is toegevoegd aan je favorieten.

Landbouw en maatschappij; officiëel orgaan van den Nationalen Bond Landbouw en Maatschappij, jrg 2, 1933-1934, no 19, 19-04-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LANDBOUW EN MAATSCHAPPIJ.

No. 19

19 April 1934. 2e jaargang.

Derde Blad.

Belangwekkende lezing van Prof. van Vuuren. Op de jaarvergadering van den Drentschen Boerenbond hield Prof. L. van Vuuren te Utrecht, een lezing over het onderwerp: De functie van het agrarisch bedrijf in het welvaartsstreven des menschen.

Ter introductie van den hooggeleerden spreker bij onze lezers, deelsn wij mede, dat Prof. van Vuuren indertijd chef is geweest van het Encyclopedisch Bureau in N.0.-Indië, waar hij veel met de vraagstukken, welke hij in deze vergadering behandelde, te maken kreeg. Na beëindiging van zijn Indische loopbaan werd Prof. van Vuuren lector aan de Amsterdamsche Gemeente-Universiteit, terwijl hij sedert 1924 te Utrecht bet h oogleeraarsa mbt bekleedt. Aan de Rijksuniversiteit inde oude Bisschopsstad doceert hij de sociale aardrijskunde. Prof. van Vuuren is Brabander van geboorte (Eindhoven) en heeft, blijkens zijn rede, een groote voorliefde voor het platteland. Wij laten den hoogieeraar thans zelf aan het woord. Ineen inleidend woord wees spr. op de schoonheid, die het Drentsche land verkregen heeft, niet het minst door de stoere kracht, het onverwoestbaar vertrouwen van ds Drentsche groep. Het is die sterke geestkracht, die zich uitspreekt in, en het eigen karakter verleende aan de bouwesschen, aan de groengronden, tusschen welke beide de scbiliderachtige dorpen gelegen zijn, orngeven door de velden en bosschen op de hoogere gronden. Vooral wie lezen kan in het opengeslagen boek der natuur, waarin de Drent zijn geheelen ontwikkelingsgang, zoowel geestelijk als materieel heeft geschreven, voor hem spreekt uit de geschetste vormen de hechte organisatie der aloude Drentsche instellingen. In zijn diepste wezen voert dit terug op de innige verbondenheid van het Drentsche volk met de natuur, met zijn land, waardoor ieder zich één voelend met, en deel uitmakend van die natuur, bözield wordt met groote liefde voor dien door de eeuwen heen, van geslacht op geslacht, bewerkten bodem. De eeuwigheidswaarden van den grond vormen den onverwoestbaren grondslag waarop de sociale structuur van de Drentsche groep door de eeuwen heen gebouwd werd. . De buurtschappen met de eigenerfden, met hunne willefceuren, tezamen vormende het Drentsche landrecht, de dingspelen en kerspelen, de schoutambten en bovenal de etstoel, het hoogste rechtscollege van het land van Drenthe, bet is al geworden in innige verbondenheid aan de eeuwigheidswaarden van den grond, onverbrekelijk daarmee verbonden, wijl, uit de inspanning des geestes om den grond tot voortbrenging te dwingen, noodwendig in dit gebied die organisatie geboren werd. « Landschapsbeeld en levenshouding. De sociale aardrijkskunde, uit welker gezichtshoek spr. zijn onderwerp: „De functie van het agrarisch bedrijf in bet welvaartsstreven des menschen” belichtte, is de jonge wetenschap, die de verschijnselen wil kennen, welke voortvloeien uit de betrekkingen welke er bestaan tusschen de menschelijke groep en het woongebied, waarin die mensohelijke groep zich georganiseerd heeft. In haar welvaartsstreven, dat inden aanvang nagenoeg uitsluitend gericht is op de instandhouding van de groep, kiest die groep een bepaald productieproces, dat volkomen aangepast is en noodwendig aangepast moet zijn, eenerzijds aan het geestelijk niveau door de groep bereikt, anderzijds aan de door de natuur geboden mogelijkheden inde gekozen woonruimte. Tusschen deze beide kanten