die voor 't eerst in onze openbare saamkomsten zal optreden, om de beginselen onzer Hoogeschool te verdedigen. Het door hem

I

den we aan, niet op zich zelf. Toegegeven

dat de Overheid, door de doodstraf niet

meer toe te passen, in het burgerlijk straf¬

recht aan den stelligen eisch van Gods Woord te kort doet, dan is het nog de

vraag, of de Kerk geroepen en bevoegd is

de Overheid deswege te vermanen. Immers,

aaan onze Kerken eenmaal dien weg op.

dan dient de lijn ook consequent doorgetrokken en moeten de Kerken op elk punt, waar de wetgeving van de beginselen van

Gods Woord afwijkt, de Overheid deswege te recht wiizen. Zelfs heeft de Kerk deze

roeping dan te vervullen niet alleen tegen

over de Overheid, maar tegenover eiken kring in het maatschappelijk leven, die een

eiffen eezae en eigen regelingen bezit. En

de Kerk. die als verkondigster en hand

haafster van de ordinantiën Gods optreedt, moet dit dan natuurlijk niet doen bij wijze

van smeekbede of verzoekschrift, maar ze moet dan met geestelijk gezag en autoriteit optreden zóó, dat ze voor dien eisch van het Woord Gods ook gehoorzaamheid vergen kan.

Metterdaad is de roeping der Kerk zoo breed opgevat in de Middeleeuwen. In de bekende leer van de twee zwaarden vindt ze haar meest praegnante uitdrukking. Het jus canonicum, door de Roomsche Kerk vastgesteld, poogt dan ook niet alleen voor het kerkelijk leven, maar evenzeer voor het burgerlijk leven de rechtsbeginselen van Gods Woord te handhaven. En nog stelt de Roomsche Kerk bij elke vereeniging „geestelijke adviseurs" aan, die toezicht hebben te houden, dat niets geschiedt tegen de ordinantiën Gods, gelijk de Kerk van Rome deze verstaat. Zoo heeft de Roomsche Kerk dit beginsel consequent doorgevoerd en kan daarom haar voorbeeld ook wel het duidelijkst toonen, waartoe deze opvatting van de taak der Kerk noodwendig leiden moet.

Tegen deze overschatting van de roeping der Kerk is het Protestantisme en zrjn met name de Gereformeerde Kerken terecht opgekomen. Dit geschiedde niet, omdat men ontkende, dat het Woord Gods beginselen bevatte voor elk terrein des levens, ook van bet burgerlijk ieven; in dit opzicht was men het geheel met de Kerk van Rome eens, en met name Calvijn heeft èn in zrjn Institutie èn in zijn Commentaren telkens er op gewezen, wat uit het Woord Gods voortvloeide ook voor de taak der Overheid. En evenmin geschiedde dit, omdat men ontkende, dat de Overheid of wie ook aan deze oidinantiën Gods geen gehoor¬

zaamheid schuldig zou wezen, want zeker heeft niemand beslister dan Calvijn ge¬

handhaafd, dat elk gezag, omdat het aan

God ontleend was, ook gebonden was aan het Woord Gods. Maar wel handhaafde

men, dat Kerk en Overheid ieder haar eigen roeping van God ontvangen had, en

dat evenmin als de Overheid aan de Kerk had voor te schrijven, wat uit Gods Woord

voortvloeide voor het kerkelijk leven, zoo ook de Kerk niet aan de Overheid had

voor te schrijven, wat uit Gods Woord

voortvloeide voor het politieke leven. De

Kerk had alleen met het kerkelijke leven zich te bemoeien en niet met het politieke terrein, dat tot de taak der Overheid behoorde. Een beginsel dat in Art. XXX onzer Kerkenorde zoo beslist en kras mogelijk is uitgesproken: in kerkelijke saamkomsten zullen geen andere dan kerkelijke zaken verhandeld worden. Al wat dus niet tot de kerkelijke zaken behoort, hoort in onze kerkelijke vergaderingen dus niet thuis.

