Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit blad wordt geregeld des-Vrijdag» aan de geabonneerden verzonden, ■"jdras-en van medewerkers, ingezonden stukken en alies wat verder den inhoud van a't blad betrpft, te adresseeren aan de REDACTIE; Abonnementen en Advertentiën aa" de ADMINISTRATIE van De Heraut, Warmoesutraat 106, Amsterdam.

Inzendingen die later dan Donderdag 'b namiddags te 12 uren worden ontvangen Kunten voor het nummer van die week niet meer in aanmerking komen.

Zondag 29 Januari 1882. N°. 214.

Abonnementsprijs: franco aan huis, per drie maanden f 1.20. Afzonderlijke nummers aan het Buret-1 10 Cent.

Abonnementen worden aangenomen door alle Boekhandelaren, Postdirecteuren, enz en aan het Bareel, Warmoesstraat 106, te Amsterdam.

Advertentiën: van 1 tot 6 regels 90 Cent; voor eiken regel meer 15 Cent. Aanvragen en vermelding van liefdegaven enVerslagen van Vereenigingen 10 Ct. per regel.

fJracticalc gevolgen.

XI.

Die zich afzondert tracht naar wat begeerlijks; hij vermengt zich in alle bestendige wijsheid. De zot heeft geeneo lust in verstandigheid. maar daarin dat tijn hart zich ontdekt. Spr 18 : i, 2

1 ractisch komt dus ten slotte de vraag lerop néér: »Hoe zal nu de kerk wallen, dat pe Heilige Schrift als Gods Woord in eere "hjve en voortga met haar schat de geroepenen des Heeren te verrijken f" En op die vraag nu is geen ander antwoord, dan dat kerk van Christus den zin der Schrift eeft vast te stellen, opdat niet moedwil en willekeur allerlei invallen en dwalende nieeningen voor Schriftwaarheid uitvente en met de vlag der Schrift dekke.

Vlak verkeerd en onnadenkend is het us> te zeggen: »Door de kerkbelijdenis te andhaven, schuift ge de Heilige Schrift °P ^en achtergrond I", want juist de kerk"jdenis is de godvruchtige-waakster,die w.afgewekene, beletten wil de Heilige Schrift te onermijnen. Wat gij poogt, wat gij bedoelt, uw particuliere denkbeelden over de chrift voor den wezenlijken inhoud en de ^nlijke bedoeling der Schrift in de plaats zetten. En dat nu moet u worden belet. aarin dient gij tegengestaan. De Schrift mag ®jet anders uitgelegd dan naar haar inner'Jk bestand en overeenkomstig haar door en Heiligen Geest gegeven inhoud. Indien A b. v. zegt: »De Schrift leert de par'culiere genade I" en B wil daar niet aan, en Poogt nu, met de vlag der Schrift, zijn valsche opinie van algemeene genade te üekken, dan moet dit niet uitgemaakt door een dUei tusschen A en B; want A en B Z1jn maar twee kortzichtige, voorbijgaande Persoontjes, die geen van beiden 'tzij genoeg taalkennis, 'tzij genoeg exegetisch talent, tzij genoegzame bevatting der waarheid hebben, om zulk een, heel den inhoud der Schrift, rakend vraagstuk persoonlijk te beslissen. En daarom is er dan een belijdenis. ~?ea belijdenis, die de geestelijke vrucht toont . dank zij den arbeid des Heiligen Geestes in de gemeente der eeuwen, van lieverlee in haar bewustzijn en in haar overtuiging gerijpt is. En zoo dikwijls er nu een revolutionaire geest opstaat, die vlak tegen deze overtuiging der eeuwen, het juist andersom belijden wil, dan treedt de kerkbelijdenis dezen overmoedigen mensch in den wegen voegt hem toe: > Neen, niet alzoo. Gij zult den zin der Schrift niet derwijs verderven 1'' Hiermee is dan natuurlijk niet in volstrekten zin uitgemaakt, dat er in de tegenspraak van dien revolutionairen denker niet Ook wel iets goeds, ook wel zeker bestanddeel van, waarheid kan schuilen. Waarom niet ? Met die pretentie trad de kerkelijke belijdenis dan ook ganschelijk niet op. Slechts zooveel beweert ze, en beweert ze jerecht. Vooreerst, dat de hoofdlijnen vast "ggen en nooit of nimmer meer verlegd kunnen worden, zoodat b. v. een ommezwaai van de particuliere naar de algemeene genade voor de kerk van Christus onmogelijk is. ■^*n ten tweede, dat deze overmoedige persoon, hij heete dan A. of B. elk recht mist om z'jn particuliere opinie op één lijn of zelfs b°ven de belijdenis te stellen, en dat niet zijn particuliere opinie, maar alleen de kerk wettig daartoe saamgekomen, de uiting van de overtuiging der Christenkerk mag wÜzigen in vorm, om ze te vaster en te Passender uitdrukking te doen worden voor naar onvergankelijken en onveranderlijken

