Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ï

Het nadrukken van den inhoud van dit blad is verboden overeenkomstig de Wet op het Auteursrecht.

Dit blad wordt geregeld des Vrijdags aan de geabonneerden verzonden. Bijdragen van medewerkers, ingezonden stukken en alles wat verder den inhoud van dit blad betreft, te adresseeren aan de REDACTIE. Abonnementen en Advertentiën aan de ADMINISTRATIE. Bureau: N.Z. Voorburgwal 58—BO, ta Amsterdam.

Inzendingen, die later dan Donderdag 's namiddags te 12 uur worden ontvangen, kunnen voor het nummer van die week niet meer in aanmerking komen.

Zondag 5 Januari 1919. ff, 2137

Abonnementsprijs: franco aan huis, per drie maanden ƒ1.50 bij vooruitbetaling ; voor het Buitenland en Ned.-Indië per jaar ƒ7.50 bij vooruitbetaling. Afzonderlijke nummers ƒ —.15. ^

Advertentiën: van 1 tot 6 regels ƒ1.30, met in begrip van bewijsnummer, voor eiken regel meer ƒ -.20. Aanvragen en vermelding van liefdegaven ƒ-.12 per regel.

,Vm be Herfe".

i.

Welke zijn lichaam is, en de vervulling desgenen, die alles in allen vervult.

Ef. I : 23.

Als opschrift boven deze artikelenreeks kozen we de formule: Van de Kerk, en niet van de Gemeente, zooals met het oog op onze Statenoverzetting allicht had kunnen verwacht worden. Wie toch de Concordantie van Trommius opslaat, zal ontwaren, dat onze Statenoverzetters het woord Kerk, en dan natuurlijk met opzet, gemeden hebben, om bijna nooit een andere uitdrukking te bezigen dan die van Gemeente, in het oude Testament ook wel Vergadering. Dit is, gelijk men aanstonds doorziet, geen vergissing noch verzuim, maar opzet, en dit opzet laat zich gereedelijk verklaren. Toen onze Statenoverzetters aan den arbeid togen, stond men nog in 't algemeen onder den overheerschenden indruk van de beteekenis, die, vóór de Reformatie, door de Roomsche hierarchie aan degebruikelijkewoordenen uitdrukkingen gegeven was, en in zooverre nu stond 't tot op het doorbreken van de Reformatie vast, dat Kerk de naam was die uitsluitend voor cle algeheele kerkelijke gemeenschap gebezigd werd, terwijl men over de plaatselijke Kerken nooit anders sprak dan van Parochiën. De plaatselijke Kerken van kleine dorpen omvatten dan wel alle leden die in zulk een dorp woonden, doch zoodra er sprake was van grootere plaatsen, en met name van groote steden, dan stond men er op, de eenheid niet te handhaven, doch veeleer de geheele stad in onderdeden te splitsen. Deze onderdeden noemde men dan Parochiën. Elke parochie had dan haar eigen Kerkgebouw, en in elke Parochie stond een eigen geestelijke aan 't hoofd, vaak met suppletoire hulp van een kapelaan. In dit stelsel nu lag vanzelf iets dat zich aanbeval, en ook door ons vaak bepleit is, edoch altoos met dit principieel verschil, dat in ons stelsel de onderscheidene Parochiën van eenzelfde stad onder één Kerkeraad zouden vereenigd zijn, en alzoo toch de Kerk in de geheele stad een eenheid zou vormen. Juist dit echter heeft de Kerk onder Rome's leiding nimmer beoogd. De naam van het woord Kerkeraad is dan ook van Reformatorischen oorsprong. Rome kent ten deze noch naam noch zaak. Een kerkeraad van de Roomsche Kerk te Amsterdam '*s voor haar een ondenkbaar en onbestaanbaar iets. Rome heeft de Parochiën die geheel zelf¬

standig van karakter zijn. Deze Parochiën vereenigen zich niet onder eenj^erkeraad, maar ten deele onder een Deken, en in hoofdzaak onder den Bisschoppen deze Bisdommen worden dan weder vereenigd onder een Aartsbisschop, terwijl tenslotte de Aartsbisschoppen onder het rechtstreeksch gezag van de Kerk van Rome staan, ten deele met behulp van den Kardinaal. Al was het dus, dat ook wij tot het aloude stelsel van Parochiën terugkeerden, zoo zou toch weer het grondvexschil overblijven, dat bij ons de op ééne plaats wonende ge-

loovigen saam een plaatselijke Kerk zouden vormen, en als plaatselijke Kerk door één