Natuurlijk wil dit niet zeggen, dat de kerkelijke vergaderingen zich daarom nooit tot de Overheid zouden mogen wenden met verzoekschriften, die ook de politieke wetgeving raken. Oiszs Kerken hebben dit meermalen gedaan, en zoowel op onze Generale als op onze particuliere Synodes zijn telkens zulke verzoekschriften aan de Over¬

heid gericht. Maar deze verzoekschriften raakten alleen zulke punten in de politieke

wetgeving of het staatkundig beieid.die recht¬

streeks of zijdelings met het kerkelijk leven of

de religie in verband stonden en daarom ook onder de „kerkelijke zaken" konden gerangschikt worden. Met zekeren nadruk werd

daarom bij elk dezer verzoekschriften er op

gewezen, waarom hetgeen men van de

Overheid vroeg, voor de Kerk cf de religie

van belang was. Men meed met zorgvul¬

digheid den schijn, alsof de Kerk als zoo

danig de Overheid iets zou willen voor

schrijven of verzoeken, wat tot het eigenlijke

politieke terrein behoorde, en daarom buiten

de competentie der Kerken viel. tr was,

indien men zoo wil, een gemengd politiek

kerkelijk terrein; er waren zaken, waarbq

èn de Kerk èn de Overheid betrokken

waren; zoo met name het huwelijksrecht

de eed, de scholen, enz. Op dit gemengde

terrein trad de Kerk bq de Uverneid op

om te pleiten voor de belangen der Kerk, en ze deed dit met het volste recht. Miar nooit, althans voorzoover ons bekend is, hebben onze Kerken in een zuiver politieke qaaestie, een quaestie die de Overheid alleen raakte maar de Kerken niet, tot de Overheid verzoeken gericht.

Het bewijs hiervoor ligt in dat verzoekschrift, dat wel het meest nauwkeurig overwogen is en daarom voor de kenschetsing van het gevoelen onzer Gereformeerde Vaderen ook de meeste waarde bezit, nl. het verzoekschrift, dat op de Dordtsche

Synode in 1619 is opgesteld geworden

Dit verzoekschrift, dat in extenso in de

Postacta van Dr. H. H. Kuyper p. 261-270

staat afgedrukt, handelt vooreerst over

zulke zaken, die rechtstreeks het kerkelij

leven betreffen, zooals de goedkeuring van de besluiten der Synode, de handhaving

der Gereformeerde belijdenisschriften, de

approbatie der Kerkenorde, de totstand

koming van een nieuwe Bijbelvertaling, de

zorg voor de Zending in Indië, voor de Kerken onder het kruis, maatregelen tegen

de paapsche superstitiën en de godslaste ringen der joden, tegen de sabbathsprofa

natiën en roepende zonden, en de betere

verzorging van de predikantstractementen

onderwerpen waarvan zeker niemand zal

betwisten, dat ze rechtstrceeks tot de zorg

der Kerken behooren. Maar daarnaast werd

ook gehandeld over een goede schoolorde,

over een algemeene huwelijksordonnantie,over

de visitatie der boeken en over het eeds

formulier, die zeker niet in dien recht-

streekschen zin tot de kerkeiqke zaken

kunnen gerekend worden. Juist bij deze punten nu wijst de Dordsche Synode er telkens met nadruk op. waarom ze deze

zaken bij de Overheid aanhangig maakt, en dit motief is nooit, dat de Kerk geroepen

is aaa de Overheid uit Gods Woord zekere

voorschriften te geven of critiek uit te

oefenen op de politieke wetgeving, maar dat

het belang der Kerken bq deze punten betrok ken is. Zoo heet het bij de Schoolorde: „nade

