is toegevoegd aan je favorieten.

Landbouw en maatschappij; officiëel orgaan van den Nationalen Bond Landbouw en Maatschappij, jrg 3, 1934-1935, no 48, 04-07-1935

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4 Juli 1935. 3e jaargang.

I Het offer. Plattelandsjeugd! Uw leven moei staan in het teeken van het offer. Het Hoofdbestuur van L. en M. meent in ieder nummer van het jeugdblad op déze plaats een offer van U te mogen vragen (Zie vervolg rechts).

Bij de wieg van de jeugdpagina. In diverse toonaarden kwamen in die* laatste maande» brieven bij ons binnen, waaruit tot ons sprak de drang van de jeugd om de beschikking te mogen ontvangen overeen bijlage hij ons blad. Hoewel we tot invoering daarvan natuurlijk genegen waren, brachten toch diverse omstandigheden met zich mede, dal de maand Juli eerst haar intrede moest doen alvorens tot uitvoering van bet uitstekende plan kon worden overgegaan. Thans zijn we zoo ver. Wij bieden hierbij de eerste proeve van onze jeugdpagina aan in het volle besef, dat we er daarmee niet zijn. Dankbaar waren we zoovelen bereid te vinden een bijdrage té zenden. Dankbaar zullen we zijn, tndieit we op hun blijvenden steun zullen kimmen rekenen. Dankbaarder echter zijn we wanneer de Jeugd zélve, gegrepen door het machtige ideaal, dat Landbouw en Maatschappij zich heeft gesteld, met jljver en toewijding zich geeft aan haar nieuwe taak, zich in dienst stelt van den nieuwe» geest, die meer en meer dén plattelander doet oprijzen uil zijn toestand van- berusting en slavernij. Die den plattelander weer loont, dat hij Irotsch moet zijn op zijn afkomst, dal hij als dra- Eder cultuur een taak heeft te vemilr in het maatschappelijk raderwerk. -We verheugen ons over den nieuwen Ifjpest, welke zich vooral ook meer en meer begint te ontplooien onder de jongeren. Van harte hope» wij, dat onze Jeugdpagina er toe moge bijdragen, dat het aantal jeugdclubs steeds grooter moge worden en de innerlijke kracht van al die clubs en vooral ook van de pioniers steeds sterker. Tot de pioniers behoor ren de jeugdclubs te Rolde, iWachtum, Eexterveen, Zweeloo, Armen, Eext, Grot k», Ruinen, Dwingeloo, Gasteren, Norg en Ecxter- en Gieter-Z and voort. Mogelijk zijn er reeds meer. We weten ook, dat hier fhtbs bij zijn van bijkans 300 leden. Boerenzoons, dochters, meiden en knechts, zij allen tezamen vormen de jeugd van het platteland. Voor hen allen ligt een schoone taak. Mogen zij meer en meer deze taak begrijpen en moge onze Jeugdpagina daaraan krachligen steun verleenen. JAC. TER HAARI Bondslied voar de Jeugdorganisatie van L. en M. in Drenthe. 1. wy allen, ferme, flinke knapen En meisjes van het Drentsch platteland, Wij treden In één bond tezamen Tot heil der boerenstand. Het donk’re toekomstbeeld Dat ons is toebedeeld, Dat willen we tot eiken prys bestryden Met vuur en kracht, voor ’tleed dat ons [nog wacht. 2. De lasten die onz’ Ouders drukken, zy dalen neer straks op het jong’ geslacht, De jeugd, waarvan een leder Ouder Steeds wonderen verwacht. Toon daarom dag aan dag Wat Jonge kracht vermag, [schragen Help mee het landbouw-fundament te Tot heil van ’tland. En heel de boerenstand. 8. Het schreeuwend onrecht ons beschoren Als burgers van het één- en zelfde ryk, Het voert ons boeren steeds maar verder En vaster fn het siyk. Daarom In vast verbond Dat ’t klinkt uit leders mond, Helpt mee, dat schreeuwend onrecht te [herstellen in één gevoel. Op voor het schoone doel. 4. Wy blijven vast aaneengesloten Als leden van Landbouw en Maatschappy. Komt vrienden open oog en ooren Blult U in deze ry. Door eendracht meerder macht. Daarin schuilt onze kracht. Help, in eendrachtig streven te bereiken Smld’s ideaal, ons aller zegepraal. Westervelde, Norg. A. MULDER. (Bovenstaande proeve vaneen bondslied aten wede volgende keer volgen dooreen, «eschreven door den heer A. v.d. Marei 6 Hoofddorp. Red.)

