is toegevoegd aan je favorieten.

Landbouwkundig tijdschrift; maandblad van het Nederlandsch Genootschap voor Landbouwwetenschap, jrg 50, 1938, no 609-610, 1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kort zijn. Dat L. Pers Bureau zou in zich zelf moeten concentreeren, wat nu verspreid, en versnipperd, of niet, of dubbel, of in onvoldoenden samenhang of te begrensd of te duur gebeurt. Dat zou inhouden:

1. Grooter coördinatie en betere rangschikking t.o.v. publicaties, ter bereiking van meerdere uniformiteit en overzichtelijkheid. 2. Bijhouden vaneen algemeen register, om het overzicht te vergemakkelij ken. 3- Systematisch, dus vooral niet lukraak, d.w.z. georganiseerd, in samenhang, refereeren, ter aanvulling van zeer verzorgde literatuur-overzichten. _4- Deze werkzaamheid zoo inrichten, dat van daaruit de voorziening der belanghebbenden met het grootste effect kan geschieden. Dat zijn, behalve de wetenschappelijke werkers, de afgestudeerden, ook de vakbladen, en eventueel de dagbladpers. 5- Zoo noodig zijn, wat men kan noemen, bemiddelingsbureau, maar, uit het oogpunt van publicatiewezen, ook organisatievorm voor het tot zijn recht doen komen van practijk-ervaringen. De technische en financiëele consekwenties en moeilijkheden van een dergelijk plan kan ik hier moeilijk bespreken. Het is een grootsch plan, en al liggen er enkele jaren tusschen nu en toen het ontstond, het is nog niet van de baan. Ik kan er verder niet veel over maar wil er alleen op wijzen, dat het vooral beoogt, wat loopt als een roode draad door mijn uiteenzetting: i. Verbinden, wat nu verspreid geschiedt, en 2. als een lens, doelbewust richten, wat nu met steeds zijn doel bereikt; 3. verzekeren, dat alles wat van belang is, komt waar het behoort te komen; 4. verzekeren, dat het daar komt met zoo min mogelijk verspilling van krachten, en met zoo min mogelijk tegenstand. Die organisatie zou over voldoende middelen moeten beschikken. Zij zou den steun, sterken moreelen steun en hulp, van hooger hand moeten ontvangen. Zij zou zoo levenskrachtig moeten zijn, dat zij op eigen beenen en initiatief kan staan, en zich zelf in beweging kan houden, zich zelf op den duur bedruipen kan. Er zou een groot voordeel aan verbonden zijn, dat wat nu aan refereeren vrijwillig gebeurt, dan stelselmatiger en vollediger kan geschieden, volgens een dan uitvoerbaar, volledig georganiseerd, en doelbewust-gericht plan. Als wij dit plan nader bezien op wat het bedoelt, en we zien niet al te veel naar de moeilijkheden, die er zouden kunnen zijn, voor het er is, dan meen ik, dat het iets is, dat voortkomt uit bedoeling, rol en doel van het agr. p.-w. En dat het p.-w. zelf, fn zijn laatste ontwikkeling, een dergelijke organisatie doet geboren worden. Dat het de consekwentie er van is, en de volledige ontplooiing. Als wetenschappelijk werker is men verantwoord als men alleen ziet het vraagstuk, ook ineen toegepaste wetenschap. Men is steeds in dienst van practische problemen, ook als men niet op direct nut en resultaat werkt. Maar een publicatie-wezen is er niet om der wille van zich zelf ; om zoo groot mogelijke aantallen pagina’s uit te werpen, zooveel mogelijk boeken en zooveel mogelijk periodieken met zoo groot mogelijken omvang. Een agr. p.-w. heeft een roeping. Het moet een maatschappelijke groep opheffen, materieel en geestelijk.

220