]nhoud.

Wie tegen de belijdenis ijvert, ijvert dus v°°r eigen particulier inzicht en tegen de Heilige Schrift. Terwijl juist een iegelijk die °P de belijdenis de hand legt, daarmeê

niets anders beoogt, wil noch bedoelt, dan

de waarheid der Heilige Schrift tegenover de particuliere inzichten en revolutionaire geesten te verdedigen.

Let eens op het Schriftwoord, dat hierboven staat. Het zegt u, dat er »een bestendige wijsheid" is, d. i. een kennis, een wetenschap, een wijsheid, die niet wisselt en omgaat met den dag, maar een blijvend en bestendig karakter bezit, omdat ze uit de ervaring der eeuwen tot ons komt.

Wie nu met die bestendige wijsheid zich vermengen wil, moet zich eerst durven afzonderen van zijn omgeving en uittreden uit den waan van den dag.

Vandaar dat wie den moed heeft om zich voor zulk onderzoek af te zonderen, metterdaad zijn hand naar iets begeerlijks uitstrekt en zich met bestendige wijsheid vermengt.

Maar in deze bestendige wijsheid der eeuwen heeft nu de zot, zegt de Heilige Geest door Salomo, geen lust. Zijn lust bestaat alleen daarin, dat hij den inhoud van zijn eigen hart ontdekke of uitstalle, of wat hetzelfde is, zijn invallen en partiticuliere opiniën tegen die bestendige wijsheid der eeuwen overstelle.

Kort saamgevat, komt het dus hierop neêr. Beiderzijds wordt erkend, dat wij al onze gedachten en overleggingen gevangen hebben te geven in de gehoorzaamheid aan Gods Woord. Maar om nu te weten te komen, wat Gods Woord dan wel en wat het niel wil, zegt onze wederpartijder: »o, Dat maak ik zelf uit, naar ik het er in lees!", terwijl wij antwoorden: uNeen, niet alzoo, broeder, wat de Schrift des Heeres wil en wat ze niet wil, kan mij beter de kerk aller eeuwen zeggen, dan mijn gebrekkig inzicht, steunend op de wisselende opinie van den dag.

Toch wil de twijfelzucht het juist anders, en overmits twijfel nu ongeloof en dus zonde is, rust op de kerk van Christus de dure verplichting, om haar leden tegen dien verderflijken en verdervenden geest van den

Twijfel te wapenen en te dekken.

Wel weten we, dat de twijfel door velen heden ten dage als een engel des lichts aai? de gemeente wordt voorgesteld; en dat men telkens den »eerlijken twijfelaar" hemelhoog kan hooren verheffen, boven dien »napratenden geloovige", die in den grond weinig beter dan een schijnheilige en huichelaar is; maar we gaan voor dien geestelijken wansmaak allerminst uit den weg.

Zoo heeft de school van Dumas en Sue het ook wel aangedurfd, om een »interessante cocotte", zelfs zedelijk zeer verre te stellen boven de huisbakken, kleingeestige, maar kuische vrouw. Om van te walgen! En toch, precies diezelfde walgelij kheid spreekt er nu uit, als predikers het zelfs op den kansel aandurven , om de zonde van den Twijfel interessant voor te stellen, en het »onbewust" geloof te verachten.

» Gehoorzaamheid" is zulk een schitterende zedelijke kracht; zich te onderwerpen aan de waarheid, en stille te zijn, is zoo goddelijk heroiek en groot!

