is toegevoegd aan je favorieten.

Landbouw en maatschappij; officiëel orgaan van den Nationalen Bond Landbouw en Maatschappij, jrg 3, 1934-1935, 21-03-1935

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

21 Maart 1935. 3e Jaargang. LANDBOUW EN MAATSCHAPPIJ. No 33. Derde B'ad

De begroeting van het Landbouwcrisisfonds. f ■ Inde Tweede Kamer. –

11. In ons vorig nummer namen we vrij uitvoerige verslagen op van de redevoeringen der heeren v.d. Sluis, Weitkamp, Louwes en Van Voorst tot Voorst. Zij het wat korter, zullen we thans ook de andere heeren, die bij de algemeen© beschouwingen over bovengenoemde begroeting het Woord voerden, aan het woord laten. Nog vóór den heer Van Voorst, was Vrijdags gesproken door de heeren BAKKER (C.H.) en HIEMSTRA (S.D.A.P.). De heer Bakker wilde het stemming maken ' vóór en tegen de Regeeringsmaatregelen in drieërlei opzicht bespreken. Ten aanzien van het bedrag van 200 millioen gulden dat den landbouw door de regeeringstnaatregelen zou worden verstrekt, wijst spr. er °p, dat dit bedrag ten onrechte wordt geklopt uit de zakken van hen, die niet bij den landbouw zijn betrokken en wordt overgehe-Veld naar de zakken van hen, die daarbij wel zijn betrokken. Soms heersdht nog de meening, dat dit geld voor een deel uit de Staatskas komt. Daarbij komt dan nog, dat men het Vooral van industrieel© zijde voorstelt, alsof de landbouw verre bevoordeeld wordt boven Olie andere bedrijven. Wat de fictie van die 200 millioen betreft, Vestig ik er de aandacht op, dat de Regeering Voor den landbouw eigenlijk nog niets anders heeft gedaan, dan wat de bestaande bedrijfsorganisaties tot beschutting harer bedrijven hebben gedaan. Omdat het den landbouw aan een volkomen technische organisatie ontbreekt °m een deel van de productiekosten te kunnen verhalen op de gemeenschap, heeft de Regiering getracht door haar maatregelen den Weg daartoe voor den landbouw te effenen en dat op deze wijze het bedrijf gesteund wordt, terwijl men niet kan zeggen, dat de steun voor den landbouwer persoonlijk is bestemd, Spr. wijst er voorts op, dat de industrie eveneens gesteund wordt en wel door condtigenteering e.d. Ware dit in cijfers uitte drukken, dan zou misschien blijken, dat de industrie niet minder steun geniet dan de landbouw. Maar niet alleen uit de Industrieele groepen, Ook in landbouwkringen zelf kweekt men de Stemming tegen den landbouwsteun aan; eerlijkheidshalve meen ik daarop ditmaal ook even 0» aandacht te moeten vestigen. Wanneer In ■Sidbouwkringen de eisoh opgaat, dat de Regiering verplicht is het landbouwbedrijf zoodanig te steunen, dat de volledig© productiekosten verhaald zouden kunnen worden op de gemeenschap, zoodat op die wijze nog een voldoende belooning zou ©verschieten voor den landbouwer, dan meen ik, dat men door het stellen van dergelijke eischen in dezen tijd solf ook stemming tegen den landbouwsteun kweekt, omdat men weet, dat de Regeering daartoe niet bij machte is en dat dit ook niet h* haar bedoeling ligt. In haar bedoeling Egt Siteen, den Landbouw door den nood heen te helpen en te trachten inde toekomst voor den |endbouw ©en levensmogelijkheid te scheppen. u°k in landbouwkringen moet men mJ. zeer Voorzichtig zijn, niet tot verzet tegen den steun ?P te wekken. Wat is eigenlijk een volle beloning? Dat is een vraag, waarop ik geen