bestaan zeer nauwe betrekkingen. De menschelijke geest, die van den aanvang af uiteraard gericht is op de herkenning van de eeuwigheidswaarden van den grond, is in staat door voortdurende inspanning des geestes, een grooter ontwikkelings- en beschavingspeil te bereiken. Binnen de gekozen woonruimte wordt de mensohelijke geest het scheppende, het omvormende, maarde woonruimte bepaalt en stelt de grenzen aan de werkzaamheid, aan de activiteit van den menschelijken geest. De geestelijke inspanning manifesteert zich inde gebruiksvormen van het gebied zelf. In het in het leven geroepen landschapsbeeld ligt eoy belangrijke kenbron voor de levenshouding van de groep. Daarin heeft iedere groep zijn geestelijke en materiëele ontwikkeling neergesehreven. De gebruiksvormen schuiven wel over elkaar heen, maar verdwijnen nooit gebed. De sociale gemeenschap. Zoo goed als iedere wetenschap, gaat de sociale aardrijkskunde uit vaneen vast beginsel: de sociale gemeenschap; de saamhoorigheid van het volk, Dit geldt zoowel ii; de

groep zelve, als tusschen de groepen onderling. Het groepsegoïsme schijnt in onze dagen juist hoogtij te vieren. Toch is de opstijging onmiskenbaar. Spr. rechtvaardigde dit optimisme door er op te wijzen, dat de msnschelijke groep uit den oerdrang tot behoud van de soort egoïstisch gericht moest zijn. De opstijging van den menschelijken geest leidde tot het begrip: het goede, ds gerechtigheid. Luid boven alle groepsegoïsme klinkt uit het woord van den beroemden Nederlander Hugo ds Groot: „dat Godin Zijn schepping onveranderlijke wetten gelegd heeft voor de menschelijke samenleving, door voor ieder volk een andere woonruimte, met eigen karakter en eigen producten en derhalve met eigen functie te bestemmen, waardoor ds volken in vresdzamen vrijen ruil der goederen de grootste mate van geluk deelachtig kunnen worden.” Hugo de Groot wees hier in ds kiem op de noodzaak van internationale samenwerking. Er lag een waarschuwing in tegen groepsegoïsme, tegen overschatting" van de beteekenis van den ruil, het ruilmiddel en de industrie. Juist deze overschatting heeft in steeds toenemende mate tot de huidige verwarring geleid. Deze verwarring, dit zoo krachtig oplevan van het groeps-egoïsme, moest onze West-Europeesche samenleving tot bescheidenheid stemmen, in dien zin, dat wij niet mogen neerzien op de pogingen die elders gedaan worden om aan de verwarring te ontkomen (Sovjet-Rusland, Italië, Ver. Staten, Duitschland). Vooral de maatregelen in Duitschland genomen gaf spr. uitvoerig weer. Deze maatregelen zijn samen te vatten inde volgende punten: 1. Totstandkoming vaneen rijkswet; 2. De ontlasting van het boerenbedrijf van alle er op rustende hypotheken en lasten om aldus afhankelijkheid van vreemd kapitaal uit te sluiten, 3. Vaststelling van prijzen der landbouwproducten, waardoor de boer niet meer onderhevig is aan schommeling van marktprijzen. 4. De uitvaardiging van de erfhofstedenwet lot instandhouding der boerenplaatsen, waari door versnippering, vervreemding en bezwa, ring der bezitting niet meer mogelijk is. (Erf■ genaam van de hofstede is de oudste zoon; i afschaffing grootgrondbezit). De spanningen zijn hierdoor nog verre van ■ opgeheven, maar het voornaamste is gelegen ; in datgene wat men principieel beoogt, n.l. . het herstel van de functie van de agrarische ! productie en daarmede, die van den boerenstand in zijn volle beteekenis voor het wel■ vaartsstreven des menschen. Daarop komt het ! in onze dagen voornamelijk aan. Oorzaken verwarring. De oorzaken van de verschijnselen, die thans . de welvaart en daarmee het beschavingsbezit . van ieder volk bedreigen, liggen inde eerste plaats