is toegevoegd aan je favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1878, no 3, 1878 [Inhoudsopgave]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GRONDVERBETERING.

verschillende gronden veelvuldig aangetroffen, dat de “bodem, zooals men het noemt, geene genoegzame diepte heeft, waaronder, zooals ieder weet, eigenlijk niets,anders verstaan wordt, dan dat de bovengrond of bouwvoor te weinig diep gaat. Het is een gebrek, dat, oppervlakkig gezien, niet zoo moeielijk te verhelpen schijnt, want wat kan eenvoudiger en gemakkelijker zijn, dan den ondergrond wat dieper te ploegen en langs dien weg de bouwvoor te verdiepen, zooveel als men wenschelijk acht. Maar hoe gemakkelijk zich dit op het papier aangeven of aan het hoekje van den haard bepraten laat, toch staat het vast, dat het verdiepen van de bouwvoor langs dien weg in menigte van gevallen eene zaak is, die men waarlijk niet te licht mag tellen, daar er veel meer aan vast is, dan men doorgaans vermoedt. Het is waar, dat wanneer, het alleen een dieper houwen van den akker gold en daarmede de zaak gewonnen ware, het dan zeker heel gemakkelijk zou zijn een dieperen bodem te verkrijgen. Maar het is er verre vanaf, dat de zaak daarmede in orde zou zijn. Immers geschiedt toch bij zulk een dieper ploegen niets anders, dan dat een gedeelte van den ondergrond, van meerdere of mindere dikte,, aan de bóuwvoor wordt toegevoegd. Dat nu veel afhangt van den aard van dien ondergrond, dat spreekt vanzelf, maar gesteld nu, dat deze al zoodanig wordt bevonden, dat daarin geen bezwaar gelegen is, dan laat het zich toch niet ontkennen, dat die ondergrond, die nooit aan den invloed van licht en lucht was blootgesteld, een doode grond is, wiens toevoeging voor het oogenblik niet strekken kan, om het mengsel van den bovengrond te verbeteren, maar veeleer het tegendeel uitwerken zal. Wel krijgt men dan ook langs dien weg een dieperen bouwgrond, maar dit in zekere mate ten koste van zijn gehalte. Daarenboven mag men echter ook niet voorbijzien , dat bij al de voordeelen, die eene diepere bouwvoor oplevert, de bemesting nu ook aan die meerdere diepte moet geëvenredigd zijn. Immers, waar de bouwvoor schiaal is, en de mest, zooals op zoo menig bedrijf plaats heeft, nog nauwelijks toereikt, om haar inden toestand te houden, waarin zij oogenblikkelijk verkeert, daar kan zij, door de toevoeging van dien veelal nog schraleren ondergrond alleen, toch wel niet krachtiger en beter worden, maar behoort daar zeker nog wel iets anders bij. Het baat trouwens het gewas niet veel, of wij het magazijn van voedingsstoffen, zooals wijde bouwvoor niet ongepast kunnen noemen, al ruimer maken en vergrooten, zoo de daarin opgelegde voorraad onveranderd dezelfde blijft. Toch gebeurt het dikwijls, dat men met dit alles te weinig rekening houdt, en van daar, dat zoo menig-3*

35