maal uwe Hoog Mogeu ten beste bekend is

hoeveel de Kerken dezer landen daaraan gelegen is. dat de scholen zoo hooge als

triviale behoorlijk mogen besteld wezen en de ervaring geleerd heeft, wat groote onheilen bij gebreke van dien in de kerken en landen zijn ontstaan." Wederom bij het verzoek om een generale huwelijksordonnantie: „dewijl men ook dagelijks verneemt, dat de misbruiken in het stuk van het huwelijk meer en meer toenemen en over dat stuk in de kerken dezer landen vele zwarigheden dagelijksvoorvallen." Evenzoo bij de visitatie der boeken, waar het motiet wederom is: „om des te beter te weren het uitgeven van alle schadelijke en impertinente boeken, met dewelke deze landen nu ettelijke jaren herwaarts tot groote schade en onrust van de Kerk vervuld zijn." En wat het eedsformulier aangaat, vraagt de Kerk, dat de Hooge Overheid een eenparig eedsformulier vaststelle, „alzoo bevonden wordt, dat in sommige plaatsen nog gebruikt worden formulieren van eedzweren, die niet vrij zijn van pauselijke afgoderijJa, zelfs

bq het verzoek om maatregelen tegen allerlei schandelijke misbruiken, als komedie, danshuizen enz., wordt als motief hier bijgevoegd: „waardoor de menschen van de ware Godzaligheid tot de ij delheid en ongebondenheid dezer wereld afgetrokken worden".

Zoo heeft de Kerk, zelfs toen de band tusschen haar en de Overheid nog zooveel nauwer was en de Overheid publiek belijdenis deed van de Gereformeerde religie, toch de grenzen harer bevoegdheid in acht genomen. Het beginsel, dat de Kerk alken over kerkelijke zaken te handelen had,

werd gehandhaafd, ook wanneer de Ker* zich richtte tot de Overheid des lands, en

het was, aisof de Kerk, ook waar ze schqnbaar met politieke zaken zich inliet, toch zoo scherp mogelijk wilde doen uitkomen» dat ze dit alleen deed, omdat en voorzoover het

belanc der Kerk hierbij betrokken was. Hei

sterkst blijkt dit wel bij het huwelijksrecht-

Hoezeer geen enkel Gereformeerde ontkennen

zal, dat het Woord Gods hierover bepaalde uitspraken doet en de Kerk dus op grond

van Gods Woord aan de Uverheid zou kunnen voorhouden, hoe het huwelijksrecht behoorde geregeld te worden, hebben onze Kerken dit toch nimmer gedaan, omdat het huwelijk een „politieke zaak" was, waarover de Overheid te beslissen had, en alleen omdat een verkeerde wetgeving op het huwelijk voor de Kerk allerlei schadelijke gevolgen had, drong de Synode op betere regeling aan.

Past men dezen regel nu toe op het onderhavige geval van de doodstraf, da» kan toch kwalijk gezegd worden, dat hierbij rechtstreeks of zijdelings een herkelijk belang gemengd is. Men kan wel zeggen, dat de doodstraf in Gods Woord bevolen is en de

Kerk er prijs op moet stellen, dat de Over¬

heid ook in haar wetgeving Gods ordinantie handhaaft, maar op deze wijze kan meö alles wat rechtstreeks of zijdelings met Gods Woord samenhangt, tot een kerkelijkt zaak maken. In dien zin is het woord

„kerkelijke zaak" echter nooit door onze vaderen opgevat; zij verstonden daaronder alleen datgene, wat met het kerkelijk leve» of de religie zelve samenhing en uit dien

hoofde ook tot de zorg der Kerk kon gerekend worden. Van de wederinvoering der doodstraf nu kan dit niet gezegd worden* De doodstraf raakt een Goddelijke ordinantie voor het politieke leven en de zorg daarvoor moet men, gelijk Voetius het uitdrukte, „de conscientie dergenen laten bevolen zijn, die daartoe recht en macht hebben, ne falcem in alienam messam mittamus", opdat men den sikkel niet sla in eens andermans oogst.