daarin, dat de grootsche gedachte, welke het welvaartsstreven van ieder volk be■ trekt op de idee van de sociale gemeenschap • en de gerechtigheid een gedachte, die slechts in vervulling kan gaan met ter-zijde-stelling – van het groepsegoïsme —, volmaakt op den 1 achtergrond is geraakt door het richten van ! het welvaartsstreven op de materiëele wel> vaart. Daardoor werd en wordt aan het wei’ vaartsstreven lederen sociaal-ethiscben grond-1 slag ontnomen. – : De aanleiding tot het overschaduwen van de > aangewezen gedachte noemde spr. de lang• zaam gegroeide tegenstelling; stad—platteland. ‘ Het onverbrekelijk verband dat er moest be– staan tusschen de groep van de primaire pro; ductie (de boeren, de bewerkers van den bo-1 dem) en de groep van de secundaire functie 1 (zij die zich bezig houden met handel en 1 industrie) is verwrikt. Daarin liggen de oor-1 zaken van de verwarring. I De bewerkers van dan grond zijn het die 1 door alle eeuwen heen hun werkzaamheid van 1 geest en lichaam gericht hebben op dein• standhouding der eeuwigheidswaarden van den ‘ grond; immers daaraan was hun welvaart en > geestelijke opstijging gebonden. Agrarisch bedrijf en beschaving. Door de geweldige ontwikkeling van de industrie en de daaraan verbonden verhooging van het materieele welvaartspeil inde industri’ eele centra, heeft de meening post gevat, dat . een zuiver agrarische groep, een landbouwend j volk bij uitnemendheid, niet tot opstijging in . staat was, t Deze meening is volmaakt onjuist, Spr, wees . er daartoe op, hoe ineen reeks prachtige j landbouwgebieden tot ver inde oudheid, een beschavingspeil bestondd, zoo hoog als wij ons nauwelijks kunnen indenken. Gewezen werd op het landbouwgebied van de Yang tse ‘ Kiang in China, de Ganges in Britsch-Indië, het 5 eertijds vruchtbare gebied van den Oxus en ■ den Jaxartes (1000 j. v. Chr.), hel bekken tus; schen Euphraat en Tigris (Babylonië!), en het 1 Nijldal. In al deze gebieden woonde een zuiver landbouwend volk, dat door de natuur gewezen werd op de groote waarde: de instandhouding van de eeuwigheidswaarden van den grond • De voortdurende inspanning des geestes, het f stijgende welvaartsniveau, leidde tot verhef' fing van het sociale en cultureele niveau. Een volk groeide naar zijn land toe Het prachtigste voorbeeld, bijna dramatisch. » is het volk van Israël. Als herdersvolk leefde . bet in slavernij in Egypte, Mozes zag de get weldige beteekenis van den landbouw. Als . herdersvolk kon Israël niet verder komen. . Daarom stelde hij het volk een doel: de land-I verovering in Kanaan. Om aan zijn doel te . beantwoorden, moest zich een enorme ver* , andering in ’t volk voltrekken. Daartoe dienden . de 39 jaren inde woestijn. Het volk moest her. boren worden tot de groote gedachte van de t landbewerking. Algeheel© verandering van . mentaliteit, van sociaal-, ethisch-, religieuze begrippen was noodig. Hel volk kreeg zijn wet. , Spr, wees op de onsterfelijke waarde welke , belichaamd is in het gebod van de heiliging , van den zevenden dag. Deze dag moest worden , een inkeer tot zichzelf, ©en overschouwen van zijn daden, de dag van bezinning. Hierdoor , werd het religieuze bewustzijn voorgoed aan | de bezitname van het land gekoppeld, door , deze en andere geboden het ethische, sociale bewustzijn, onverbrekelijk verbonden aan het , agrarisch bedrijf. Na de opvoeding in het isolement, volgde met groot élan de inbazitname van den grond. Zóó groot was de drang naar ’ het bewerken van den eigen grond, dat de ! stammen zich verdeelden en er drie vestigings■ gebieden ontstonden. Eenig is dit voorbeeld in ■ de wereldgeschiedenis, Hier groeide een volk naar het land toe.

