is toegevoegd aan je favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1884, no 12, 1884

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOEDERSTOFFEN OP DB GEAARDHEID VAN MELK EN BOTER.

de melkafscheiding werkt en dus niet aan melkvee mag vervoederd worden. Gerstenstroo zou, in groote hoeveelheden gebruikt, aan de boter een bitteren smaak meedeelen. 2. Aardappelen. Deze zijn, tegelijk met andere voedcrstoffcn gegeven, gekookt of gestoomd beter voor mest vee en in rauwen toestand beter voor melkvee. Voedert men meer dan hoogstens 15 Kgr. per 500 Kgr. levend gewicht op één dag en draagt men geen zorg ze met ongeveer de helft van dat gewicht, met stroohaksel te vermengen, dan zullen zij ongunstig op de kwaliteit der boter werken en dan veroorzaken dat deze hard en onsmakelijk wordt. 3. Aardperen moeten, wanneer zij niet nadeelig op de kwaliteit der boter zullen werken, in matige en geregeld afgepaste hoeveelheden gevoederd worden. 4. Wortelgewassen. Bij het voederen van 10 tot 20 Kgr. mangelwortels per dag en 500 Kgr. levend gewicht, met ongeveer de helft van dit gewicht aan stroohaksel, zouden de koeien goede vette melk en smakelijke boter geven. Gele wortels (Paardenpeen) zijn wel is waar niet merkbaar gunstig ter bevordering der melkafscheiding, maar zij zouden bewerken, dat de boter voortreffelijk wordt. Koolrapen (Knolrabi) bevorderen daarentegen zoo luidt het gevoelen wel de melkafscheiding; men kan er tot 15 Kgr. toe op een dag per 500 Kgr. levend gewicht zonder nadeel van geven. In grooter hoeveelheid verstrekt, veroorzaken zij, evenals alle Brassicasoorten, een onaangenamen, bitteren bijsmaak aan de boter. Hetzelfde zou ook het geval zijn, wanneer men een groote hoeveelheid koolrapen of knollen, die bevroren waren, tegelijk met onbeschadigd geblevene vervoedert. Door vorst beschadigde knolgewassen zouden nog met het meeste voordeel gebruikt kunnen worden, wanneer men ze inzuurt (in kuilen eenigen tijd vast ineengestampt en van de lucht afgesloten bewaart). Inden nieuweren tijd heeft men beweerd, dat het bitter worden der boter bij het voederen van koolrapen of knollen niet te vreezen is , wanneer men een toegift geeft van gekneusde Gaspeldoorn (Ulex europaeus, een bij ons nagenoeg onbekend voedergewas voor zandgrond), of van bierdraf. 5. Gebroken graan enz. Tarwe, spelt en gerst, gebroken of gekneusd, geven boter, die middelmatig van hardheid is; erwten en wikken daarentegen aanmerkelijk hardere boter; daarbij werken erwten gunstig wikken daarentegen ongunstig op de melkafscheiding. Haver levert eene weeke boter. In groote hoeveelheden vervoederd, benadeelen erwten en wikken de kwaliteit der boter. Boonen werken niet bepaald nadeelig, maar toch ook in geenerlei opzicht voordeelig op de zuivelproductie. 6. Zemels. De zemels van tarwe en spelt veroorzaken een weeke geaardheid der boter. 7. Oliezaadkoeken. Lijnkoeken geven een tamelijk harde (? Red.) Raapkoeken een weeke boter, terwijl de Palmpitkoeken in dit opzicht tusschen beide instaan. Het is niet raadzaam om van oliezaadkoeken meer dan 1 Kgr. dagelijks per 500 Kgr. levend gewicht te geven. Kaapkoeken mogen niet dan droog vervoederd worden, want weekt men ze in water, dan ontwikkelt zich een

184