Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N*. 1.

Drie en twintigste Jaargang. (Eerste Kwartaal.)

1875.

STEMMEN UIT DE CHRISTELIJKE GEREFORMEERDE KERK IN NEDERLAND.

(Ten voordeele der Theologische School te Kampen.)

Joël II : la. Blaast de Bazuin.

Vrijdag, 1 Januarij 1875.

"Want duizend jaren zijn in uwe oogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is, en als eene nachtwaak. Ps. 90 : 4.

Dit Blad wordt wekelijks, des Vrijdags uitgegeven. Abonnementsprijs, per drie maanden, franco per post, door geheel het Rijk ƒ 1.50. Voor Amerika en Zuid-Afrika j 2.50. Voor Oost-Friesland ƒ2.—. Abonnementen buiten het Rijk moeten per kwartaal vóóruit worden betaald. Prijs van afzonderlijke nommers 12i ct.

Uitgever:

S. VAN VELZEN JR.

TE 'sGRAVENHAGE.

Prijs der advertentiën van 1—10 regels f 1.—; elke regel meer 10 ets. Boekhandelaars-advertentiën 3/2 maal. -— Advertentiën en bestellingen gelieve men op werkdagen vrachtvrij te adresseren aan den Drukker W. E. J. Tjeenk Willink, te Zwolle; Kerk- en Schoolnieuws, benevens in te zenden Stukken aan de Redactie te Kampen.

Alle stukken en couranten voor de Bazuin, gelieve men te zenden aan het adres van

H. DE COCK.

EEN WOORD

bij het begin van den nieuwen jaargang.

Bij vernieuwing zet ik mij om als hoofdredacteur van de Bazuin de pen op te nemen. Ik doe dit met de bede in het hart tot Hem, die Zijne hulp beloofd heeft aan allen die Hem zoeken en die nooit beschaamd heeft, die op Hem vertrouwden.

De dag waarop dit nummer verschijnt, is de eerste van het jaar 1875. En ofschoon de meeste lezers de Bazuin wel niet zullen zien voor den tweeden, of derden, bied ik* toch hun allen mijn heilwensch aan, bij den aanvang van een nieuw begonnen jaar. Wat dit jaar ons brengen zal, weten wij niet; ook is het goed, dat wij het niet weten. Onze weg is in de hand van Hem, die alle dingen regeert. Onder Zijne leiding en hoede alleen kan het ons goed zijn, kan alles ons goed wezen en zelfs het kwade ten onzen nutte medewerken. Aan die hoede en leiding beveel ik daarom al de lezers van de Bazuin en bid den Vader der barmhartigheid en deu God aller vertroosting, dat Hij ons, de geheele kerk en ook het Vaderland, Koning en Onderdaan Zijn zegen doe ondervinden.

De redactie van een blad op zich te nemen, is hetzelfde als het op zich nemen van eene groote verantwoordelijkheid. Wekelijks toch spreekt men tot eenige honderde ofduizende menschen. Men verspreidt of helpt verspreiden denkbeelden over onderwerpen van verschillenden aard; men spreekt mee over veel wat op godsdienstig eu kerkelijk gebied plaats heeft; zelfs blijven maatschappelijke en politieke belangen niet onbesproken. Men spreekt tot meer- en ook tot minder ontwikkelden ; men schrijft onder het oog van vrienden en tegenstanders. In een woord, een redacteur van een kerkelijk-godsdienstig weekblad heeft eene groole verantwoordelijkheid. Bij de vele werkzaamheden aan mijne betrekking verbonden, zou ik van deze verantwoorde¬

lijkheid wel verschoond willen blijven. Toch heeft het ook veel aanlokkelijks. Het denken en spreken van een redacteur is in vele opzichten een publiek denken en spreken, een spreken tot, en dikwijls ook met anderen. Wat hij goed, nuttig of noodig oordeelt door anderen geweten, geloofd of betracht te worden kan hij verbreiden, dwaalbegrippen en andere verkeerdheden kan hij bestrijden.

Gaarne beken ik daarom, dat ik den tijd, waarover ik beschikken kan aan niets liever wijden wil, dan aan de Bazuin. Zooal niet wekelijks, dan toch gedurig hoop ik de lezers te ontmoeten en zal mij verblijden wanneer de Bazuin ook dit jaar het hare zal mogen bijdragen tot bevordering van alles wat waar is en lieflijk en wat wel luidt.

Zonder mij tot iets te verbinden, geef ik evenwel de verzekering dat ik, wat ik kan zal aanwenden, om de Bazuin aan bare roeping te doen beantwoorden. Aangenaam zal het

mij tevens wezen wanneer ook anderen, dan de vaste medewerkers mij hiertoe willen ter zijde staan.