Kerkeraad zouden geleid worden. Juist hiervan nu wilde Rome niet weten. Het

kent als zoodanig geen plaatselijke Kerk,

en van een Kerk als eenheid kan op

Roomsch terrein alleen gesproken worden,

zoo men alle Kerken, gelijk ze over geheel de wereld gespreid zijn, Sclam als

éen geheel neemt. Ook al ware t der halve, dat men ook onder ons tot de Pa

rochie terugkeerde, zoo zou dit daarom

toch in 't minst de Roomsche beschouwing niet doen terugkeeren. Wel moet toegegeven, dat men ook onder ons vaak niet streng zich aan de grens der burger¬

lijke gemeente bond, doch dit was het ge

volg niet van verandering van zienswijze,

maar werd veroorzaakt door de luchthar¬

tige wijze, waarop de Regeering almeer

onderscheiden dorpen bij wet met een

stad vereenigt. Dit zal zich later dan ook van zelf wel regelen, en tot dusver blijft vaststaan, dat naar onze overtuiging de Kerk een plaatselijk karakter draagt, dat

deze plaatselijke Kerken in ringen, classen en provinciale Synoden saam verbonden zijn,

en dat alzoo de beide begrippen van plaat

selijke en van algemeene Kerk zich duidelijk

onderscheiden. Gelijk ons later blijken zal, komen er dan drie begrippen op, ten

eerste de plaatselijke, dan de nationale en ten slotte de algemeen Christelijke wereldkerk, maar al wordt de plaatselijke

Kerk dan ook nader in Parochiën ingedeeld,

hierdoor wordt in geen geval een nieuw

soort Kerken geschapen. De Parochie zou

bij ons geen eigen kerkeraad hebben, maar

alle overige Parochiën zouden m dezeltde stad saam onder een kerkeraad staan.

De indeeling in Parochiën zou naar ons bedoelen geen oogenblik de strekking hebben, om de eenheid der plaatselijke Kerk op te heffen, maar zou hoofdzakelijk bedacht zijn

op stuiting van het zeer ernstige kwaad, dat, om niet te hoog te gissen, in een Kerk van 25000 leden schier noodzakelijkerwijze opkomt, doordat elk nauwer verband tus-

schen den kerkeraad en de gemeenteleden verbroken wordt of althans ten zeerste verflauwt. Al is 't dan ook, dat zelfs Voetius tegen splitsing ernstige bedenking koesterde, ontkend kan toch niet, dat, gelijk het nu loopt, althans in de grootere steden het

geheel zijn eenheid almeer inboet, en de

kerkelijke band tusschen de leden en de Opzieners der Gemeente steeds meer zijn

beteekenis verliest. Steeds echter sta

hierbij duidelijk op den voorgrond, dat het eigen karakter van het Roomsche wezen

volstrekt niet in het Parochie-stelsel ligt, maar eeniglijk in Rome's ontzeggen van het

plaatselijk karakter aan de kerkelijke ge¬

meenschap van de inwoners eener zelfde stad, die geen kerkeraad en geen band van eenheid hebben, en eerst in het Episcopaat het verband met de algemeene Kerk vinden.

Nu is het inmiddels niet aan twijfel onder¬

hevig, of onze Statenoverzetters hebben in

hun vertaling van de Heilige Schrift, niet alleen van het Oude, maar vooral van het Nieuwe-Testament, allerwegen de voorkeur

gegeven aan het woord : gemeente, om de tegenstelling met Rome te verscherpen. Toen de nationale Synode van Dordrecht gehouden werd, was men nog zoover niet.