Thans staat bet Israëlietische volk opnieuw voor een beslissend moment. Het Zionisme is niet) anders dan het herleven van dien drang naar het bewerken van den eigen grond. Dat laatste kan alleen geschieden als de geheel© inwendige structuur van het Joodsche volk verandert, tot in alle vezelen van geest en lichaam, Is die structuurverandering noodig alleen voor Israël? Neen, voor alle groepen, voor de geheele tegenwoordige gemeenschap. Een Bron van ongerechtigheid. De tweede groep (secundaire groep), die haar werkzaamheden richt op het verwerken van de door de eerste groep geleverde grondstoffen, is practisoh aan geen andere grenzen gebonden dan die gesteld worden door den menschelijken geest. Zij is niet gebonden aan een eigen woongebied, aan de eigenschappen van het woongebied. Deze groep kent niet anders dan de triuraf der wetenschap en techniek. Met deze secundaire productie moest spoedig gepaard gaan een concentratie van de bevolking in bepaalde centra, in steden. Door de samenwoning was hier ©en hechtere organisatie mogelijk. Al spoedig groeide daar een hooger welvaartspeil. Dit « hoogere welvaartspeil was echler slechts mogelijk door het drukken van het gerechtvaardigde loon voor de leveranciers der grondstoffen (de boeren). Daardoor ontstond een laag loonniveau voor de primaire groep, een hèog loonniveau voor de secundaire groep (handel en Industrie). Inde steden wilde men het hoogere loonniveau handhaven, door zijn wil op te leggen aan de agrarische groep. Dat is aan de steden volkomen gelukt!! Eenerzijds door hechtere organisatievormen, anderzijds doordat U zoo richtte spr. zich tot zijn toehoorders alleen bereid zift samen te werken als de nood op het hoogste is. (Daverende toejuichingen). Dit laatste is een gevolg van ds individueel© instelling van den boer, eigen aan het bedrijf. De tweede groep heeft niet alleen het aantel deelnemers aan de bepaalde bedrijven steeds en altijd beperkt door gilden of vakverenigingen, maar zij is er tenslotte toe overgegaan in veel scherperen vorm en dikwijls met de wapens inde hand, de groep van het platteland de verwerking der eigen geproduceerde grondstoffen te verbieden! Erger nog was het geval in ethisch-socialen zin. Inde stad groeide het besef dat de materiëele welvaart, die ongetwijfeld onafwijsbare voorwaarde is voor iedere stijging des geestes, ook gelijk was met de innerlijke cultuur des menschen, of dat dus alleen die materiëele welvaart ieder beschavingspeil bepaalt. In geldbezit zag men beschaving; daarin zag men cultuur. Het zwaartepunt vyerd uitsluitend verlegd naar de materiëele welvaart. Zonder die bestond er geen geluk, meende men. Door deze begripsverwarring dus werd iedere ethische, sociale en religeuze grondslag aan de productie ontnomen. Door de eeuwen heen is de secundaire groep er steeds in geslaagd haar wil op te leggen aan de agrarische groep. Niet tot het offer bereid. Zoozeer groeide* het overwicht van de groep van de industrie en den handel, dat zij een klasse is gaan vormen, zonder eigen cultuurbezit, zonder vaderland, zonder saamhoorigheidsgevoel ten aanzien van het eigen volk, een klasse, die zich vastgegrepen heeft aan het eenmaal ten koste van de eerste groep bereikte materiëele welvaartspeil, niet meer bereid het offer, dat thans van allen wordt geeischt, te brengen. Bovenstaande zag spr. als de voornaamste oorzaak der huidige evenwichtsstoring. De spanningen hebben altijd bestaan, hebben zelfs meermalen geleid tot boerenopstanden. Steeds weer opnieuw heeft de stad haar wil aan de boerenbevolking opgelegd. De beide verschillende loonniveau’s wijzen op sociaal-econotnische structuurfouten. Openlijk wilde spr. hier verklaren, dat op dit oogenblik de verdeeling der inkomsten van de productie, het tegendeel van sociaal en ethisch, dus a-sociaal en a ethisch is. (Krachtig applaus). De strijd tusscheit twee werelden Wat voor iedere groep afzonderlijk geldt, geldt ook voor