antwoord kan geven en waarop men inde kringen van den landbouw ook geen antwoord zal geven, omdat nu reeds blijkt, dat bij den tegenwoordigen landbouwsteun, die nog volkomen onvoldoende is, desondanks de pachtprijzen hier en daar nog stijgen, zoodat dit verschijnsel bij hoogeren steun nog verder zidh zou openbaren. Wanneer nu de Regeering bij machte was ik zou dat wel wenschen de volle productiekosten te verhalen op de gemeenschap, dan zou men zien hoe geweldig de pachtprijzen zouden stijgen; ik ben overtuigd, dat ook bij een goede Pachtwet, die ik dringend noodzakelijk acht, dergelijke excessen niet zouden kunnen worden uitgeschakeld. Spr. kant zich tegen de bewering van den heer v.d. Sluis, waarbij deze o.m. heeft gezegd, dat zelfs de rechtspositie van den hond was geregeld, maar die van den pachter niet. De beer v.d. Sluis, aldus spr., heeft alleen rekening gehouden met de enkele honden die zijn overgebleven, maar het overgroote deel is verdronken zonder rechtspositie. Ook vindt spr. de opmerking van den heer v.d. Sluis, als zou het grondkapitaal den landbouwsteun geheel opslokken, zeer ten onrechte geplaatst. Spr. meende ten sterkste te moeten protesteeren tegen de meening van verscheidene leden, als zou moeten worden aangedrongen op vermindering van den steun aan den landbouw. Verder gelooft spr. dat wanneer men toch van aanpassing wil spreken, wij gedwongen zullen zijn, gezien den internationalen toestand, met onzen landbouw eemgszins de richting van autarkie in te Slaan. Verder vraagt spr. of de landarbeiders wel datgene ontvangen, waarop zij recht hebben. Tenslotte stelt spr. de vraag of men de steunmaatregelen enkel moet zien als zijnde van materieelen aard, om den landbouw stoffelijk weer op hooger peil te brengen, of dat men ook den ideëelen kant daarvan moet beschouwen. Spr. gelooft dat op deze laatste gedlaChte zeer sterk de aandaCht moet warden gevestigd daar de Regeering het doel voor heeft, de landbouwers ook in ander opzicht op hooger peil te brengen. Moet men de reigeeringsmaatregelen niet zien als voorbereiding tot een organisatie, die het inde toekomst aan het landbouwbedrijf mogelijk zal maken, om volgens een bij de wet te stellen norm de productiekosten te verhalen op de gemeenschap ?, vraagt spr. De heer HIEMSTRA sluit zich aan bij degenen, die maatregelen op korten termijn hebben gevraagd tegen pachtopdrijving en ter vermindering van de hypotheekrente. Verder meent spr., dat de minister zich wel eens te veel laat drijven door hen, die den landbouwsteun uit den booze achten, of die dien steun voor een belangrijk deel naar omlaag willen brengen. De verlaging van den steun voor tarwe en peulvruchten ziet spr. als resultaat van dit drijven. Vervolgens geeft spr. den minister in overweging: 1°- of nog niet op de een of andere wijze den pluimveehouders tegemoet kan worden gekomen; 20. of de arbeiders werkzaam inde coöperatieve zuivelfabrieken niet inde bemoeiingen van den minister ten aanzien van het overleg en de bepalingen van het Crisisbesluit kunnen

aan de mogelijkheid om te exporteeren. Wij heften op het o ogenblik, zoo vervolgt spr., ook op voedergranen een monopolleheffing van, in het algemeen, f1.50 per 100 k.g., maarde opbrengst van deze heffing wordt nu gebruikt om andermaal den akkerbouw te steunen inden vorm vaneen productiepremie. Het is niet te ontkennen, dat deze heffing op zich zelf een last legt op de veehouderij. Vervolgens herinnert spr. er aan, dat indertijd de heer Colijn als minister van Economische Zaken a.i. in deze Kamer heeft gezegd, dat die richtprijs voor de melk, die men zich vroeger voorstelde B‘/* of 6 cent te zullen bedragen, niet te bereiken was en dat de veehouders verstandig zouden doen zich dat uit het hoofd te zetten. Nu wordt ook inde Memorie van Antwoord door den Minister erkend, dat ondanks de steunmaatregelen ten bate van de veehouderij inderdaad erkend moet worden, dat geen prijs voor de melk bereikt kan worden, die de productiekosten te boven gaat, maar met dit te erkennen geeft de Regeering feitelijk toe, dat het stelsel, dat op het oogenblik wordt toegepast, onredelijk is en feitelijk onhoudbaar is geworden. Dan kan men daaraan niet blijvend vasthouden, zonder onredelijk te worden tegenover den belangrijksten bedrijfstak van onzen landbouw. Naar spr.’s overtuiging moet er dus op het oogenblik worden uitgezien naar een ander stelsel Nu wil de Regeering niet weten van oompenseerende heffingen, het blijkt uit de Memorie van Antwoord, maar ik moet, aldus spr. toch zeggen, dat op dit punt de Memorie van Antwoord niet zeer overtuigend is. Spr. wil graag toegeven, dat ook aan het stelsel van het heffen van compenseerende rechten nadoelen verbonden zijn. Aan ieder stelsel zijn nadeelen verbonden, zoo ongetwijfeld ook aan dit stelsel. Ook bij dat stelsel zullen ambtelijke bemoeiingen niet geheel achterwege kunnen blijven. Er zijn echter onge-