Veeleer stond t gebruik van het woord Kerk

toen nog vrijwel vast. Al zijn de titels van de artikelen onzer Geloofsbelijdenis niet officieel,' ze toonen toch wat destijds

spraakgebruik was. En neemt ge nu artikel XXVII, dan vindt ge'daar ook dit opschrift:

» Van de algemeene Christelijke Kerk , en

het artikel zegt u : »Wij gelooven en be¬

lijden een eenige Katholieke of Algemeene

Kerk, dewelke is een heilige vergadering der ware Christ-geloovigen". Versta nu wel,

dat dit niet van de Roomsche, maar van

de Gereformeerde Kerk aldus betuigd wordt. En in het artikel zelf staat 't aan 't eind

nog beslister, als 't heet: «Ook mede is deze Heilige kerk niet gelegen, gebonden, of bepaald in een zekere plaats of aan

zekere personen, maar zij is verstrooid en

verspreid door de geheele wereld". In Artikel XXVIII is nogmaals sprake van «de ware Kerken staat als kenmerk der geloovigen, dat ze »de eenigheid der Kerk onderhouden, zich onderwerpende aan haar tucht». Naar het spraakgebruik van de Statenoverzetters moest hier uiteraard overal staan «de eenigheid der Gemeente onderhouden», maar het staat in onze Belijdenis nog alles anders. Bijna eeniglijk wordt in

de Belijdenis allerwegen de uitdrukking niet

van Gemeente, maar van Kerk gebezigd.

Sterk vooral komt dit uit in het XXIX

artikel, waarin gehandeld wordt van »de ware en valsche Kerk». Hier toch lezen we, dat we steeds ernstig moeten onderscheiden »welke de ware Kerk zij, aangezien dat alle sekten, die heden ten dage in de wereld zijn, zich niet den naam van Kerk bedekken»; en dan vervolgt de Belijdenis : »Wij spreken hier niet van het gezelschap der hypocrieten, welke in de Kerk onder de goeden vermengd zijn, maar wij zeggen dat men het lichaam en het gezelschap der ware Kerk onderscheiden zal van alle sekten». En nu volgen »de merkteekenen om' de ware Kerk te kennen»,

en dan heet 't eerste kenmerk: »Zoo de Kerk de reine predicatie des Evangelies oefent.» Na deze merkteekenen dan te hebben opgenoemd, besluit het artikel

aldus: ,Niet: deze twee Gemeenten, maar ■»deze twee Kerken zijn lichtelijk te onder¬

kennen, en van elkaar te onderscheiden .

Sterker nog spreken de officieele titels en opschriften boven de geschriften die

.officieel uitgegeven worden. Zoo staat

boven den Catechismus, dat hij onderwijst in de leer »die in de Nederlandsche .Gereformeerde Kerken geleerd wordt." Boven de Dordtsche Leerregelen staat geheel in gelijken zin: »Oordeel van de nationale Synode der Gereformeerde Kerken van de

vereenigde Nederlanden" en voorts »Over

de bekende vijf hoofdstukken der leer,

waarover in de Gereformeerde Kerken verschil is gevallen." Bij de Liturgie vindt

ge het evenzoo. Het opschrift toch van onze Liturgie is: »De Liturgie der Gere¬

formeerde Kerken in Nederland." Toch vindt men hier reeds uitzonderingen. Zoo vinden we in het gebed voor »den nood

der Christenheid" o.m. deze zinsnede : »Wil pok uw Christelijke gemeenten genadiglijk bewaren", doch dan w;er aan 't slot: »Eindelijk, o, Heere, wil ons en de onzen in uwe bescherming i ^men... tot bevorderinge van uw Kei : of de welvaart des Lands.t In het «korte formulier. des gebeds na de Predikatie», heet 't evenzoo: »Kom uw Kerk te hulp, en verlos haar van allen overlast.« Evenzoo lezen we van een «Gebed vóór de handelingen der Kerkelijke bijeenkomsten*, en daarin leest men de bede: »Dewijl wij nu, naar het voorbeeld der Apostolischz. Kerken,