de verschillende groepen onderling. Door tal van oorzaken, waarvan de sociaal-geograaf als de voornaamste ziet de spanningen welke ontstaan zijn door de geweldige toename dar bevolking, de geringe opname-capaeiteit van arbeidskrachten inde agrarische productie, hebben zich over de geheele wereld gezien, twee gordels gevormd, die men in ruwe trekken kan aanduiden als öe industriëele gordel van de gematigde zóne (Japan, Ver. Stalen, Brittannië, België, Noord-Frankrijk, Silezië) en de tropische lahdbouwgordel, de leverancier der grondstoffen. Ds industriëele gordel is er in geslaagd zijn wil op te leggen aan den landbouwgordel, – Hier zijn wij aan het centrale probleem aangeland. Hier dringt zich de vraag op; Is er geen weg om de geweldige spanningen in juiste banen te leiden? Teneinde deze alles overheerschende vraag te beantwoorden, voerde spr. zijn gehoor terug naar het begin der 16de eeuw, den tijd waarin de verwarring begon te ontstaan. In dien tijd heeft de ruil van de tropische naar de gematigde zóne een aanvang genomen. In dien tijd'werd het systeem „werken op bestel” doorbroken. In Antwerpen werd de ondernemer geboren! Hij weet niet wat noodig is; hij werkt op risico. Daarmee is ontstaan die ongelukkige leer van de gunstige handelsbalans. Door den voorzitter, aldus Prof. van Vuuren, werd uitnemend belicht, dat men den zin voor den buitenlandschen handel niet meer begrijpt. ledere regeering blijft roepen om export, met verwaarloozing van de vraag van den import. De buitenlandsche handel is het gemakkelijkste middel, maar het middel kan nooit doel zijn om de welvaart op te voeren. De schromelijke gevolgen van de begripsverwarring zijn nog een tijdlang voorkomen, doordat de functie van de agrarische groep : nog onmisbaar was ten aanzien van de voedselvoorziening (nog weinig ontwikkeld verkeer) en door belegging van de verdiende kapitalen inden grond. Zij zetten eerst in toen o.m. door de vor• deringen van de techniek, van het transportwezen, radicaal lederen zadel ij ken en cuttureelen grondslag werd ontnomen aan de productie.

Een streng requisitoir, De idee van de sociale gemeenschap werd volmaakt op den achtergrond gedrongen door het individu, dat het best zijn eigen belang kent, het best dat eigen belang weet te bevorderen. Een individueel egoïsme, dat al spoedig leidde tot de overschatting van de materiëele welvaart, waaraan iedere sociale, ethische of cultureel© gedachte vreemd was, met name de economische opvatting van de ontwikkelingsgeschiedenis der menschheid. ledere beteekenis werd ontzegd aan de historisch gegroeide cultureel© waarde, om door inspanning van den geest, den bodem tot productie te dwingen. De natie, de vaderlandsohe bodem en dein die begrippen belichaamde zedelijke waarden moesten verdwijnen voor de internationale arbeidersmassa inde secundaire productie, die geen vaderland kent. Hier wordt definitief de verwarring van het welvaartsniveau met het beschavingsbezit voltrokken. De groep van nijverheid en handel is principiëet niet langer bereid het offer te brengen, dat de geheele produooerende groep vaneen volk en van de volkeren brengen moet ,om voor hen die niet meer (d.z. de onvolwaardigen en ouden van dagen) en voor hen die nog niet (d.z. de jeugdigen en ook de werkloozen in iedere groep onder de volkeren zijn het de niet ver genoeg gevorderden —), aan de productie kunnen deelnemen, te zorgen. Zij hebben zich vastgegrepen aan het inde centra van industrie en handel bereikte welvaartspeil en wiien dat tot geen prijs loslaten, In plaats vaneen harmonische samenwerking van nijverheid, handel en landbouw, van héél het volk derhalve en de volkeren onderling, treedt de overmacht van de eerste beide (handel en nijverheid). Het hier genoemde ideaal werd omgezet ineen strijd om de macht ten bate der secundaire productie. Richtlijn voor de toekomst. In dit requisitoir ligt tevens de eerste richtlijn voor de toekomst. ledere