En hiermede geachte lezers leg ik de pen neer, in de hoop in dit jaar haar meermalen te mogen gebruiken ten nutte voor de lezers van dit blad. H. de Cock.

Separatievrees en Godsbestuur.

In langen tijd zijn de debatten over de begrooting voor de kerkgenootschappen, in onze volksvertegenwoordiging , niet zoo belangrijk geweest als in het bij 't verschijnen van dit nommer der Bazuin, reeds afgeloopen jaar.

De oorzaak hiervan was, behalve de gewichtige redevoeringen van den heer Kuyper over het beginsel der scheiding van Kerk en Staat, het amendement van den heer van den Berch van Heemstede, om mernorieposten uit te trekken, tot subsidiëering van Staatswege, van de Christelijke Gereformeerde Kerk.

Merkwaardig was het amendement met het oog op den kant van waar het Kwam.

De heer van den Berch van Heemstede wordt geacht tot de Christelijk-historische partij te behooren, welke partij anders niet gewoon is eene premie op de afscheiding uit te loven.

Merkwaardig ook met het oog op de bewijsgronden waarop het verdedigd en bestreden werd.

Zij die het verdedigden gronden zich op

de billijkheid, zoolang art. 168 der Grondwet bleef

de aanspraak op restitutie die de Chnst. Geref. gem. hebben op de bijdragen in de som van ruim twee millioen voor de kerkgenootschappen opgebracht,

de Christelijke Gereformeerden behooren tot de Hervormde gezindheid, die hier te lande voor 1815 bestond, door , vijandige behandeling zijn sommige leeraars van die gezindheid in een afgescheiden toestand geraakt en ontvangen geen lands-tractement, hoewel de Grondwet 't hun waarborgt. On¬

billijk is het dus aan de Christelijk gereformeerden te onthouden , wat men hen niet zou onthouden hebben, als zij niet afgescheiden waren;

de veerkracht der kerkgenootschappen wordt door Staatssubsidie niet gedood, wijl zij niet half toereikende is om in de behoeften te voorzien;

het is niet bewezen dat de Christelijke Gereformeerde gemeenten de subsidie zullen weigeren want in het jaarboekje der Christ. Geref. Kerk van 1874 leest men: /rAUe pogingen om stoffelijken onderstand van den Staat te verkrijgen, mislukken tot op den huidigen dag, en de Synode van 1872 heeft als beginsel het uitgesproken : geen geldelijke ondersteuning van den Staat behoort de gemeente des Heeren te eischen." Let op het woord eischen;

in een vertrouwelijk schrijven van iemand die zeer op de hoogte van de zaak is wordt de opmerking gemaakt: men zou kunnen zeggen: de Christelijke Gereformeerden willen geene bezoldiging van Staatswege. Doch de

uhnstelijk-Gereformeerde üerk, als Kerk, dat is door hare Synode, heeft dit nooit uitgesproken. De jongste Synode van Gro¬

ningen heeft uitgesproken dat zij recht eischt voor allen;

alle Christelijk-Gereformeerden denken niet dat Staatssubsidie in strijd is met Gods Woord. Er ligt een adres ter griffie van eene Christ. Geref. gem. die Staatssubsidie vraagt!

het adres van de Synodale Commissie der Christ. Geref. Kerk.

De heeren die het amendement bestreden beriepen zich bijna op de zelfde bewijzen als de heeren die het verdedigden :

het abnormale van den tegenwoordigen toestand bestaat niet daarin dat aan de Christelijk Gereformeerden subsidie onthouden wordt, maar dat ze aan andere kerkgenootschappen wordt gegeven;

de roeping van den Slaat is den abnormalen weg te verlaten , niet er verder op te gaan ;

door de Christ. Geref. Kerk subsidie te schenken zou men scheiding iu de toekomst bevorderen;

het adres van de Synodale Commissie, dat niemand zonder sympathie heeft kunnen lezen;

men zou, door het amendement aan te nemen gelden opdringen aan een kerkgenootschap dat het niet alleeq. niet verlangt, maar zelfs schadelijk acht;

de Grondwet gelast geen subsidiëering van nieuwe kerkgenootschappen ;

het adres van de Synod. Comm. waarin het beginsel van niet subsidiëering zeer duidelijk op den voorgrond gezet wordt; het besluit der Synode van 1872. Merkwaardig inzonderheid zijn de laatste woorden van den Minister van financiën, den heer van der Heim, in deze zaak gesproken : »Ik meen dat de Regeering geen grootere hulde kan brengen aan eenig kerkgenootschap of aan een ingezeten, dan door op den voorgrond te stellen dat eene in het openbaar uitgesprokene overtuiging voor dat kerkgenootschap of voor dien persoon is een levensbeginsel. Dit is hier het geval. Ik wil gaarne bekennen dat ik mijne,volle sympathie geef aan het denkbeeld dat heeft voorgezeten bij de Synode der Afgescheidene gemeenten in 1872. Ik heb dan ook met eene zekere aandoening gelezen die ferme en