vergaderd zijn, zoo bidden wij u, dat Gij, naar uwe beloften, in het midden van deze vergadering zijn wilt met uwén Heiligen Geest, f, en wordt straks de bewarende genade ingeroepen tegen »de booze en listige raadslagen, die tegen uw Woord en uw Kerk bedacht worden.* Daarentegen virrdt ge boven het Formulier van den Ban, dat later opkwam, het opschrift: «Formulier des Bans of der afsnijding van de Gemeentes, maar in het gebed van dat Formulier staat toch weer niet «Gemeente*, doch «Kerk*, als 't heet: »en dat de schoot Uwer Kerk altijd openstaat voor degenen die wederkeeren* Gaandeweg echter vervangt het woord «Gemeente» al meer de uitdrukking Kerk. Zoo in het «Formulier van wederopneming van de afgesnedefien." Hier toch luidt het opschrift: «Formulier van de wederopneming der afge-

snedenen van de Gemeente van Christus, en in het Formulier zelf komt hier de uitdrukking Gemeente in pla its van Kerk nog driemaal voor. Ook in het Formulier voor de bevestiging van een Dienaar des Woords, vindt ge niet meer van Kerk, maar van de

Gemeente Gods gesproken alleen met deze

opmerkelijke uitzondering, dat 't in het gebed aan 't slot heij: «Barmhartige Vader, wij danken u, dat het U belieft u een gemeente te vergaderen ten eeuwigen

leven, en dat Gij de Kérk hier ter plaatse nog zoo genadiglijk voorzien hebt."

Ook in het bevestigingsformulier van de

Ouderlingen en Diakenen leest men : »die in de Kerk van Jezus Christus dienen;" voorts dat ze de boetvaardigen weer »in

den schoot der Kerk hebben op te nemen;

dat niemand anders dan ?door wettige roe¬

ping van de Kerk behoort te dienen , en dat de Dienaar »tot stichting der Kerk" moet optreden*. Met name wordt aan de ouderlingen op 't hart gebonden, dat ze in

«de Regeering der Kerk gesteld zijn , en

wordt de Heere aangeroepen om »den wasdom uwer Kerk" te willen bevorderen. -In

het huwelijksformulier, dat van later dagtee-

kening is, vindt ge daarentegen enkel van

Gemeente gesproken, zelfs tot vijfmalen

toe.

Zelfs nog in 1657 liet de weduwe wijlen Aertz van Ravensteyn op haar folio-uitgave

van de Heilige Schrift deze hier volgende zinsnede afdrukken ; «door de gemeene ordre

der Nederlandsche Ketcken verbetert. En

wat nog meer zegt, in de declaratie die de Staten-Generaal der Vereenigde Neder¬

landen op 29 Juli 1637 voor de officieele uitgave van de Bijbelvertaling plaatsten,

schreven ook zij nog: dat zij »gecommit¬

teerd hadden voorname geleerde mannen

van de Gereformeerde Kercken", alsook

dat deze overzetting alsnu »in de Kercken en publieke scholen" behoorde gebruikt

te worden, en dat alle Kerc.klyke vergaderingen door het gebruik van deze vertaling »den welstand van de Gereformeerde Kercken mochten- bevorderen." Denkt ge nu in, hoe dit stuk strekte om een vertaling in te leiden, waarin opzettelijk het woord Kerk schier allerwegen door Gemeente vervangen werd, dat blijkt hieruit op de meest

overtuigende wijze, hoe onze Stateti-over

zetters tegen het toenmalig taalgebruik op¬

zettelijk ingingen.