Al dat zelf iets willen zijn en dat pochen op zijn nietsbeduidende geleerdheid, staat zedel'jk zoo laag en is zoo ontbloot van alle geestelijke waardij.

Jezus was er verrukt over, als hij van die eenvoudige geloovige, stil aannemende lieden ontmoette, en walgde van die geleerde ingebeelde dwazen. Hij kon er zijn God voor danken, toen hij sprak: >Ik dank U, Heere der hemelen en der aarde, dat Gij deze dingen voor de wijzen en ver-

standigen verborgen hebt, en hebt ze den kinderkens geopenbaard. Ja, Vader, want alzoo is het welbehagen voor U!"

o, Zulk een »kind" op den kansel, geeft zulk een heerlijke bediening des Woords. Die predikt vraagt onderwerping, nu dan

dat hij zelf eerst zich voor Gods Woord buige, en afblijve van de gemeente met zijn opgesmukte critiekgeleerdheid die tot niets nut.

Een dienaar des Woords, die zich als heer over het Woord opwerpt, is een zoo dwaze figuur, een zoo onedel karakter. En dan eerst is op den kansel de zonde overwonnen en de bediening in den Geest geheiligd, als de man die daar spreekt innerlijk klein gemaakt en af ebroken is, al zijn geleerdheid en waanwij s. , abeelding op dorst geven, en zich boog, diep boog, stil en kinderlijk boog, in gulle ongeveinsde onderwerping onder dat onverminkte, onverzwakte en onvervalschte Woord van zijn God.

De kerk moet er dus op bedacht zijn, om én bij haar predikers én bij haar leeken, die zonde van den Twijfel te bestraffen; dat valsch individueele in onze opiniën te keer te gaan ; tegen de invloeden van den onheiligen wereldgeest ons te sterken ; en in het bewustzijn der gemeente stil te doen voortkabbelen den stroom van levende overtuiging, die de bedding der Christelijke kerk aller eeuwen tot ons kwam.

Dat nu het opkomend geslacht door zondigen twijfel de ziel verscheurd wordt en dat de dienaren des Woords met hun eigen figuur verlegen worden dat is de schuld der kerk die niet gewaakt, de schuld der gemeente die niet gebeden heeft, en de schuld van de ontaarde godgeleerdheid, die menschenwijsheid uit ging stallen in steê van te doen leven en aanbidden de veelvuldige wijsheid Gods.

Tegengif tegen die zonde van den twijfel nu ligt in bestendigheid, in eenparigheid en in helderheid van belijden.

De kerk van Christus heeft zorg te dragen, dat men niet langer zeeziek worde van die eindeloos wisselende «veelkleurige rokken", die thans als dienaren des Woords op den kansel, in de catechisatie en in geschrift tot de gemeente komen, van atheïsten tot antinomianen toe! Het kan niet langer zooals het nu toegaat. In dorp bij dorp wisselt de »dominé" om de twee jaar. Neem nu een kind van acht jaar. Het komt op de leer bij dominé A., die het inprent, om naar domine A's inzicht, dit' en dat zeggen van Jezus zóó en zóó te verstaan. Een jaar is het daarover doende. Het begint even bij hem te kleven. Maar, zie daar krijgt dominé A. een beroep; hij gaat; en dominéB. komt. Ongelukkigerwijs echter denkt dominé B. er vlak anders over, voert andere catechisatieboekjes in, spreekt vlak tegen wat dominé A. er inbracht, en het kind gaat vanzelf om. Zoo wordt het elf jaar. Ook dominé B. krijgt een beroep; hij gaat ook; er komt een lange vacature; de consulent catechiseert; nu wordt het weêr alles anders; zoo duurt het een jaar; daar komt weêr een nieuwe dominé; hij heet dominé C.; deze nu valt weêr meer in den trant van dominé A.; maar bij het kind van 12 jaar is de indruk van het kind van 7 jaar natuurlijk al lang weg; weêr begint het lieve leven dus van voren af aan; nu te erger, nu het jonkske ook ter kerke gaat; en er iets meer van gaat begrijpen. Ea zoo gaat dat schandelijk spelen met overtuigingen en met kinder- en menschenzielen voort en voort, totdat de jongeling zoowat 18 a 20 jaar is, en.... dan.... wordt hij » aangenomen"; natuurlijk zonder iets anders dan als warhoofd een geheel in de war gebracht hart te laten spreken; en blijft hij nu in het dorp wonen, dan komt er tot aan zijn dood eeen eind aan

dat warrelen. Altijd nieuwe dominé's, altoos

een andere waarheid, aldoor anders de din

gen voorstellen, tot er op het laatst niets

vasts 01 Destenaigs overbleet dan de bestendige walging wekkende wisseling.