{Taak en wezen van onzen jongen boerenstand Een van de merkwaardige verscbijnseten'vaj I dezen lijd is, dat allerlei kerkehjke, politieke ci I maatschappelijke stroomingen baar eigen jeugd I beweging gaan vormen. I Eensdeels getuigt dal vaneen gezond leven I wat men zeif beeft en goed aeht, wil men I— gedachtig aan de spreuk; wie de jeugd I heeft, beeft de toekomst ook aan de jonge I ren geven, wil men in hen doen voortteven Anderdeels is er het gevaar, dat men de I jeugd te gauw en te veel leert denken als de I ouderen, dat men er pleisterbeelden van maak van wat de ouderen zijn. En bet is juist he eeuwig recht der jeugd een eigen, frisscher I kijk op het leven en zijn problemen te hebben Ik geloof, dat een jeugdbeweging in onzer | boerenstand heel veel goeds zondier kwaads I zal kunnen brengen; een jeugdbeweging za ook nog dit voordeel kunnen hebben, dat d< jonge boeren. en boerinnen later vete dinger I beter zuHen hunnen doen dan de ouderen z( I deden of nog doen. | Welke taak beeft nu de georganiseerd! tjonge boerenstand van beiderlei sexe te ver Ivullen? Ik zie dat als volgt: 1. Mensehen helpen vormen van karak I ter, van sterken wil voor geestelijk leven Dit Is inde allereerste plaats de taak dei ouders, van de school, van de kerk; waai bet in het leven toch bovenal gaat oti wat men is, niet om wat men heelt of kan daar willen wij dat doel: karaktervorming | geestelijk leven nooit verwaarloozen, ooi niet daar, waar wij meest om andere din gen samenwerken. Wij willen dit doei ooi daarom voor oogen houden, omdat wi er in uitspreken, dat onze jonge mensehen I bij alle verschil van geloof, politiefk en stand, toch als kinderen van één volk zoo| veel gemeen hebben dat deze dingen sa- I men kunnen worden nagestreefd en niei angstvallig op den achtergrond behoever | te worden geschoven. 2. Zorgen dat onze jonge boeren en boerinnen hun eigen aard kennen en bewaren. Er is een geweldige neiging in der modernen tijd om alle mensehen gelijk U «typen. Éénzelfde pak, dezelfde genoegens I dezelfde opvattingen, kortom om den een-I vormigen massa-mensch van onzen tijd te kneden. Ook op den boerenstand heef dit vat en bioscoop, sport, natuurbad er dancing wordt voor velen het toppunt var ievensgemeting. Wij moeten onze jonge mensehen niets onthouden van wat er ir den modernen tijd goed en mooi is en wi zullen met verbieden en preeken tegen he minder goede, tegen bet kwade weinig be reiken. Alleen door het betere te gever kan men het slechtere verdringen en hel I betere is: oog te krijgen en te houden voor het mooie en diepe van het boerenleven. Boer zijn beteekent: veel alleen werken en daarom veel tijd tot I nadenken, werken inde natuur en daar-J door Ineen omgeving, die eenvoudig en I oprecht is, weten, dat de mensch tegen veel dingen j niets vermag en dat men in alles maat moet houden, teven ineen economisch overzichtelijke samenleving, waardoor den schranderen, nadenkenden mensch veel duidelijk wordt, wat den geleerden stedeling verborgen J blijft; teven een gemeenschap, waar het be- I BriP traditie nog niet geheel is uitge- I storven. De jonge boerenstand moet nu trachten | het goede in dit alles te behouden, dat er I »og is en te herscheppen wat onverdiend I verloren ging. 3. De lust aanwakkeren en de middelen aangeven en ter beschikking stellen om fHnke boeren en boerinnen te worden, die J bun vak kennen. En ons vak leert men kennen door de praktijk en door de voorlichting van bet Lapdbouw- en landbouw-J hui shoudonder w ijs. 4. Belangstelling wekken voor de vraagstukken van ons apenbaar leven, vooral voor zoover zij den boerenstand en het I platteland beroeren. De oudere boerenstand ervaart in het heden wel heel pijnlijk hoe noodlottig het is geweest dat hij zich tot | voor kort om de sociale-economische po- I Utlek veel te weinig heeft bekommerd. Met alle middelen trachten wijde schade in Ite halen, maar wij moeten geheel bijkomen, geheel een gelijkberechtigd, onder rechtvaardige toestanden levend deel van ons volk worden. Daarom moet de jonge boerenstand weten wat hem te doen staat; de organisaties van den Jongen boerenstand moeten geen drilschool zijn, waar eenmaal geijkte begrippen en opvattingen worden ingestampt, maar plaatsen waar men leert begrijpen waar bet om gaat en waar men leert nadenken, waar men zich voorbereidt op een standvastig strijden. * * ♦ I Zo® zie ik wi bel korf «te taak «he voor «Ie

