is toegevoegd aan je favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1877, no 8, 1877

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MET WEINIG VEEL TE DOEN, DAT IS DE KUNST.

na te rekenen, hoeveel men wel uitgeeft, dan kan men heel wat tot stand brengen, dan kan men den grond in menig geval wel vruchten af dwingen, die men er vroeger te vergeefsch zou hebben gezocht; dan gebeurt het niet zelden, dat langs dien weg zelfs de grond, die tot altijddurende woestheid veroordeeld scheen, als het ware ineen ommezien ineen vruchtbare tuin herschapen wordt Het is dan ook niet te verwonderen, indien velen bij zulke uitkomsten verbaasd staan en geneigd zijn menig feit van dien aard voor een half wonder aan te zien en dat menig zoogenoemd heerenboer en ontginner, die iets dergelijks heeft tot stand gebracht, inderdaad meent heel wat wonders te hebben verricht en op grond daarvan met eene zekere voldoening en heel wat zelfgevoel u een kijkje gunt, opdat gij toch zoudt bewonderen, dat, wat hij daar heeft gedaan en uwe verbazing zoudt toonen over zijn génie. En toch heeft dat alles in menig geval bitter weinig te beteekenen, zijnde uitkomsten van dien aard voor ieder verkrijgbaar, die er maar het geld voor over heeft en het zich nu eenmaal m het hoofd gezet heeft, om, wat het ook kosten moge, de zaak met dat geld te dwingen. Naar wat het hen gekost heeft, moet gij zulke lieden dan ook niet vragen en evenmin naar wat het nog verder kosten zal, om dat alles nu in dien toestand te houden, want zij gevoelen wel, dat dit lastige vragen zijn, vragen, waarbij zij in verlegenheid zouden raken. En in zoo verre is het ons ook onverschillig, of zij antwoorden of niet, want wat het antwoord zou moeten zijn, weten wij ook zonder dat, namelijk, dat als men de cijfers ging raadplegen, die hier voor den dag zouden moeten komen en men dan de zaak wilde gaan narekenen, de slotsom onzer beschouwingen wel eens geheel veranderen kon, zoodat wij niet langer bewonderen, maar integendeel tot het besluit komen zouden, dat het een vermorsen van geld was en anders niet, en dat er eigenlijk volstrekt geene kunst inzit, om op die wijze met geld alles te dwingen. IN een, nog eens, daarin ligt voorzeker geene kunst, want wat is er anders toe noodig dan eene goed gevulde beurs, zonder meer. Maar als men het geld nu maar niet zoo voor het oprapen heeft; als men wel verplicht is, om na te rekenen, welk voordeel het uitte geven kapitaal ons aanbrengen zal, als wij im het geval komen, dat wij als op onze vingers kunnen nacijferen, dat de voordeelen gering zullen zijn, zoodat wij ónmogelijk veel kunnen uitgeven en zuinigheid op den voorgrond moet staan, terwijl wij toch, als het iets geven zal, goed werk moeten daarstellen; als, wanneer wij er iets van maken zullen, goed en goedkoop hand aan hand moeten gaan, en men weet dan ten slotte met zijne geringe middelen, toch wat goeds tot stand te brengen, dan heeft men gedaan, wat den naam van kunst ver-8*

115