Dit nu noemen we een grootelijks zondigen, een gruwelijk met de zielen spelen.

Dat heet dan »om dedominés vrij te laten", maar wij zeggen, dat het stelselmatig alle vastheid des geloofs uitroeit en het leven der gemeenten moordt.

Aan dien misstand dient dus allereerst een einde te komen. Als ik woon in welk dorp ook, moet de kerk mij waarborg bieden, dat mijn kinderen »in de leer" en ik zelf »in de kej-k" aldoor één belijdenis, aldoor dezelfde waarheid, onveranderlijk het echte Evangelie hooren zal.

Maar juist om dit te verkrijgen, dient er eenparigheid te zijn. Dominés zijn verroepbaar en gemeenteleden verhuizen. Wat thans gebeurt, dat ik in dorp Q jaren lang deze of die belijdenis hoorde, en nu ik naar dorp P. verhuisde, in een kerk (die r.ota bene met de kerk van Q. één heette) heel iets anders te beluisteren krijg, is de ongerijmdheid zelve. Van kerk tot kerk gaande, moet ik voorzooveel die kerken in correspondentie staan, en over en weêr attestatiën afgeven en aannemen, ook weten, voelen en tasten dat het geestelijk één kerk is. En zoo ook, als de dienaren des Woords verroepen worden moet het wel een wisseling van personen zijn, maar de dienst des Woords moet één blijven. Kortom, er behoort eenparigheid te wezen onder alle kerken, we zeggen niet van één kerkgenootschap', want zulk een onchristelijk onding als een »genootschap" kent Gods Woord niet en is met het wezen zelf der kerk in lijnrechten strijd; neen, maar onder alle locale kerken, die met elkaar in correspondentie staan, zooals onze ouden zeiden. En zulk een eenparigheid nu, is zoo min te verkrijgen als te behouden, zoolang de Formulieren van eenigheid niet weer in eere komen, en de opleiding van predikanten en godsdienstonderwijzers niet weer op den grondslag van die Formulieren rust.

Dit sluit dan tevens dat beschimmelde mengelmoes van allerhande mogelijke en onmogelijke catechisatieboekjes uit; een verderflijk soort litteratuur, dat ongemeen veel schade aan het geestelijk welzijn der kerk heeft aangebracht. Dat men ze toch uitroeide, ze afschafte en er volkomen meê brak. Oordeelen de kerken, dat wél een handleiding voor de bijbelsche geschiedenis noodig is, goed, laat de kerken er dan zei ven één vaststellen en dat allerwegen invoeren. Voor de leer is dit onnoodig. Daar hebben we den Catechismus en het Kort Begrip reeds voor, boven en behalve onze Belijdenis en onze breedere verklaring van Art. 16; ook genaamd de Vijf artikelen van Dordt. Maar wat in geen geval mag, wat de geestelijke eenheid der kerken ondermijnt, en met alle vastheid den spot drijft om den zondigen twijfel vrij spel te laten, dat is de ongerijmde gewoonte die thans bestaat, dat ieder, die er kans op ziet, maar zulk een boekske samenknutselt en dat in onze dorpen de ééne dominé dit en de andere weer ddt boekske uit dien berg van ondoordachte boekskens uitzoekt en ronddeelt.

