is toegevoegd aan je favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1883, no 12, 1883

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE WAARDE VAN HET KEUKENZOUT VOOR HET VEE.

Het zout (chloornatrium) komt in alle vloeistoffen, weefsels en organen van het lichaam voor, en het oefent bij de voeding en het onderhoud der lichaamsdeelen een belangrijken invloed uit. Bij de stofwisseling wordt er voortdurend keukenzout met de verschillende uitwerpselen uit het lichaam verwijderd; het ontbrekende moet dus voortdurend weder aangevuld worden. Wel is waar verkrijgen de dieren, door middel van de verorberde voederplanten, vooral inde jonge en groene, eene voor de voeding volkomen voldoende hoeveelheid, en zou dan ook inde meeste gevallen een toegift van zout bij het voeder niet bepaald onmisbaar zijn, wanneer het zout uitsluitend als voedingsstof werkte. Het is echter door talrijke proefnemingen bewezen, dat de physiologische werking, de werking op alle levensverschijnselen en bij de verrichtingen van alle organen, zoowel chemisch als werktuigelijk, zeer veelzijdig is. Wordt dagelijks bij het voeder op iedere 1000 kgr. levend gewicht een hoeveelheid van 30 tot 50 gram keukenzout (1) gevoegd, dan neemt de gezamenlijke levenswerkzaamheid en daarmede de vertering van het voedsel aanmerkelijk toe; de afscheiding der vloeistoffen en sappen in het lichaam die de spijsvertering moeten te weeg brengen wordt er door bevorderd. Daarom zijn vooral ook matige toegiften van zout van groot nut bij het voederen van zwaar verteerbare voedingsstoffen, die licht storingen inde werkzaamheid der verteringsorganen veroorzaken en daardoor aanleiding tot ziekte kunnen geven. Dat de werking van het keukenzout niet zoo zeei gezocht moet worden in eene rechtstreeksche vermeerdering der voortbrenging van vleesch, vet en melk in het lichaam, maar veeleer ineen algeraeene prikkeling en opwekking tot werkzaamheid van alle lichaamsorganen, blijkt uit alle hieromtrent genomen proeven, waarvan de meest uitgebreide die van Boussingault zijn. Zes jonge stieren werden 13 maanden lang door hem aan zulk een proef onderworpen. Zij ontvingen alle hetzelfde voederrantsoen maar slechts drie er van (le Afdeeling) verkregen daarbij dagelijks 34 gram keukenzout; de drie andere (2e Afd.) kregen dit niet. Het levend gewicht der stieren inde le Afd. was na de 13 maanden slechts weinig meer toegenomen dan dat van de 2e Afd. Daarentegen was het uiterlijk aanzien en de geheele toestand, van de stieren die keukenzout ontvingen in het oogvallend gunstiger dan die der andere. De laatste bezaten veel minder levenslust, dof, ruw en borstelig haar, een langzamen gang en een koud temperament. Liebig merkt bij deze proeven van Boussingault op; „De stieren „die dagelijks zout verkregen hadden, bleven gezond, zelfs bij de „levenswijze die zij moesten leiden: gebrek aan beweging bij over„maat van voedsel; hun bloed bleef zuiver en geschikt ter voeding „van allo organen; zij ontvingen met het zout een krachtig en in „hun toestand onontbeerlijk weerstandsmiddel tegen stoornissen in „de gezondheid.” Het keukenzout veroorzaakt niet alleen een krachtiger werkzaamheid der verteringsorganen, maar het beperkt tevens den schadelijken (1) Door Settegast en anderen wordt opgegeven: 15—30 gram een stuk rundvee, 8-—l2 gram voor een paard en 4—B gram voor een schaap of varken. Bed. 12*

179