twijfeld ook groote voordooien aan verbonden. Zonder twijfel zullen dan de ambtetijke bemoeiingen ten opzichte van den landbouw heel wat kleiner kunnen worden en zal een groot gedeelte zich automatisch regelen, waar nu het effect moet worden verkregen door ambtelijk ingrijpen. Ten opzichte van minder belangrijke rechten zal dan hoogstwaarschijnlijk een Regeeringsingrijpen achterwege kunnen blijven. Wat de tarweregelmg betreft is spr. van oordeel, dat we deze aanvankelijk in stand zouden kunnen houden. Maar daarnaast zou spr. graag willen, dat de minister bereid zou zijn met zijn adviseurs dit vraagstuk te overwegen. Men moet dat dan doen zonder vooringenomenheid en ik meen, aldus spr., inderdaad te mogen constateeren, dat op dit punt de Memorie van Antwoord blijk geeft vaneen zeker vooroordeel. Zoo moet het vraagstuk niet bezien worden. Men moet bereid zijn ten volle de argumenten van zijn tegenstander, om het zoo te noemen, tot hun recht te doen komen; men moet zich in dat andere stelsel indenken en geen argumenten naar voren brengen, die blijk geven toch inderdaad niet steekhoudend te zijn, zooals spr. meent bewezen te hebben, en die blijk geven vaneen zekere tegeningenomenheid. Spr. hoopt dat de minister bereid zal zijn zonder vooroordeel dit vraagstuk onder oogen te zien. De heer VAN RAPPARD wil zich inde eerste plaats aansluiten bij de woorden van den heer Bierema inzake het systeem Landbouw en Maatschappij. Vervolgens schenkt spr. zijn aandacht aan den nood, waarin de kleine boeren verkeeren. Een beter middel om aan den nood der kleine boeren tegemoet te komen, is; maak een uitzondering op den algemeenen regel, steun aan do bedrijven en geen individueele steun op eiken regel bestaat een uitzondering en geef dien kleinen boertjes een beetje geld in het handje, om het eens eenvoudig uitte

tot Huis en Hof verdreven Een greep uit het boerenleven dezer dagen. (Alle rechten voorbehouden) XXXIII. ..Een vaarskalf”, zei Stoters. , ..Altijd nog liever dan een stier”, zei Beukers. Stoters en Koos namen het Jonge diertje bij de pooten en droegen het naar een achter inden stal, dat ze gemaakt had-Qen vaneen paar stroopakken. -» Wrijf het maar goed droog af”, zei Sloets tot Koos, „en laat de koe eerst maar listen, want die is doodop. Overeen uur Jjpnen we haar wel melken”, en zich tot *hkers wendende: „Ik ben tot je dienst man!” »Ja” zei Beukers, „wat ik je te zeggen heb, ** niet ineen paar woorden af te doen.” "Bat bedoel ik ook niet”, zei Stoters, ,jök , °u er mee zeggen, dat ik nu wei den tijd! 6m om met je te praten. Kom, laten wij , nze handen eerst wasschen en dan in die amer gaan. Op zoo’n vaarskalf kan ook wel ®n borrel bestaan.” Onder de pomp waschten ze flink de hanv®n- Stoters trok zijn staljasje uit en ging ankers voor naar de kamer. , »Hoe gaat het met de vrouw?”, vroeg Beuers onderweg aan Sloters. "O, dat lijkt al heel wat beter”, zei Stoters, ïf® is nog wel niet de oude, maar ze Is al bed ®t aangesterkt.” j, »Zoo zoo. Nu, daar ben ik blij mee”, zei ankers hartelijk. ~e stapten de kamer binnen. ZoAt °UW”J z®i Sloters, „we hebben nog begekregen. Ik hoop dat de koffie nog niet jj. ud is, want Beukers heeft ze wel al ver- Hij heeft ons flink geholpen bij de koe.” h, rouw Sloters keek verbaasd naar Beukers, ar ze was ook nieuwsgierig naar het kalf dan ook direct, nadat ze Beukers genavond gewenscht had: „Wat is het?” »Eea vaarskalf, vrouw Sloters. Je man is