Hiermede is intusschen niet bedoeld, dat 't gebruik van het woord Gemeente in

stee van Kerk vóór de Synode van Dordrecht ganschelijk niet voorkwam. Hooyer geeft in zijn oude Kerkordeningen aan,. dat in

1612 de uitdrukking reeds gebezigd werd:

»Van de oefening der Christelijke discipline onder de Christelijke gemeenteHooft

laat zich in een bekende plaats aldus uit:

»Mits hij weigherde zich den oordeele der

broederen tfi onderwerpen, en m Gods ge¬

meente boven anderen zocht uit te munten." In de Kerkorde van 1578 [(zie Hooyer p. 148) vindt men: »Om goede

en wettelijke ordeningen in de Gerefor

meerde Gemeenten dezer Nederlanden te stellen, is goet gevonden, dat velerlei Kerkelijke verzamelingen gehouden werden.» Iets

waar tegenover staat, dat de tite,l van het in 1773 uitgekomen Psalmboek weer,

blijkbaar opzettelijk, spreekt van de «Her

vormde Kerk», een betiteling die sinds

bijna jgestadig op het geheel is toegepast, terwijl' de enkele plaatsen dan louter Gemeenten vormden. Iets waaraan nog zij toegevoegd, dat de Doopsgezinden nooit anders dan van Gemeente spraken, en dat ze de uitdrukking van Kerk of Kerken nog altoos stelselmatig mijden. Na 1637 heeft het gebruik der Statenoverzetting allengs het woord Gemeente geheel op den voorgrond gedrongen. Bij Wildschut leest men: «Mij benaarstigende om der Gemeente welge¬

oefende geloofsonderwijzers en leeraars te bezorgen.« Allerwegen ging dit gewijzigde

gebruik zoo van allen kant in het Kerkelijk

leven in, dat zelfs een kenner der historie gelijk Beets in zijn Sparsa blz. 262 schrijft:

Eene uitvoerigheid, waarvoor de Gemeente

alle eeuwen den schrijver van het

van

derde Evangelie dank zal weten*, en even

zoo op -blz. 265 : »Het werk door dezen Lukas tot stand gebracht en door een

wakende Voorzienigheid van eeuw tot

eeuw voor de Gemeente bewaard*.

Ook Da Costa, die als uit Israël geproten, allicht door een ander besef kon ge¬

leid zijn, schreef: «Christus, het Hoofd

der Gemeente, stelt den man tot Hoofd der vrouw* (II, 233). Ter Haar zong (Gedich¬

ten III, 284): «Ik verwijt u niet de smart,

het lijden der Gemeente, schoon t Christenharte met haar treurt*, een uitlating, waar¬

in vanzelf niet op een plaatselijke Kerk,

maar op de Kerk in 't algemeen gedoeld

wordt, en toch de uitdrukking Gemeente

den dichter uit de pen vloeide. Men merkt

zoodoende, hoe van meetaf de beide uit¬

drukkingen met elkaar geworsteld hebben.

Zie 't zelfs in de Dortsche Kerkenorde, waar

ge vindt: «Om den zondaar met de Kercke

en zijn naasten te verzoenen, en de erghernisse uit de Gemeente Christi wech te

nemen (Ziebij Hooyer blz.306.) Ook bij Van

Effen in zijn Spectator II, 46 lezen we van van de »Waalsche Gemeente", waar toch anders het Fransche woord Eglise, afgeleid van Ecclesia, van zelf meer aan het woord

Kerk zou herinnerd hebben. En wat meer nog treft, is dat Fruin in zijn Hen jaren

bl. 259 evenzoo beide uitdrukkingen in

éen verband saam gebruikt. Zoo toch

schreef hij: «Naast de Gereformeerde Kerk

bleef nog een Luthersche voortbestaan en

te vergeefs poogde men in 1566 en later de beide Gemeenien ineen te smelten. Ook hier nu was niet gedoeld op twee plaat¬

selijke Kerken die in dezelfde stad werden

gevonden, maar wel ter dege op de ge

zamenlijke Gereformeerde en Luthersche

Kerken, die in meerdere plaatsen gesticht

waren. Zelfs op dezen apostolischen tijd

werd dit gebruik van het woord Gemeente

toegepast. Hooyer blz. 520 vermeldt dit

hier volgend artikel uit 1578: «Het en betaamt ook niemant van de ééne plaats

naar de andere te reizen om te prediken

dewijle het ambt der Apostelen ende Evangelisten voor langer tijd in de Ge¬

meenten Gods opgehouden heeit.