groep blijve volkomen autonoom in het eigen beschavingspeil, dat van zoo groote beteekenis is voor den opgang van het cultureele peil der mensohheid. Daarin moge iedere groep ieder nationalisme zich volkomen uitleven. Maar iedere groep blijve bereid tot volkomen samenwerking op hel gebied van het welvaartsstreven, dat evenzeer immers is een onafwijsbare voorwaarde der cultuur. Moedgevende gedachte. Na nog enkele problemen in het raam van zijn onderwerp betrokken te hebben, besloot spr, met te wijzen op een gedachte, die misschien moed kan schenken, en welke gelegen is in het bestaan van het Volkenbondsinstituut. Inden kiem zat dit de grondslag kunnen vormen voor ©en zedelijke, beter georganiseerde productie. Wanneer de volken kunnen geraken tot federatieve systemen, waarin met volkomen handhaving der groepen op het gebied van hel eigen beschavingsbezit en van de eigen cultuur, even volmaakte samenwerking ten aanzien van het welvaartsstreven gevonden zou kunnen worden, dan kan overal inden gedachtengang van Hugo de Groot geluk heerschen. Echter niet zonder spanningen, zonder welvaartstekorten. daar deze innig verbonden zijn aan de menschheid, verbonden aan den weg van God, Die spanningen zijn voorwaarde tot: hoogere opstijging. Een sanctie aan te wijzen om deze rechtsnormen te handhaven, was spr. niet mogelijk: die sanctie ligt in het geweten des menschen, der groepen en der volken. (Langdurig applaus). Minister Verschuur afgetreden. De ziekte van den Minister heeft dus toch ten gevolge gehad, dat hij zich genoopt heeft gezien, zijn zware taak neer te leggen. Dit aftreden kwam nog onverwachts, maar de ernstige kwaal deed ons er reeds vanaf den aanvang rekening mee houden. Afgezien van het feit, dat een ieder een spoedig en algeheel herstel zal toewenschen aan een arbeidzaam en bekwaam man als Minister Verschuur inderdaad is, is ook het aftreden ten zeerste te betreuren alleen al om de onzekerheid, die het wisselen van de leiding aan het belangrijke Departement met zich meebrengt. Immers we bevinden ons midden ineen omvorming en opbouw van zooveel op economisch terrein, waarmee de nieuwe Regeering aanstonds een aanvang heeft gemaakt. Tot voor een jaar sloegen we Minister Verschuur met zeer gemengde gevoelens gade, omdat er zoo lang door hem gehoopt werd op beterschap, dat het economisch leven schielijk en zeker wegebde door de rampzalige „open deur” politiek. Maar na 20 Juli 1933, de totstandkoming van de Landbouwcrisiswet, heeft Z.E. een activiteit ontwikkeld, die ons met oprechte waardeering mag vervullen. Dat sluit natuurlijk niet uit, dat we wat systeem en uitvoering betreft, ernstige bedenkingen hadden, die slechts in opbouwenden zin mogen worden uitgedragen, zoodat de meeste kans op verbetering wordt geschapen. Dit geldt vooral, waar meer dan eens, nog onlangs door Dr. van Rhijn ter persconferentie, de uitspraak werd gedaan, dat er geen sprake van kan zijn, dat een rende eren de landbouw zou worden bewerkstelligd, maar dat slechts gezorgd zal worden, dat de Landbouw niet ten onder gaat! Ongetwijfeld is de verlaging van meerdere richtprijzen een capitulatie geweest voor den storm van afbrekende critiek op de overheidsbemoeiing t. a. v. den Landbouw ontketend. Maarde grondgedachte en de uitbouw der uitvoerende Centrales bleven en vonden voortgang. En zoo was per saldo Minister Verschuur zoo slecht nog niet! Vooral dient dit opgemerkt, daar we niet weten, wie zijn opvolger zal zijn. Het Regeeringsbeleid in groote lijnen zal zeker weinig verandering ondergaan, maar de persoonlijke visie en mentaliteit van den | bewindsman spelen ook een rol. We vernamen reeds een gerucht, waarbij . Dr. Colijn de portefeuille ■ van Economische . Zaken zou overnemen, en een ander, denkelijk Katholiek, Minister van Koloniën zou worden. . We hebben gegronde aanwijzingen om een . dergelijke oplossing naar behooren te appre. cieeren. Maar wachten we even af. B. MEIHUIZEN.