gelukkig. Van zoo’n prachtige koe had ik ook liefst een vaarskalf”, zei Beukers, Sloters schonk de koffie in en Beukers onderhield zich met vrouw Sloters over haar ziekte. Hij informeerde belangstellend en luisterde aandachtig .Sloters mengde zich in het gesprek en zoo ging een beele tijd voorbij, zonder dat Sloters of zijn vrouw begreep, wat het doel van de komst van Beukers toch wel zijn zou. Eensklaps keek Beukers in het rond en zocht naar de klok. Drommels, al bij half tien”, zei hij, „het wordt langzaam aan bedtijd.” Vrouw Sloters voelde zich vermoeid en hoe aangenaam ze den bezoeker ook vond, ze zou nu wel gaarne zien, dat hij vertrok. Beukers schoof onrustig op zijn stoel heen en weer en werd nog zenuwachtiger toen hij, zag dat Sloters hem aandachtig aankeek, want deze zat ook op heete kolen en dacht: „Nu komt het.” „Wat doet Koos nog steeds in dien sta!?” vroeg vrouw Sloters, om toch maar wat te zeggen. „Laat hem hier komen.” „O, dus dan weten jullie het ook al?”, vroeg Beukers, alsof hem een pak van het hart genomen werd. „Wat weten?” vroeg Sloters verwonderd. „Ik begrijp u niet?” zei vrouw Sloters even verbaasd. „Nu, wat heb Ik er nou aan”, riep Beukers. „Jullie riepen Koos toch?” „Ja”, zei vrouw Sloters, „Koos behoeft den heelen avond toch niet inden stal te zitten. Hij kan toch gerust inde kamer komen?” „O, meent u dat zoo. En ik dacht juist, omdat u hem hier hebben wilde, dat jullie het al wisten.” „Ja weten, wat zouden wij dan weten?”, vroegen Sloters en de vrouw, die hoe langer hoe minder de bedoeling van Beukers’ woorden begrepen. „Wel nou, ik begrijp het dan wel, waarom Koos daar achter blijft”, zei Beukers weer. Sloters en de vrouw moesten lachen, of ze wilden of niet.