' STERk/ I

staan, steunende den strijd, die de ouderen. thans hebben te voeren. Ik breng bij dezeai tenslotte nog een persoonlijk woord van dank aan het hoofdbestuur, dat weer eens getoond heeft, de belangen van den Bond zoo goed te kennen. FRISO. ■ Eert de eeuwenoude waarden. Van dag tot dag neemt ten plattelande het bewustzijn toe, dat het platteland zijn eigen groote waarden heeft, al worden die waarden dan ook elders nog lang niet genoeg erkend, ja, al worden zij veelal miskend. Gelukkig, dat thans ook onder de rijpere jeugd dit bewustzijn wordt aangekweekt. leder, die het platteland liefheeft, werke aan dit mooie werk mede. Ik heb eens ineen Drentsch dorp, toen ik een lezing had gehouden over de zoo leerzame geschiedenis van het Drentsche volk, vaneen jonge boerin te hooren gekregen: „U bedoelt dat ik trotsch moet zijn op de dingen waar ik me soms eigenlijk voor schaamde.” Zij sprak in die woorden de aarzeling uit, de valsche schaamte welke nog zoovelen ten onrechte beklemt, doch zij was blijkens haar woorden zich wel bewust, dat haar plattelandstrekken hier door haarzelf werden miskend; deze jonge vrouw was op den goeden weg. Het is zoo moeilijk' Wanneer wij van het dorp inde groote steden komen, dan lijkt het alsof die wereld zooveel interessanter is dan de onze, alsof wij jegens onszelf en onze omgeving verplicht zouden zijn, ons daarin ten spoedigste in te werken. Maar och, reeds spoedig keeren wy tot onze eigen omgeving terug. Zeker, wij mogen het goede van den huldigen tijd niet over het hoofd zien, wij moeten het recht inde oogen zien, maar wy mogen daarbij nimmer ons den mindere gevoelen, onze oogen neerslaan. Of, om een Drentsch gezegde te gebruiken, trek nooit de pet inde oogen omdat ge plattelander zijt. Deze botsing tusschen gevoel van eigenwaarde en ontzag voor het onbekende, voor het zich druk aanbevelende, het zich opdringende uiteen geheel andere wereld is zelfs zoo sterk steeds geweest, dat wij in de staatkundige geschiedenis van het oude Drenthe vele voorbeelden kunnen ontmoeten. Het is waarlijk merkwaardig, verschillende Drentsche uitingen van vroeger eens in dit licht te bezien. Daarvoor is hier echter de plaats niet. Onze voorouders, die steeds hebben gestreden voor het behoud van het eigen karakter der streek, zouden dankbaar zijn wanneer zij thans de oudere jeugd in haar overtulgingsarbeid zouden bezig zien. Een arbeid, welke daarom des te mooier Is, omdat hij thans bewust wordt gevoerd, bewust, dus niet ter bestrijding van lets onbekends, dat dikwijls iets zeer goeds kan zijn, maar ter versterking van eigen Inzicht met eerbied voor hetgeen anderen leeren en doen, mits dan ook die anderen eerbied willen hebben voor hetgeen hier leeft en zwoegt. Gij denkt wellicht, wat wordt hier de geschiedenis naar voren gebracht, waarom gebeurt dat? Ja, dat doe Ik met grooten nadruk, omdat naar mijn meening juist de zoo rijke, bloeiende geschiedenis van het boerenland en van het boerenwerk ook aan de jongeren moét doen gevoelen, dat de reeks geslachten, waarin zij slechts een kleine schakel vormen, trouw eischt aan de oude waarden. Op leder gebied des levens valt dit nader uitte werken. De resultaten van dit werk zijn steeds verrassend. Het boerenland vertoont nog de vaste lijnen welke de geschiedenis in velerlei opzicht forsch door de eeuwen heeft getrokken. De bouw onzer Drentsche dorpen, en dat zal elders niet anders zijn, wijst den kenner nog op de instellingen en gebruiken van eeuwen her. De vorm der landerijen spreekt tot een leder, die zich hierin wil inwerken. Ja, de kieskringen van het Drentsche Landbouwgenootschap van vandaag vallen nog nagenoeg samen met de oeroude Indeeling van het Drentsche land, dateerend van vóór het Christendom, ver voor het Jaar duizend. Gemeentegrenzen zijn getrokken langs de grenzen van kerspelen en marken, buurschappen hebben nog de oude gewoonten van steeds behouden. Nog onlangs vonden wij in mijn omgeving de verduidelijking van een bepaald gebruik, door het nazien van een acte uit het jaar 1402. Doch genoeg, ik zal hier geen verdere voorbeelden noemen. Laten wij gezamenlijk zorgdragen, dat na eeuwen men nog kan zeggen dat oude vruchtbare waarden ten plattelande nog bestaan, gelijk uiteindelijk de staatslieden der vervlogen tijden dat steeds hebben moeten erkennen. In dien fakkelloop der traditie traditie beteekent Immers overgave moet ook ons geslacht zijn plicht niet verzaken. Er moet hard gewerkt worden, ten behoeve van de geheele gemeenschap.

