is toegevoegd aan je favorieten.

Landbouwkundig tijdschrift; maandblad van het Nederlandsch Genootschap voor Landbouwwetenschap, jrg 50, 1938, no 609-610, 1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn eigen terrein, maar van buiten af moet het er vrij van blijven. Na deze inleiding komen wij tot de vraag, of het agr. p.w. volmaakter kan worden, dan het thans is, doeltreffender, meer efficiënt, waarmede de rest van deze bespreking gemoeid is.

Kunnen wij ons een voorstelling maken van den omvang van wat gepubliceerd wordt? Ineen rapport, thans eenige jaren geleden aan het Ned. Gen. v. Landb. wetenschap uitgebracht, worden de volgende getallen genoemd. „Men geve zich er rekenschap van, dat b.v. het aantal aan de bibliotheek der Landbouwhoogeschool ontvangen periodieken meer dan 1000 bedraagt, terwijl bovendien ieder jaar een 2500-tal afzonderlijke boekwerken worden ingeschreven. De jaarlijksche aanwinst wordt op 125 Meter plankruimte getaxeerd, welk getal men met 15.000 moet vermenigvuldigen om het aantal pagina’s drukste krijgen, dat jaarlijks bestemd is om uiteindelijk in bruikbare kennis op landbouwgebied te worden omgezet." Tot zoover het citaat. Dat zou een aantal pagina’s zijn van 1.875.000. Als het mogelijk zou zijn per dag 500 pag. te lezen, en men zou dit een jaar kunnen volhouden, dan nog kwam men slechts tot 1/i« deel van wat jaarlijks aan genoemde bibliotheek wordt toegevoegd. Het lezen van 500 pag. per dag is op zich zelf een onmogelijkheid; men leest, van wetenschappelijk werk, gemiddeld geen 200 pag. per dag. Er is arbeidsverdeeling ontstaan, doordat men zich specialiseerde. Op begrensde terreinen zich toeleggend, tracht men daar op de hoogte te blijven. De tijden zijn voorbij, dat men, ook als wetenschappelijk werker, den geheelen landbouw kan omvaten, ook al streeft men naar synthese tusschen verwante gebieden. De wetenschappelijke werker heeft zijn speciale centraalbladen, zijn handboeken, zijn referaten-tijdschriften, zijn publicaties van literatuur overzichten. Daardoor en door voelinghouden met mede-specialisten en met instituten, kan hij, maar soms met moeite, op zijn gebied, wel bij blijven. Wat de wetenschappelijke werker betreft, hij kan aan de bron staan, en zelf als bron fungeeren. Aan wie zou het water uit die bron in eerste instantie moeten toevloeien? Aan de afgestudeerden, en aan de voorlichtende groep. De vraag is nu, kan het hun bereiken? Het kan dit uit de oorspronkelijke publicaties; het kan het daarnaast of vooral uit de referaten-periodieken. Deze laatste zijn veelal van respectabelen omvang. Een tijdschrift, maandelijks of meermaandelijks verschijnend, dat literatuur-overzichten èn als hoofdschotel referaten bevat voor onderdeden van den „Landbouw”, voor, om een voorbeeld te noemen: Voedingsleer, Plantenveredeling, Plantenziekten, komt als regel in zijn aantal pagina’s boven de 1000. Soms ver daarboven. „Forschungs-dienst”, met „Sonderhefte”, dat daarbij over zooveel mogelijk gebieden lit.-overzichten, samenvattende artikelen en referaten geeft, komt vrij ver over de jooo pagina’s. Dan zijn er jaarboeken, die het belangrijkste vermelden, o.a. naar aanleiding van gehouden congressen. De laatste „Comptes rendus” van het 5e intern. Congres van landb.-industrieën bevat 1640 pagina’s. Dan zijn er terreinen, waarop onvoldoende refereer-dienst

214