worden betrokken. Ook spr. vindt, dat erkend moet worden, dat de steunmaatregelen voor land- en tuinbouw niet in alle opzichten het effect hebben gehad, dat men er van verwachtte. Tenslotte wijst spr. nog met een enkel woord op de positie van den kleinen boer. De minister, adus spr., wijst er inde Memorie van Antwoord op, dat een belangrijk deel hunner vroeger leefden van de opbrengst van hun bedrijfje en van hetgeen in loondienst werd verdiend. Dat is juist, voor een deel. Een belangrijk deel van de kleine boeren was vroeger in staat door hun bedrijf in hun levensonderhoud te voorzien, toen de prijzen belangrijk beter waren. Dat kunnen zij nu niet, omdat de prijzen laag zijn. Nu geloof ik, dat wij voor deze kleine boeren iets anders moeten vinden. Ik zou het hierin willen vinden, dat de minister bereid zou zijn met zijn ambtgenoot van Sociale Zakenoverleg te plegen om aan deze kleine boeren naast den indirecten steun, dien zij krijgen, te geven directen steun, om te maken, dat zij in het bedrijf kunnen blijven. De heer LOVINK is het met den minister eens, dat het vraagstuk der vaste lasten een fundamenteel onderdeel vormt van de te voeren Landbouwpolitiek, maar zou gaarne vernemen, wanneer nu eigenlijk een beslissing over deze aangelegenheid te wachten is. De heer BIEREMA zegt, dat zonder de genomen maatregelen onze land- en tuinbouw ongetwijfeld ineen zouden zijn gestort. Voorts wijst spr. er op, dat men de vorige crisis inde tachtiger jaren, te boven is gekomen dooreen totale omsteil'ing van ons landbouwbedrijf. Verder ontkent spr. ten stelligste de waarheid van de bewering, als zouden de havensteden gedupeerd worden door de maatregelen, die door de Regeering worden getroffen. Naar spr.’s meening verwart men hier oorzaak en gevolg. Niet de steunmaatregelen van de Regeering zijn oorzaak, dat onze havensteden inde verdrukking komen, maar het feit, dat het stelsel van het uitwisselen van landbouwproducten naar het buitenland, door de maatregelen van het buitenland ónmogelijk is geworden, is de primaire oorzaak van deze moeilijkheden. Zonder steunmaatregelen ten bate van den landbouw zouden de moeilijkheden voor de groote steden waarschijnlijk nog veel grooter zijn. Spr. sluit zich aan bij de woorden van den heer Van Voorst tot Voorst, wat betreft het ambtenaren-apparaat, dat van bovenaf in het bedrijfsleven heeft ingegrepen en dat men decreteert, op welke wijze de menschen het bedrijf moeten uitoefenen. Naar spr.’s overtuiging ordt inde bedrijfsvrijheid van de ondernemers veel meer ingegrepen dan wenschelijk en noodig is. De vraag ligt voor de hand of men niet gemakhelijker, automatisch, hetzelfde doel, dat de Regeering voor oogen staat, kan bereiken door een zekere prijszetting. Spr. stelt zich voor, dat dit mogelijk zou zijn door het heffen van compenseerende invoerrechten. De opbrengst van die compenseerende heffing zou dan moeten worden gebruikt om de producten van de veehouderij te steunen inde eerste plaats bij den uitvoer, want ook naar spr.’s overtuiging moet er de grootste aandacht aan worden geschonken, om te trachten onzen uitvoer zooveel mogelijk op peil te houden. Niemand kan nu nog met zekerheid zeggen wat de toekomst brengt. Het is natuurlijk denkbaar, dat binnen een niet te groot aantal jaren het ruilverkeer van vroeger zich gedeeltelijk zal herstellen en dan is het zeker wensdielijk, dat wij paraat zijn gebleven. De toestand is op het oogenblik zoo, dat, wanneer de betalingsmoeilijkheden met Duitschland niet waren gekomen, op het oogenblik de producten van onze zuivel weer pp groote schaal naar onze oostelijke buren zouden kunnen worden afgezet. Het is dus wenschelijk ook inde toekomst groote aandacht te blijven schenken INGEZONDEN MËDEDEELING. Aparte collectie Damesstoffen Willen U gaarne onze soorten toonen. Bericht U ons even ? Fa. I. JAKOBS Hzn. – Emmen GRATIS KNIPPEN. Beukers, die geërgerd was over zich zelf, riep luid: „Ja, ik weet wel waarom die drommelsche jongen niet komt. Hij durft niet.” Sloters bulderde van den lach. „Hij durft niet, zeg ik je”, riep Beukers nog luider, „om mij niet.... want..... .ik heb hem wat te vertellen.” Sloters kon het niet helpen en lachte aan één stuk door. Als hij eindelijk wat tot bedaren kwam stelde hij Beukers voor om nu maar een borrel te nemen op het nieuwe kalfje. Hij haalde uiteen kast een paar glaasjes en een karafje, waaruit hij voor hen beiden een borrel schonk. Beukers’ gramstorig gezicht klaarde weer wat op en hij, was de eerste die zijn glaasje aansprak. Met de lippen smakkend, terwijl hij de tong door de mondhoeken liet glijden, hervatte hij het gesprek, door weer met de vraag te komen: „Weten jullie dan werkelijk van niets?” Sloters’ mond plooide zich weer tot dien lach, maar vrouw Sloters zei met ernst in haar stem: „Beukers,, man, geloof mij,, wij weten niets; wij begrijpen beslist niet wat het doel van uw komst is.” „Ja” zei Beukers en krabde zich achter het oor, „hoe moet ik er dan met aan?” Hij wist niet hoe hij zijn geval zou voorbereiden en daarom nam hij nog eerst maar een teug uit zijn glaasje. Zijn lippen afvegend, sprak hij eensklaps resoluut: „Martje moet trouwen.” „Moet je dochter trouwen Beukers?” vroeg vrouw Sloters ongelooflijk. „Martje? En met wie dan?” vroeg Sloters onschuldig. „Dekselsche kerel, vraag je ook nog met wie?”, viel Beukers weer nijdig uit. „Snap je dan nog niet met wie? Ik ging je dat toch zeker niet het eerst aan dan neus hangen, als jouw jongen daar geen handje in het spel gehad had?” „Koos?”, vroeg vrouw Sloters. „Och, och, die jongen toch.” „Die ellendeling!”, riep Sloters opspringende, „wacht, nu zal hij direct hier komen.”