LANDBOUW EN MAATSCHAPPIJ. No. 48. Tweede Blad.

Het orgaan „ 0 en Maatschappif’ groeit. ■ Maar het gaat ons lang niet snel genoeg. Daarom roepen wijde plattelandsjeugd in het geweer. Zorgt, ferme meisjes en stoere knapen, dat L en M. op 1 Januari 1936 20.000 abonné’s lelt! Offert voor abonnéwerving een deel van Uw vrijen tijd! '

Het Is soms als een moeilijk werk, waar aan gij moet beginnen. Naarmate gij vor dert, zyt gij steeds dankbaarder dat ft werkkracht U geschonken Is. Naarmate oo] op dit ideeele gebied de diepe actie vai Landbouw en Maatschappij vordert za haar sterke ledendrom zich gelouterd ge voelen door de verovering van eigen karakter. Maar dan moeten wij ook niet aarzelen de handen ineen te slaan. En da' doen buren bij ons steeds! J. LINTHORST HOMAN. Frederiksoord, 28 Juni 1935. Vriendenraad. Niemand is te jong om een goeden invloed op anderen te hebben. . Leven is samenleven, en dan pas vruchtbaar. De heer Zwagerman, zuiveiconsulent voor Zeeland, heeft op den zesden ontwikkelingsdag gehouden op 27 April j.l. te Goes, een rede uitgesproken over „Boerin zijn”, zóó mooi van bouw en zóó rijk van inhoud, daarbij zóó geheel in onzen geest, dat we meenen, goed te doen, hierop de aandacht te vestigen. De heer Zwagerman meent, dat de belangstelling van onze geheele plattelandsbevolking en van hun leiders en leidsters al vele jaren te eenzijdig op het materieele, dus op het ge 1 d el ij k e, gericht was. Voor vraagstukken betreffende de plaats, die onze boerenstand in onze volksgemeenschap inneemt, omtrent sociale verhoudingen ten plattelande, de beteekenis van meer geestelijke ontwikkeling onder de boeren en de waarde eener eigen boerencultuur, is de belangstelling zeer gering. En in wezen zijn toch deze vraagstukken voor onzen boerenstand misschien nog belangrijker dan de materieele. Wij voor ons zouden met groote gerustheid dat woord „misschien” hebben weggelaten en nu we schrijven voor de jeugd, meenen we, dat het cultureele vóór moet gaan. Het nieuwe, dat geboren wordt, waaraan de leiders trachten vorm en inhoud te geven, zal straks de wereld zijn, waarin onze jeugd heeft te leven en het wil ons voorkomen, dat ze daarin pas sterk zal kunnen staan op cultureelen grondslag! De taak der goede moeder is hierbij, zegt de heer Zwagerman, als de rol, die de zon vervult. „Deze gaat stil en geruisohloos haren weg. Men merkt het