En even zoo is in de derde plaats helderheid noodig. Een ontleedkundige acht het niet beneden zich, om de vezels en vliesjes van een zeekwabbe microscopisch nauwkeurig te onderzoeken; hun onderling verband vast te stellen; ze in te deelen in klassen ; en elk hunner een aparten naam te geven; maar onze tegenwoordige godgeleerden, dien naam dan ook nauwlijks waard, noemen het letterknabbelarij en schoolsche dorheid, indien men b. v. de rechtvaardigmaking van een zondaar voor den Heiligen God nauwkeurig ontleedt in zijn onderscheidene relatiën en in juist verband zet met de omliggende deelen van de waarheid onzes Gods. Zoo maar in den grove, in den ruwe van s rechtvaardigmaking" moet er gesproken. Altoos bruto, nooit netto! Meer hoeft niet. Al wat verder gaat is dor, is schoolsch, is femelarij 1

Nu spréékt het vanzelf, dat iemand die

niet leerde onderscheiden, verward van geest is en blijft. Iemand die verward van geest vooral in de heiligste en teederste waarheden is, moet wel allerlei, dat niet bijeenhoort, dooreenhaspelen. Zoo, zelf verward, kan hij niet anders dan verwarring in den geest en in het bewustzijn van zijn hoorders of catechisanten aanrichten. En het einde is, dat waar helderheid, klaarheid en doorzichtigheid van juist verband den geest sterken en aan het denken rust zou geven, er nu door onze catecnisatiën en door onze prediking maar al te zeer duisternis en verwarring over de zielen komt, die den geest verslapt, ontzenuwt en ontmant.

Toen in de 16e eeuw de waarheid Gods in Calvijns heldere taal, in vasten vorm en op eenparigen voet hier in het land indrong, was de wondere uitwerking er van, dat er in dertig jaren tijds een geslacht opstond, dat in de leerkamer en onder den kansel tot helderheid van kop, vastheid van overtuiging en onwrikbaarheid van geloof was opgebracht.

Thans wordt die zedelijke kracht, die schat van geestelijke sterkte van ons lieve volk met opzet afgehouden.

Toen dorst vaste hand met forsche verve koppen als van Rubbens boetseeren; nu legt men legkaarten in elkaar of speelt met veelkleurig mozaiek 1

Kuyper.

„ilXoeÜe en IVröriet1

AaDgaande de dagen ODzer jaren, daarin zijn zeventig jaren of zoo wij zeer sterk zijn, tachtig jareo; eo het uitnemendst van dien is moeite en verdriet.

Psalm 90 : 10.

In onze nieuw-modische krankzinnigengestichten vermaakt men de gekken op allerlei wijs. Vooral speelt men er ook komedie! Kon het, 't moest zoover gebracht, dat de gekken verleerden dat ze krankzinnig zijn. Ja, het moest wezen, alsof al hun droomen, én inbeeldingen, éa phantasmagoriëa werkelijkheid waren!

Nu, dat laten we, voor wat het is; zoolang de kerk van Christus zich vrij acht, om, gansch liefdeloo3, de krankzinnigen aan de politie over te laten, voegt ons over die gekkenhuis-schriklijkheden een beschamend stilzwijgen, o, Wanneer, wanneer zullen onze diaconiën toch eens opwaken tot hooger, edeler besef!

Maar waar we op komen wilden is dit: dat toch eigenlijk evenzoo hetl ons leven op aarde, dienzelfden ontieiligen trek verraadt: om over onze ellende heen te werken, en te midden van ODze diepe bedruktheden, overspanning, vergetelheid, gevoelloosheid te zoeken in schijnspel en ijdel vertoon.

Wat de dronkaard op zijn ergst en rechtstreeks doet, dat doen we voetje voor voetje en zijdelings elk op onze beurt. De drank, die bedwelmt, haalt den dronkaard uit de verveling van de werkelijkheid uit en toovert hem over in een wereld vol genot en opwinding. En nu, wat doet de groote menschenmassa anders, dan het oog dicht doen voor den wezenlijken toestand waarin ze verkeeren, en elkaar inpraten in een toestand die op schijn, op leugen, op inbeelding berust.

Ja, ge kunt nog dieper gaan. Zelfmoord is de bedwelming van den dronkaard in den hoogsten graad. Een dronkaard wordt weêr nuchter. De wereld waar hij was iDgedroomd, gaat straks wtêr we/, en dan komt de nare werkelijkheid weêr dubbel akelig voor hem te-, rug. Maar hoe, als er nu een middel was, om met één slag, voorgoed, voor altoos er uit te komen en in die bedwelming eeuwig te blijven ? Zoo komt men tot de schanddaad, tot de gruwelijke zonde, tot het verdoemelijke van den zelfmoord / Alleen met dit verschil, dat drank dan ten minste nog een «ogenblik opwindt en overspant, terwijl een zelfmoordenaar, zoo gestikt, zoo opeens voor dien vreeslijken God komt te staan, van wien de Schrift zegt: Onze God is een verterend vuur! Onze ziel ijst er van. En toch.... dat schennende en schriklijke neemt toe met angstige evenredigheden! Waar, waar, gaan we heen ?