Nooit daarentegen werd gesproken van

den Gemeenterad. der Kerk doch altoos van den Kerkeraad, niettegenstaande hier juist sprake is, niet van de verzameling

van alle Kerken, maar van hetgeen gevon

dep werd in een enkel dorp of in een enkele stad. Zoo schreef men reeds in de Kerkenorde van 1578: »Degenen die uit de

Gemeente vertrekken, zal een Attestatie of

getuigenis haarer wandel met advies der Kerkeraadf mede gegeven worden (Hooyer blz. 549). Vast stond overigens van meet

af, dat de plaatselijke belijders, die naar

hun bedehuis opgingen, nimmer als Kerk

maar steeds, en zulks van meet af, als de pemeente werden toegesproken. Niet de

Kerk, maar de Gemeente werd uitgenoodigd om in gebed te gaan, en evenzoo werd niet de Kerk, maar de gemeente verzocht, elk

naar eigen vermogen, in de collecte voor Kerk of armen te willen bijdragen. Onder den Kerkedienst was er de Dienaar des

Woords, waren er de ouderlingen en dia

kenen, en was er overigens niet de Kerk.

maar de Gemeente. Aldus sprak elk pre

diker zich- uit, en aldus werd 't door allen die

ter godsdienstoefening waren opgegaan

begrepen.

Juist uit het gebruik van het woord «Gemeente» voor de opgekomen toehoor¬

ders in een openbare Godsdienstoefening

blijkt nu ten duidelijkste, dat «Gemeente*

hier volstrekt niet de geheele Kerk be¬

doelde, doch slechts een deel ervan. Spreekt men toch van Kerk in 't gemeen, dan rekent men, als tot die Kerk behoorende, niet enkel de doopleden, maar tegelijk ook de voorgangers en bestuurders. Inde Godsdienstoefening daarentegen treedt een onderscheid in. Dan toch hebt ge eenerzijds

de ambtsdragers en anderzijds de gewone

geloovigen, of wilt ge, eenerzijds de herders

en anderzijds de kudde. Wel kan in zekeren

zin gezegd, dat ook de ordinaire geloovigen van Christus wege met ambtelijken dienst belast zijn, doch in dien zin is hier dan van

t ambt geen sprake. Z.tlls in den Jverken-

dienst wees men het onderscheid tusschen

de Gemeente en de Kerkelijke ambtsdragers aan door het dusgenaamde Doophek. Binnen dat Doophek waren dan in afzonderlijke banken zitplaatsen aangewezen voor de officieele ambtsdragers, terwijl de Gemeente buiten dat Doophek plaats nam, en

slechts voorzoover er in het overige gebouw

plaats te kort schoot, en bij nooddienst, in het Doophek mocht plaats nemen. Zoo

dikwijls daarentegen de leden der gedoopte schare officieel contact zochten of om den doop voor een hun geboren kind te erlangen, of om belijdenis te doen, of ook om in 't huwelijk te worden ingezegend, sprak het vanzelf, dat ze de vervulling van hun wensch ten deze eeniglijk van de

ambtsdragers ontvangen konden, en verschenen ze dan evenzoo binnen het Doophek,

naardien dit de plaats was, waar ze met de Dienaren en overige Kerkeraadsleden in nadere aanraking konden komen. In buitenlandsche Gereformeerde Kerken heeft men

dit ook op het gebruik van het Avondmaal toegepast. De uitreiking van het Avondmaal geschiedt dan niet aan een disch of tafel, maar binnen het Doophek en onder het preekgestoelte. Men staat dan op van zijn