nauwelijks wat zij inde natuur van den eenen tot den anderen dag uitwerkt en toch is zij het, die de bloemen voor den dag toovert, de gouden zaadvelden en de heerlijke vruchten tot rijpheid brengt. Even stil is het werken der moeder. Maarde vruchten van haar werken gaan vèr buiten den eigen kring van het gezin.” Wie accoord gaat met den aldus omschreven invloed, die uitgaat van de moeder, zat evenzeer met ons accoord gaan, dat ook de moeder op onze jeugdbeweging het oog moet houden. We verkeeren op het platteland hierbij' ineen gunstiger conditie dan inde stad. Onze werkkring brengt ons dagelijks In aanraking met de Natuur. Nu eens is deze onze krachtigste helpster, dan weer toont zij zich als onze niet te overwinnen tegenstandster. Dit heeft ons bijgebracht het diep besef van afhankelijkheid aan Hoogere Machten, waaruit, volgens Prof. Schermerhorn, noodwendig moet groeien, deemoedigheid, bescheidenheid, begrip voor maat en grenzen, maar ook verantwoordelijkheid. Ziehier vier Christelijke en Maatschappelijke deugden, waarop onze jeugd voortdurend moet worden gewezen. Daarnaast moet onze jeugd worden bijgebracht een juist gevoel van eigenwaarde. • De heer Zwagerman vestigt hierop de aandacht en zegt; „Wie zich schaamt boer te zijn, heeft geen standsfierheid meer. D© boerenstand moet zich bewust worden wat hij voor de materieele welvaart en het geestelijke welzijn van het gansche volk beteekent,” Kort geleden spraken we het nog uit; > Ons sterkste wapen is bewustheid, bet weten, dat wij in hel maatschappelijk productieproces de voornaamste plaats innemen, niet alleen omdat wede beginners zijn, maar ook omdat wij vóórtbrengen, wat ieder mensch en etk dier eiken dag van noode heeft. Die bewustheid en dat weten brengen automatisch standsfieriieid mee. Die doen ons passen voor de tweedehandsche rol, die men ons tot dusver beeft laten spelen. Bewust en fier eischen we onze redelijke rechten inde volksgemeenschap op.. Vooral onze jeugd moet zich in dezen geest ontwikkelen. Zij bestudeere de schrijvers, die hieraan zulke groote waarde toekenden, liever dan te trachten na te apen datgene, waarin de stadsche jeugd haar voorgaat. Da heer Zwagerman noemt een heele rij van schrijvers op, die onze plattelandsche jeugd moet trachten te leeren kermen en begrijpen: Herman de Man, Antoon Coolen, Stijn Streuvels, Gustav Frensen, Prof. Schermerhorn,