3ol)anne$ d £auo.

.Wij schrijven het jaar 1525. Wat was er gebeurd sinds dien gedenkwaardigen isten November 1517 ! Luther had ?P den rijksdag te Worms zijn geloofs woord: »Hierstaik, ]k kan niet anders, God helpe mijl" uitgesproken. De Heilige Geest had met den dag luider weerklink op het Hervormingswoord gegeven in de harten van honderden. De keurvorst van Saxen, nog lang wankelende tusschen Rome en het Woord Gods, had ten slotte voor dit laatste gebogen. Zijn voorbeeld was door andere edelen en vorsten gevolgd. Erasmus, die in den aanvang veel met Luther ophad, was verkoeld tegenover den grooten Hervormer. Ook in Zwitserland begon de Reformatie breeder plaats in *c nernen, en ofschoon van & Lasco's vrienden nog geen den koenen stap uit de Roomsche kerk had durven doen, 1 Was te voorzien, dat zij er niet lang mee wachten zou?en- Allerlei geruchten drongen hieromtrent tot den aartsisschop van Gnesen, k Lasco's oom, door. Wat wonder, at hij zich begon te ontrusten over de godsdienstige ge v°elens van zijn neef. dien hij zoo gaarne eens zijn plaats fou zien innemen. In September 1525 kwam Johannes roeder, Hieronymus, met een boodschap van zijn oom te azel, en è. Lasco moest over Italië naar huis terugkomen, 'er Italië, niet over Duitschland; hier was het gif der vervorming reeds zoo diep in de maatschappij en bet uiselijk leven doorgedrongen, dat het gevaarlijk moest zijn Johannes zelfs Duitsche lucht te doen inademen, 't Kostte eiden, Erasmus en a. Lasco, veel moeite om van eikair scheid te nemen. Doch 't moest, en het eenige, wat de erste voor den laatste kon doen, was, hem aanbevelings¬

brieven aan enkele geleerden meêgeven. Tot Johannes' reisg zeischap behoorde ook Karei Utenhove van Gendt, de broeder van den om zijne Psalmberijming bekend geworden ouderling der Hollandsche gemeente te Londen, Johan Utenhove. j»

Lang moest k Lasco in Italië blijven. Te Venetië zijnde, had hij een bode naar Krakau gezonden, wiens terugkomst hij moest afwachten. Doch wie wederkwam, niet de bode, en intusschen was het Februari 1526 geworden. De toestand van onzen held was verre van benijdenswaard want zelfs voor zijn reis had hij geld moeten leenen bij een zijner vrienden. Eindelijk in Maart kreeg hij tijding van zijn oom om dadelijk thuis te komen. Polen had al zijne zonen noodig, teneinde strijdvaardig te staan tegenover de hand over hand toenemende macht der Reformatie.

Twee en een half jaar was nu de jeugdige en vrome edelman in den vreemde geweest. Hoe was hij teruggekomen? Rijk aan kennis en wetenschap, door banden van vriendschap gehecht aan vele edele en geleerde mannen, en wat hem nog het beste voorkwam, aan Erasmus. Bemind vau degenen, die hem hadden leeren kennen. Maar zijn hart — was dat vrij gebleven van de verschillende geestelijke stroomingen, die met de zijne hadden gekruist, of ten minste koit langs hem heên gevloeid waren? Hoe gaarne zouden wij den sluier oplichten, waaronder de geheimen van zijn geestelijk leven verborgen liggen! 't Is ons niet gegund. Dit is ons alleen bekend, dat hij in zijn vaderland wedergekomen, een levendige briefwisseling hield met zijne vele vrienden in den vreemde, 't Liefst ware hij op zijn studeerkamer gebleven. Maar i Lasco was niet teruggeroepen om in stilte zijn levensweg voort te zetten. Hij moest de kerk dienen, en daartoe was hij bijzonder geschikt — oordeelde Erasmus. Maar was hij wel rein? vroeg deze ec

gene, luide genoeg dat de aartsbisschop het hooren kon. Waarvan werd hij dan beschuldigd ? Dat hij in den vreemde zou zijn gehuwd. Ziet, zoo hij de wetten der zedelijkheid met voeten hadde getreden, ware het een licht kwaad geweest.