Wordt de landbouw, in het bijzonder de veenkoloniale, voldoende gesteund, om hem in stand te houden? In Economisch-Statistisehe Berichten van 4 April komt onder bovenstaand opschrift een artikel voor van den heer M. Westeidijk. Deze komt na uitvoerige becijferingen tot da volgende conclusie; Ook bij de huidige steunmaatregelen boert de veenkoloniale boer, met de soberste leefwijze en een arbeidsprestatie, waarvan de niet-landbouwers zich moeilijk een beeld kunnen vormen, dus nog achteruit. Een verhooging van den roggesteun tot f8.50 per 100 K.G., van den steun voor fabrieksaardappelen tot 85 cent per H.L. en het treffen van maatregelen, waardoor de haverprijs op f7.50 per 100 K.G, komt, moge dan ook ernstig worden overwogen. Komt deze niet tot stand, dan zal binnen korten tijd gen loonsverlaging inde veenkoloniën onvermijdelijk zijn on dan zullen de landarbeiders dus, zonder uitzicht op eenige compensatie, een offer moeten brengen tan behoeve van de andere groepen van werknemers, die een veel hoogere bezoldiging ontvangen dan zij. De boer kan het huidige loon niet betalen zonder verlies te lijden, doch de landarbeider zal zich, en terecht, niet gemakkelijk bij een verdere verlaging neerleggen, als hij een vergelijking trekt met den loonstandaard in andere bedrijven. Indien dit, onverhoopt, tot ©en loonstrijd om het hardst inden landbouw aanleiding mocht geven, moet worden gevreesd, dat de gevolgen zeer ernstig zullen zijn. Een loonende extensieve cultuur, waarin de heer Zaalberg een oplossing ziet, is voor de veenkoloniën onmogelijk. Een nog verdere vermindering van bemesting of van de kosten, besteed aan grondbewerking, zou een daling der opbrengst tengevolge hebben, veel grooter dan de besparing, welke door extensiveering was verkregen. Noodgedrongen is de veenkoloniale landbouw reeds sedert jaren op de uiterste grens der extensiveering aangeland, maar „loonend” is het bedrijf nog zeker niet. Tenzij de veenkoloniale producten voldoenda worden gesteund of de arbeidsloonen worden verlaagd, blijft den veenkolonialen boer slechts één alternatief: alléén die oppervlakte zijner gronden in cultuur te houden, welke hij geheel met eigen arbeid kan bewerken en de rest braak !e laten liggen. Een boer zal hiertoe niet zoo gemakkelijk overgaan als een fabrikant, die een deel van zijn fabriek stillegt, indien hij niet winstgevend kan: De boer zal liever alles ontberen en zijn laatste reserves opteren, dan zijn landen niet in cultuur houden en hierin en in het feit, dat de' landbouw weder vertrouwen heeft in onze krachtige regeering, moeten de redenen worden gezocht, waaraan het te danken is, dat nog niet een groot gedeelte der gronden it» de veenkoloniën braak ligt. Met fabrieksaardappelen worden op het oogenblik inde veenkoloniën 27.500 H.A., met rogge en tarwe pl.m. 30.000 H.A. en met haver 5000 H.A. beteeld, waarvoor in totaal aan arbeidsloon een bedrag van f7.000.009 wordt uitbelaald. Dit bedrag moet nog worden vermeerderd met het loonbedrag voor transport- en