I organisaties van den jongen boerenstand is ‘ ’weggetegd; op sommige gebieden fijn er ai organisaties. Zoo b.v. voor het onder drie genoemde; de veie vereenigingen van oudieerlingen van diverse schoten en cursussen. Een gedeelte van hef werk onder drie genoemd, zoowel als van dat ondier één, kan door goede rederijkerskamers ook worden bevorderd zoowel als door de diverse cursussen op de Vonk, te Barcbem en te Bakkeveen op de Volkshoogesehooi. Ik geef hier ook geen bouwplan van de organisatie, slechts een richtlijn omtrent het werkgebied. Maar als men het werk maar ziet en als de geest er maar is om het aan te pakken, dan groeit de organisatie wel door alle onvolkomenheden en kinderziekten heen. Ik wil tenslotte de levenshouding van onzen boerenstand, zooals die wel eens geweest is en zooals die moet zijn, duidelijk maken aan de hand vaneen paar boerenspreekwoorden uit DuitsehJand. Het eerste komt uit de Aligau in Beiern en het luidt; ,J>uek dich und lasz vorüfgahn Das Welter wilt seinen Fortgang hab’n”. (Buk je en iaat voorttrekken. Het weer wil toch zijn loop hebben). Het tweede las ik dezer dagen in het tijdschrift Groningen; het is van Oostfrieschen I oorsprong: „Mann kann Gott alles anvertrauan, man kien diröge Hau”, sa de Baar. (Men kan God alles toevertrouwen, maar geen droog hooi”, zei de boer). Beide spreekwoorden hebben dit gemeen, dat zij spreken – van o verlaten, toe vertrouw en, van zich niet verzetten tegen wat mensebelijke macht niet kan verhinderen. Maar in bet eerste ontbreekt datgene wat bet tweede zoo kostelijk maakt. God geen droog hooi toevertrouwen, dat wit zeggen: niet aan God overlaten wat men zelf doen kan. Als het hooi droog is moet de boer zorgen, dat het in huis komt; hij mag dat niet overïaten, hij kan er zelf voor zorgen en daaronL moet hij dat ook doen. En als de boer vandaag zijn tijd verzit en er op vertrouwt dat het morgen ook nog wel goed weer zal zijn om zijn hooi binnen te halen, kan hij zich wel eens teelijk misrekenen. Het eerste spreekwoord getuigt vaneen lijdzaamheid, die ook in bet dagelijksche leiten de kracht miste om den sleur te verbreden, om tegen onrecht en verdrukking te staijien. Het kenmerkt de houding van den boekenstand in vroegere dagen, die, afhankelijk Jis hij was van de natuurmachten, zich in het naatschappelijk Leven vaak afhankelijk toonde min onrecht berustend, zonder dat dit moedig vas. Het tweede teekent den meinsch, die zich lok in vele dingen afhankelijk weet, maar die ich ook zijn eigen verantwoordelijkheid berust is en niets onbeproefd zal laten om zelf ooveei mogelijk te doen, die niet berust in rat niet boven menschelijke kracht gaat, die p tijd aanpakt, die werkt zoolang bet dag is. Zoo moet onze geheele Nederlandscbe boe-nstand worden, niet alleen in ons bedrijf, taar ook op het terrein van het openbare ven. De Nederlandscbe boer beheert zijn hoererij in doorsnee uitstekend; hij moet doorgaan aar booger te streven. Op het gebied van de ïiooning van zijn arbeid, van de sociale voorwg, van het meebepaien der openbare meeng, van de politiek is hij nog Lang niet waar j wezen moet. Hier dus de handen uit de ouwen; hier heeft ook de jonge boerenstand :n taak van voorbereiding en bezinning! H. D. LOUWES. Westpoider, Uirum 80 Juni 1935. >e beteekenis an de Jeugdpagina. Eindelijk treffen wij dan jn ons oran Landbouw en Maatschappij de lang geerde jeugdpagina aan. Hieraan zijn i. groote voordeelen verbonden. Het grootste voordeel zal zijn, dat deze adzijde de jeugd in het geheele land getwijfeld zal aansporen zich te orniseere*n. Weliswaar gedijen de jeugdibs in Drenthe zonder blad reeds gloed, tar ook in andere provincies moet men : oprichting komen. Daar hoort men n dergelijke jeugdclubs nog weinig of ;ts. Ik weet tenminste zeker, dat bij s in Friesland nog geen jeugdbond, schoeid op de leest van Landbouw Maatschappij, bestaat. Wel zijn er hier, daar pogingen gedaan in die richting, het eerste zaad gestrooid, maar mode derden invloed van de jeugdpagina, het in dm komenden winter beter unen groeien. Ditzelfde zal ook in an•e provincies wel het geval zijn en dan het niet lang meer duren of de pliat—andsjeugd zal schouder aan schouder I