Hij opende de kamerdeur en riep zoo hard als hij kon naar den stal: „Koos, Koos!” Er kwam geen antwoord en daarom ging hij den stal maar in. Bij het openen van de staldeur hoorde hij wat Koos uitvoerde. Die zat ijverig te melken onder de gekalfde koe. Hij molk alsof zijn leven er vanaf hing en had een hoofd als vuur. Stoters zijn drift was in den stal overgegaan ineen stille vreugde en met een glimlach op zijn breed gelaat zei hij; „Koos, Beukers wilde eens met Je praten.” „Ja, dat geloof ik graag" zei Koos, „maar ik heb er niet veel lust in.” „Ooh kom, dat zal nog wel meevallen. Jij hebt wat gedaan jongen, waarvoor je ook staan moet, dat is nu eenmaal niet anders. Heb je de koe gauw uit?” „Nou, dat kan nog wel even duren, ik ben nog niet zoo heel lang bezig.” „Melk haar maar eerst uit en kom dan maar bij ons. Ik zal het met die oude wel klaar spelen”, zei Sloters, die zich vergenoegd de handen wrijvende weer naar de woonkamer begaf. Daar had Beukers inmiddels verslag uitgebracht aan vrouw Sloters, hoe ze tot de ontdekking waren gekomen, dat het „niet goed” met Martje was. Haar moeder had haar onder verhoor genomen en eindelijk was het hooge woord er uit gekomen, diat ze verwachtte moeder te worden. Ze had eerst niet durven zeggen van wie, doch eindelijk had ze Koos genoemd. Vrouw Beukers had er veel onder te doen gehad, doch berustte er nu in, want er was toch niets aan te veranderen. Ook Beukers had liever gezien dat Martje „netter" getrouwd was, maar toch was Beukers blij, dat het Koos nog was, want nog erger zou het geweest zijn, als ze van den eersten den besten knecht had moeten bevallen. Vrouw Sloters, die zich zeer vermoeid gevoelde door het lang opblijven, hoorde Beukers geduldig aan en was Inwendig blij dat Koos Martje zou krijgen, al was het dan ook niet op een manier, zooals ze liever had gezien.

Stoters kwam juist binnen, toen Beukers uitgepraat was. „Waar is de kwajongen?”, vroeg Beukers, daar hij Koos niet zag. „O, die is aan het melken. Hij zei dat ht| zoo zou komen, maar eerst het melken gedaan wilde maken”, zei Stoters, die het kistje sigaren nu van den schoorsteenmantel haalde. Daar de glaasjes leeg stonden, vuldle hij die ook meteen, want hij dacht bij zich zelf, dat Beukers1 bezoek wel een extra borrel waard was. „Maar wat moeten we nu met die kindere?” vroeg Beukers. „Trouwen laten natuurlijk" stelde Stoters voor. „Dat is nog al glad. Dat zal wel moeten ook”, zei Beukers, die nu begon na te denken. „Of staat de partij u niet aan?” vroeg vrouw Stoters, die Beukers’ ernstig gelaat bestudeerde. „Och” zei Beukers, „kijk eens, vrouw Stoters. Ik wil niet verholen, dat mijn meisje en uw jongen eigenlijk niet bij elkaar hooren. Wij zijn nogal kerkdijk nietwaar? Ik heb mijn dochter stichtelijk in eer en deugd opgevoed. Ik meende dlat ze godvruchtig was en dan is het hard voor een oudler, zoo tot ontgoocheling gebracht te worden.” „Ja, dat is waar Beukers” zei vrouw Stoters, terwijl haar man eens aan zijn glas tipte. Met verheffing van stem ging Beukers voort: „Jullie zijn niet zoo stichtelijk, jullie zijn weréldscher dan mijn vrouw en ik. En Koos js een jongen, die niet weet hoe een kerk er eigenlijk van binnen we! uit ziet. Dat zijn niet te onderschatten tegenstellingen.” Zijn stem werd zachter en hij trok eens met de schouders. „Wat zal ik er eigenlijk verder van zeggen, vrouw Stoters, ’t Is nu eenmaal niet anders. Wat God vereenigt kan de mensoh niet scheiden, nietwaar? ’tZal wel zoo voorbeschikt zijn, anders was het niet gebeurd. En men moet er dan maar vrede mee hebben.” Verlidht over zijn relaas dronk hij zijn glas leeg. (Wordt vervolgd).

— – Door de melkbrood-propaganda zullen de bewoners van het platteland en de steden elkander beter leeren begrijpen. Hebt gij hiertoe het uwe bijgedragen ? Indien dit nog niet het geval \ neemt dan nog heden uw besluit: EE3X MELKBROOD ! fcl ï i ' ■■ i

INGEZONDEN MEDEDEELING. BAROMETERS Rond model – Schaal 110 m/m Prima werk – Solide kast Met volle garantie C pu franco per post . . VjrlU. JOH. REPKO – Winschoten