industrie-arbeiders voor het vervoer en de verwerking der producten tot aardappelmeel, karton en roggemeel, alsmede met het loonbedrag begrepen inde prijzen der op de boerderij gebruikte kunstmeststoffen, machines e.d.; deze loonen bedragen zonder . twijfel eenige millioenen guldens. Met de instandhouding van den veenkolonialen landbouw is derhalve een loonbedrag van minstens f 10.000,000 gemoeid. Waarschuwingen. Inde dag- en weekbladen komen geregeld mededeelingen voor, welke waarschuwen tegen het in relatie treden met z.g.n. afbetalingszaken, voorschotbanken,1 veeverzekeringsbanken, veeaankoopbanken op crediet enz. Zij, die vaak door den nood der tijden gedreven, zich met deze zwendelzaken in verbinding stellen (en dat zijn er ondanks herhaalde waar' schuwingen nog heel wat) ervaren maar ai te spoedig, doch meestal toch nog te laat, in welk een walgelijk stinkend moeras, op welks oppervlakte de financieele bloedzuigers 1 op de loer liggen, zij zijn aangeland. Vaak worden onder de mom der philanthropie in schoonklinkende advertenties credieten aangeboden, soms vanaf f5OO, waarvan ieder kan profiteeren, zonder borgstelling, ook aan hen die overal zijn geweigerd. Wordt een dergelijk crediet aangevraagd, dan moet eerst een veel te hoog bedrag aan informatie- en bureaukosten worden betaald. ' In vele gevallen wordt dan niets meer vernomen, Doch wordt wel een crediet verleend, ' wat om onverklaarbare redenen eerst na enkele maanden zal worden uitbetaald, dan hebben de zwendelaars na zooveel maanden, weer zooveel argumenten mede te deden, dat men • gevoegelijk kan constateeren het z.g.n. voor: schotbedrag geheel kwijt te zijn. Zoo ook waarschuwde de Commissaris van Politie te Apeldoorn, één dezer dagen tegen 1 een zekeren O. Hoekstra, Brinklaan 61 ■ te Apeldoorn, Directeur van „Het Nationaal 5 Bur. de Speurder, de N.V. Zamora, de N.V. ■ Labo.” enz. Men tracht van crediteuren uit t gefailleerde ondernemingen, vorderingen te ’ koopen, met als koopsom geen contanten, doch obligaties van bovengenoemde Instellin– gen, waarvan de waarde zeer waarschijnlijk 1 wel nihil zal zijn, althans veel minder dan de ■ verkochte vorderingen. Het verschil in waarde • zal ten slotte de winst der financieele hyena's r moeten uitmaken. Vele Friesche lezers zullen zich ongetwijfeld nog de associatie van O. Hoekstra met f Jan Bangma herinneren, die indertijd inden vorm vaneen Veecredietbank, gevestigd inde t Van Swietenstraat te Leeuwarden, hun luguber bedrijf uitoefenden en waaraan menige vee-I houder zijn totalen financieelen ondergang r heeft te danken. 1 Bovengenoemde Otto Hoekstra spande ook reeds vroeger samen met het Algem. Friesch ij Administratiekantoor voor Aflosbare Waarden, e adres .Achter de Hoven No. 6, Leeuwarden, k Postbus 51, waarvan Taeke v.d. Woud on i. Hamen v.d. Woud firmanten zijn. Zeer zeker « zullen ze ook nu bij de uitoefening van hun ■* zwendelpraktijken elkander de hand kunnen reiken. Hij die deze deure binnentreed, laat ieder3 hope varen.” S. VELLINOA,

Prof. L. VAN VUUREN.