fiksche verklaring , die ons terug doet denken aan onze voorouders, die ook niet kwamen bedelen om hulp, maar die wisten wat self-

help was

Indien de voorstellers van het amendement

en zij die het ondersteund hebben, werkelijk bij hun ingeslagen weg blijven volharden, laten zij dan met het eenvoudig voorstel komen om op deze en volgende begrootingen te schrappen hetgeen aan andere kerkgenootschappen gegeven wordt. Dit zou consequent zijn."

Merkwaardig is ook de naamlijst van vooren tegen stemmers.

Bijna alle liberale en conservatief-liberale leden stemden tegen.

Zonder dat bewezen was dat zij, voor wien het geld gevraagd werd, geen recht er op hadden.

Zonder dat iemand de billijkheid ook maar betwijfelde.

Niettegenstaande" der liberalen machtspreuk en politieke leuze: recht voor allen.

Moeten we dan aan opzettelijke rechtsverkrachting of volslagen onverschilligheid denken, ook bij mannen als Sinidt en van

Houten, en waren de woorden van den Minister en van den heer Mees louter ironie over de domme dweeperij der afgescheidenen ?

Ik geloof het niet.

Mijn inziens zat er achter wat ik boven dit opstel schreef: Separatievrees, vrees voor afscheiding in de toekomst.

De heer Kuyper had al dadelijk den Minister tusschen twee vuren geplaatst:

Weigert, gij, Minister, de subsidie, dan zijt gij niet neutraal; geeft gij ze, dan looft gij een premie uit op de afscheiding.

In het adres van de Synodale Commissie vond de Minister den brandladder , die hem in veiligheid bracht.

De toestand der Hervormde Kerk heeft, ook in dit geval, de politiek in betrekking tot de afgescheidenen beheerscht.

Die toestand is door en door onzuiver, in meer dan één opzicht zelfs onzedelijk. Toch deinst men voor geen middel terug om afscheiding te voorkomen. De afscheiding in 1834 heeft aan het Hervormd kerkgenootschap een gevoeligen knak gegeven. Kwam er nog eens een scheiding en wel zulk eene die de aanzienlijken en geletterden uit de Kerk deed treden, dan zaten de naturalisten duchtig met de Christelijke Kerk en hare instellingen in de war. l)e tweede scheiding te behandelen zooals men de eerste gedaan heeft is onmogelijk. Geeft men nu aan de Christelijke Gereformeerden subsidie, dan stelt men een voor den Staat gevaarlijk antecedent. Men denke aan de gemeente Moerdijk. Audere gemeenten kunnen dat voorbeeld volgen, en dan — dan kwam men in de grootste moeielijkheden. Eu daarbij, de Kamer en de Regeering hebben er reeds proefjes van gehad, met den heer Kuyper kan men niet gekscheren. Dat het amendement van antirevolutionaire zijde kwam en gesteund werd, was dat niet reeds een verschijnsel dat tot voorzichtigheid vermaande?

Die separatievrees nu is bij mannen van allerlei richting zóó sterk, dat zelfs het Wageningsch Weekblad het amendement bestrijd met de Grondwet in de hand , en met redeneeringen die de Nederlandsche maagd doen bloozen van schaamte. Ds. Buitendijk vraagt als men de Christelijke Gereformeerde Kerk subsidie geeft, inea 't dan ook niet moet doen aan de Irvingianen in den Haag? Zelfs de kleine Christ. Geref. ge¬

meente te Harderwijk zou dan ook subsidie kunnen krijgen, en voor zulk eene weelde heeft Ds. B. geen ander woord dan: overtollig! Ook volgens Ds. Buitendijk mag de Regeering geen premie stellen op 't ontstaan van afgescheiden gemeenten. Maar recht en gerechtigheid dan, waarde broeder?

Inderdaad, al mist de moderne Staatskerk ook den luister en de macht der ouderwetsche, zoolang zij voedsterheeren heeft als de heer van der Heim, wachters als de redacteur van 't Wageningsch Weekblad, eu gesteund wordt door eene aan separatiophobie lijdende volksvertegenwoordiging behoeft zij nog niet te vreezen. Alleen blijft ook voor haar de wereldgeschiedenis het wereldgericht, en de verantwoording aan Hem, die ook haar Koning en Richter is, en in wiens woord het als misdaad geteekend staat: tcat recht is kan er niet door.

Voor Christus' gemeente is echter het woord: recht, in staatkundigen zin, niet het

Sluiten