zitplaats, begeeft zich naar die vernevenneia onder den predikstoel, ontvangt daar 'tbrood en den wijn, en keert, na gebruik hiervan,

naar zijn zitplaats in het gebouw terug. Ook hierbij komt derhalve het onderscheid

tusschen de Gemeente en de iverkeiijKe ambtsdragers op in 't oogloopende wijze uit. Wordt hierbij alzoo, gelijk in den regel geschiedt, de Gemeente toegesproken, dan wordt daarmede op hen alleen gedoeld, die tot het heilig Avondmaal zijn toegelaten. Al is 't nu, dat ook de ambtsdragers aan dit Avondmaal deelnemen, zoo blijft toch het principieel onderscheid, dat de ambtsdragers het uitdeelen, en dat het de Gemeente is die toetreedt om 't uit hun hand te ontvangen. Sterker zelfs zou men nog kunnen zeggen, dat bij allen Kerkedienst in strikt bepaalden zin, alleen zij als Gemeente gelden, die opkwamen. Een prediker 'begroet de Gemeente in zijn ter plaatse opgekomen gehoor. Niet dat daarom de niet opgekomenen van de Gemeente worden buitengesloten, doch ze rekenen op dit gegeven oogenblik en onder dien bepaalden dienst niet mede.

En bepaalt zich nu op die wijze bij den dienst de uitdrukking Gemeente tot, als we

n • i .. l_ _ 1 !M_ _

zeggen mogen, ae niet amDtenjKc

zoo

hoorders, er staat hier tegenover, dat daarentegen het Kerkelijk karakter doorgaat,

en 't spraakgebruik behouden blijft, by al wat voorts bij den dienst in aanmerking komt. Het gebouw, waarin men zich verzamelt, wordt nimmer genoemd het gemeentehuis, maar altoos de Kerk. In andere landen heeft men wel het woord tempel hiervoor in plaats gesteld, vooral in Frankrijk, maar in ons land spreekt een ieder die het bedehuis wil aanduiden, niet van het Gemeentehuis, maar van de Kerk, terwijl het woord Gemeentehuis uitsluitend en eeniglijk voor het huis der burgerlijke gemeente in zwang is. Evenzoo spreekt men niet van Gemeentedienaren, maar van Kerkdienaren, als men doelt op den koster met zijn helpers. Het publiek noemt een straat, die bij het bedehuis ligt, niet de Gemeentestraat, maar altoos en eeniglijk de Kerkstraat. Zoo wordt steeds het woord Gemeente gemeden, en steeds het woord Kerk ter aanduiding van het geheel gebezigd. En waar dit nu reeds uitkomt in het gebouw en in hetgeen met het gebouw in rechtstreeksch verband staat, zoo treedt dit nóg duidelijker in het licht, waar'gedoeld wordt op *de geheele verzameling der geloovigen als een geordende en aaneengesloten schare. Het woord raad wordt in onze taal zoo wel met het woord Kerk als met het woord Gemeente verbonden, maar nimmer kan er de minste onzekerheid bestaan over het onderscheid tusschen beide uitdrukkingen. Aller duidelijkst wijst onze taal aan, dat het woord Gemeenteraad niet doelt op een Kerkelijke vergadering, maar op het lichaam dat in burgerlijken zin een dorp of een stad regeert. Nooit daarentegen zal men onder gemeenteraad een Kerkelijk college verstaan. Wie daarop doelt, spreekt van Kerkeraad. Hierop mag met te meer nadruk gewezen worden, omdat de uitdrukking Gemeenteraaad in bugerlijken zin eerst later bij ons in gebruik kwam, terwijl men vroeger van de Vroedschap gewaagde. Op zich zelf had men uit dien hoofde in oudere tijden op het woord Gemeenteraad zeer wel voor het kerkelijk gebruik beslag kunnen leggen, doch men heeft zulks niet gedaan, naardien men zeer goed gevoelde, dat de ge-

isuöt v •

Sluiten