is toegevoegd aan je favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1878, no 7, 1878 [Inhoudsopgave]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE REGENWORMEN EN HAAR INVLOED

Dit is tamelijk moeilijk inden weinig zamenhangenden humusgrond, wiens donkere kleur de uitwerpselen van de wormen, die van dezelfde kleur zijn, bedekt, maar betrekkelijk gemakkelijk in anders gekleurd eenigzins zamenhangend zand. Wij hebben vroeger gezegd, dat deze gangen zich diep inden grond gaan; meestal eindigen zij zonder op eenigerhande wijze van den loodrechten stand af te wijken; enkele loopen echter in horizontalen gang uit. De worm blijft daarin onbewegelijk, eenigzins ineengerold liggen, maar altijd met den kop naar boven. Langs de wanden neemt men kleine hoopjes zwarte stof waar, zonder twijfel van ulminachtigen aard, welke de worm daar nedergelegd heeft en zich door middel van den regen door den grond verspreiden. Het is een ware meststof, en men vindt er het bewijs voor, wanneer de worm den gang verlaten heeft om een anderen te graven, als wanneer de wortelvezeltjes der planten inde holte indringen en er zich snel in vermenigvuldigen en hunne zuigmondjes inde humusstof inboren. Het feit is vooral merkwaardig met betrekking tot de koornsoorten. Men kan de proeven van den Hr. Hensen herhalen, door even als hij groote glazen potten te bezigen, die men met zand vult en waarin men een half dozijn regenwormen plaatst en niet vergeet den grond met reeds half vergane bladen te bedekken. De nuttige werkzaamheid der regenwormen bestaat derhalve in het diep inden grond en den ondergrond doen doordringen van vruchtbaarmakende stoffen, die zonder haar op de oppervlakte zouden blijven en door den wind verstrooid worden. Maar hare gangen hebben ook nog eene andere nuttigheid; zij brengen lucht, d.i. zuurstof inden grond en men weet tegenwoordig, dat de zuurstof onmisbaar is voor de wortels. Zij bevorderen daarenboven het doordringen van de wortels in den grond, die zoodoende veel dieper indringen kunnen, dan zonder den arbeid der wormen mogelijk zijn zou en daar voedende stoffen en een voorraad van vocht aantreffen, dien zij nader aan de oppervlakte niet vinden zouden. Om een denkbeeld van de belangrijkheid van den arbeid der regenwormen te geven heeft de Hr. Hensen de volgende berekening gemaakt. Hij vond in zijn tuin gemiddeld 9 regenwormen op den Q voet, of iets meer dan 80 op den Q meter; daar nu een volwassen regenworm gemiddeld 3 gram weegt, d.i. 240 grammen wormen op den Q meter en 2400 kil. per H.A. Hu zouden 2400 kil. levende stof gelijk staan met een reusachtig dier of 24 dieren ieder van 100 kil., die op lederen H.A. om niet ten behoeve van den landbouwer werken. Wij stellen ons geen borg voor de berekeningen van den Hr. Hensen; alle gronden kunnen niet even rijk aan regenwormen zijn als

110