Zoo deden vele priesters in die dagen. Maar waartoe langer hierover gesproken, daar k Lasco zich vrij kon pleiten van de beschuldiging, als hadde hij zijn priestereed gebroken, zonder zijn priesterambt neer te leggen. Trouwens a Lasco behoorde toen nog Rome toe. o, Hij was met Erasmus wel overtuigd, dat die kerk hervorming noodig had, vooral omdat hare geestelijken niet deugden, doch aan scheiden dacht hij niet. Ten onrechte klaagden de vijanden zijns ooms hem van ketterjj aan. Hij verzekerde dit den aartsbisschop, maar deze eischte van hem een zuiveringseed. ' Hij erkende in die gelofte, dat hij met pauselijke toestemming vele schriften ook van die had gelezen, welke zich van de Roomsche kerk gescheiden hadden, maar hij had w.llens en wetens geene meening, geene leerstelling aangenomen, die de leer der Roomsch- Katholieke kerk tegensprak. Mocht hij onverhoopt gevallen zijn, mocht hij in eene dwaling gehouden zijn, zooals het ook met de geleerdste en heiligste mannen gebeuren kon, dan herriep hij die openlijk en uitdrukkelijk en beleed vrij willig, dat hij geen lust in zich bespeurde, ooit leeringen of secten te volgen, die aan de eenheid der Roomsche kerk en hare instellingen vreemd zijn, en dat hij slechts vasthouden zou wat door de Roomsche kerk aangenomen en goedgekeurd was# Insgelijks beloofde hij den heiligen stoel, zijnen oversten en bisschoppen in al wat geoorloofd en eerbaar was, levenslange gehoorzaamheid. Dat zweer ik, zoo helpe mij God Almachtig en de heilige Evangeliën Gods." Zoo besloot k Lasco.

Ook op staatkundig gebied bewoog zich onze k Lasco, maar ter wille van zijnen lievelingsbroeder Hieronymus, die door eenen ondankbaren vorst onrechtvaardig was gevangengezet. Wat er dan gebeurd was?

Om dit te kunnen zeggen verplaatsen wij onze gedachten naar de staatkundige bewegingen van die dagen. Sinds 1453 was Constantinopel niet meer de hoofdstad van een Christelijk rijk. De Turken waren er meester geworden en trokken van daar voort, om Europa te veroveren, zoo mogelijk Vooral toen Soliman de grootste van alle Turksche sultans regeerde, was de toestand van het Christelijk Europa hachelijk. Niet alleen Polen zag den vijand dicht aan zijne grenzen, maar ook, en wel het meest Hongarije. Koning Lodewijk greep naar de wapenen, maar viel met de zijnen in den slag bij Mohacz. Daar hij geene kinderen naliet, om 's vaders eifenis te aanvaarden, kwamen er twee kroonpretendenten op, Ferdinand van Oostenrijk, broeder van Karei V, en Johannes ZOpolia van Zevenbergen. Van beide zijden zocht m»n bóndgenooten, van welke de koning van Polen een der voornaamste was. Het Poolsche volk had voorliefde voor Zopolya, maar zijn vbrst hield zich liever onzijdig. Doch wie geen partij kiezen wilde, wel Hieronymus k Lasco. Wat hij kon deed hij, om den Sultan, Frankrijk en anderen voor Zopolya te winnen. Voor zijne diensten cnving liij eerst belooningen van den vorst, maar straks keerde de vriendschap in haat. Hieronymus werd in boeien geslagen. Toen trad Johannes k Lasco voor zijnen broeder op en iiep de hulp in van Poten en Frankrijk. Oageloofelijk zijn de moeiten geweest die hij zich getroostte om Hieronymus te verlossen. Eindelijk zag hij zijn ijver met goeden uitslag gekroond. Hieronymus werd vrijgelaten en de broeder verheugde zich uitermate.

De Gaay Fortman.

Sluiten