is toegevoegd aan je favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1881, no 4, 1881

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lETS OVER VEEVOEDER.

hydraten aanwezig dan eiwit en vet, zoodat men deze met krachtvoeder behoort aan te vullen. Intusschen, zal men het meeste nut van het voeder trekken, dan behoort er gezorgd te worden, dat de onderlinge verhouding tusschen eiwit-, vet- en verteerbare koolhydraten niet verbroken worde. Volgens prof. dr. A. Mayer in zijn chromographische samenstelling der landbouwproducten en grondstoffen behoort de verhouding b. v. bij melkvee te zijn als volgt: 1 kilo vet tegen 6 kilo eiwit en 31 kilo koolhydraten. Deze verhouding behoort ietwat gewijzigd te worden als rnen gaat vetmesten, als wanneer iets meer vet noodig is, terwijl jong fokvee weder een hooger eiwitgehalte vraagt. Van algemeene bekendheid is het, dat alle vee uitmuntend gedijt, wanneer het voldoend en goed of best weidegras heeft. Zulk gras bevat volgens „Staring’s Almanak” 0.4 pCt. vet, 2.4 pCt. eiwit en 10 pCt. verteerbare koolhydraten, zoodat deze verhouding vrij juist strookt met die, aangegeven door prof. Mayer. Alleen bevat gras iets te weinig koolhydraten; doch aangezien er geen weideland is waarop uitsluitend zuiver gras voorkomt, wordt dit mindergehalte aangevuld, door verschillend onkruid hetwelk arm is aan vet en eiwit, maar daarentegen meer koolhydraten bevat. Is het vee opgestald, dan doet zich al spoedig de behoefte aan bijvoeder gevoelen daar, vooral hier inde bouwstreek waar niet volop hooi kan worden toegediend. Men behoort alsdan het in het stroo enz. ontbrekende vet- en eiwitgehalte aan te vullen door bijvoeging van lijnkoek, boonen, meel van granen, enz. Wat echter de werkelijke, innerlijke waarde als veevoeder aangaat en of het gebruikte artikel ook te hoog in prijs is, om als voeder te gebruiken, ik geloof wel de meening te mogen uitspreken, dat hierover door verreweg de meeste veehouders niet, of weinig wordt nagedacht. Men gaat voort met lijnkoeken te koopen, zonder te bedenken, dat deze veel hooger worden betaald dan ze waard zijn. Evenzoo staat het met een nog al veel gebruikt wordend artikel n.l. de gerst, welke toch ook, wanneer ze geschikt is voor de pellerij, veel te duur is om als veevoeder te wTorden gebezigd. Ik zou zoo kunnen voortgaan; maar genoeg hiervan. Het hier door de h.h. L. A. L. Kortman en C°. ingevoerde en bij Gebrs. Gorter te Dokkum te bekomen Spaansch veevoeder bevat een gewaarborgd gehalte van 45 pCt. eiwit, 61/2 pCt. vet en 25 pCt. verteerbare koolhydraten. Wanneer bij scheikundig onderzoek wordt bevonden dat genoemd gehalte niet aanwezig is, wordt door genoemde firma terugbetaald; voor 1 kilo eiwit 30 ct., voor 1 kilo vet 15 ct., en voor 1 kilo koolhydraten 5 et. Deze cijfers als maatstaf en tot basis nemende, verkrijgen we een werkelijke waarde van het Spaansch veevoeder van ƒ15.725 terwijl, de 100 kilo door Gebrs. Gorter geleverd wordt a ƒ 14.00 dus ƒ 1.725 beneden waarde. Dezelfde berekening volgende, hebben de lijnkoeken gerekend naar een gehalte van 28 pCt. eiwit, 10 pCt. vet en 42 pCt. koolhydraten, zooals Starings Almanak opgeeft, een werkelijke voederwaarde van f' 12.00, terwijl door verbruikers dooreengenomen wordt betaald 14 a 16 gulden derhalve 3 a 4 gulden boven waarde. Eveneens is het gesteld met gerst en meer ander gebruikt wordend

62