Eenigszins mag het daarom verwondering baren, dat de kerkeiqke vergaderingen» die over dit voorstel gehandeld en zd'3 besloten hebben het naar de Generale Synode door te zenden, op Art. XX^ onzer Kerkenorde blijkbaar niet hebben gelet. Zoodra een dergelijk voorstel ter tafel kwam, had toch de praealabele quaestie wel mogen besproken worden, of men hief te doen had met een kerkelijke, dan wel met een politieke zaak. Want hoe zal de Generale Synode, gesteld dat ze dit voorstel overneemt en daarmede tot de Overheid komt, ooit aan de Overheid kunnen duidelijk maken, dat de wederinvoering der doodstraf een kerkelijke zaak is of een zaak die rechtstreeks de belangen der Kerk raaktEn nu trachte men zich hiervan niet af te maken met het argument, dat de wederinvoering der doodstraf het gevaar van moor» voer de leden der Kerk zal verminderenDe vraag is niet, of de leden der Kerk persoonlijk belang hebben bij een of anderen Overheids maatregel, maar of er een belattg der Kerk mede gemoeid is.

Dat Groen van Prinsterer, toen de Regeering een voorstel tot afschaffing der doodstraf aan de Staten-Generaal deed, het geprezen heeft, dat enkele kerkeraden der Hervormde Kerk bij de Staten-Generaal hiertegen geprotesteerd hebben, mag natuurlijk niet als bewijs worden aangehaald, da' de Kerk hiertoe van Godswege zou geroepen zrjn. Wat Groen van Prinsterer pree* en terecht prees, was, dat toen er een alge* meene inzinking was in ons volksleven e_ö schier niemand zijn stem verhief tegen di( regeeringsvoorstel, althans enkele kerkeraden getuigenis gaven tegen deze schending va" het Goddelijk recht. Maar hieruit een kerkrechtelijk beginsel af te leiden, zou even onjuist zijn ais wanneer men den doop doof vrouwen zou willen goed pleiten met ee" beroep op wat Zippora, de vrouw va" Mozes, heeft gedaan. Bij de vraag, wat de taak en roeping onzer kerkelijke vergaderingen is, heeft niet een toevallige uitlating van Groen van Prinsterer, maar heeft fae1 kerkrechtelijk beginsel, dat onze Kerke" zelf in Art XXX harer Kerkenorde hebbe" uitgesproken, te beslissen.

rekend worden. Van de wederinvoering

fèereemgtnggtóien.

„SONNEVANCK".

•* X

De liefdadigheid heeft zich den laatsten ttj® met bijzondere kracht geworpen op de bestrU' ding der tuberculose. Dat geeft inderdaad reden tot zeer groote blijdschap, want de tuberculo8 is zeker niet te sterk gequalificeerd als men ba> een geesel der menschheid noemt. De sta»8' tieken, die allerwegen gepubliceerd worden e waarmee men het publiek zelfs tot in lichtbee' denavonden toe van de vreeselijke verwoesting® onderricht, die door deze ontzettende zie» worden aangericht, zijn daar om dat te bewijs '

De lichtbeeldenavonden, zooals ze ook bate van „Sonnevanck" gehouden worden, uitstekend geschikt, de bestrijding der tube,^ culose te dienen, mits men, niet te eenzij'1* den nadruk leggende op de directe bestrijd15'®,' vooral ook doe uitkomen, — gelijk dit in voor bovengenoemde stichting georganiseer^ avonden gedaan wordt — dat naast diediref bestrijding heil moet gezocht worden in de ' j directe, in de voorkoming van al wat in jj t dagelij ksch leven de voort woekering van kwaad bevordert. ,.^e

Het i3 goed gezien, dat men van ChristeW1 zijde in afzonderlijke slagorde tegen den yij* is opgetrokken, want, geldt voor alle zie*..# verzorging en ziektebestrijding, dat het geeste J element er niet in verwaarloosd mag w0lCLp we meenen reeds eenmaal uitvoerig te beb% betoogd, dat dit vooral opgaat ten aanzien f, de tuberculose, met name wat betreft de pleging in sanatoria, waar zich, bij verW,tji> loozing van het geestelijke, een kwaad ontwikkelen, waarvoor men niet te zeer bed° kan zijn. .(>

Van „Sonnevanck" kan terecht gezegd den, wat zoo vaak van allerlei onbeduide01((

heel of half onnoodige, dingen betuigd