is toegevoegd aan je favorieten.

Landbouw en maatschappij; officiëel orgaan van den Nationalen Bond Landbouw en Maatschappij, jrg 4, 1935-1936, no 34, 19-03-1936

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

19 Maart 1936. 4e jaargang. LANDBOUW EN MAATSCHAPPIJ. No C4. Tweede Blad.

Lid zijn vaneen jeugdclub legt verplichtingen op. Verplichtingen in zooverre, dat men tracht op de vergaderingen van de jeugdclubs een sfeer te scheppen van onderling waardeeren en van elkander willen helpen, een sfeer die staat hoven andere jeugdsamenkomsten. (Zie vervolg rechts).

Lessen voor den jongen plattelander. Laat ik me even aan jullie voorstellen als pn man op rijperen leeftijd, maar toch nog Jong genoeg, om niet te kunnen berusten h. öe benarde omstandigheden, waarin de Menschheid spartelt, als een vlieg ineen sPinneweb. Ik kan me zoo begrijpen, dat velen van Jullie met verwondering om zich heen zien bij zichzelf denken: „Wat een gekke boel J®. toch de menschelijke samenleving, de “maatschappij. Er is rijkdom en zwarte armoede, er zijn te veel goederen en toch weer “e Weinig; duizenden willen werken en kun*|eh niet werken; on telbaren snakken naar producten van den boer en toch gaat ’t ?en boer slecht; niémand wil oorlog en tóch kan er oorlog komen; de menschen willen «et goede en toch doen ze ’t kwade, ’tls een compleet gekkenhuis!” Ik kan me ook voorstellen, dat er dikwijls ?hgst in jullie hart Is, angst voor de toekomst. Jullie hebt natuurlijk je idealen; Jullie wilt graag hard werken om een plfstandig bestaan te verwerven; liefst ph eig en bedrijf bezitten en een eigen huis, waarin gij het meisje, dat ge ‘efhebt, kunt binnenleiden als uw vrouw, ®Ui samen een gezin te vormen, en samen °or de kinderen een toekomst te banen, kb ge vraagt u zelf af: „Is dat in deze Maatphappjj nog voor mij te bereiken? Zal ik pk verpletterd worden onder den zwaren kst der werkelijkheid, die zoo wreed is?” Nog eens: ik kan me in zoo’n geestes-ge*teldheid zoo goed Indenken! Maar wat ik maar niet begrijpen kan, is, pt er óók zooveel jongelui de verschrikkende werkelijkheid laf den rug toedraaien Pin leeg vermaak, in sportverdwazing, "ioscoop en dans verdooving zoeken. ~ Op den loop gaan, dat kan iedere nul. • Baat ook niets, want de werkelijkheid Grijpt je tóch weer bij de kraag. Maar kérels klemmen de tanden op elkaar; hun Uogen bliksemen den, vijand tegemoet en ze Zweren: Wat kwaad is, zal ik bestrijden, ’t moet toch mogelijk zijn, dat Gods pike aarde bewoond wordt dooreen gelukpse menschheid. Of in beperkter zin: ’tMoet "ph mogelijk zijn, dat de hard slovende Jper voldoende vrucht plukt van zijn arpid, zonder dat zijn kop doorploegd wordt *an zorgen en angst door bestaansonzeker«eicü Echte kérels tellen geen moeilijkheden, puar aanvaarden den strijd met de woorden an Tromp:'„’tZal waarachtig wel gaan!” , Jullie moet niet denken, dat ’t de eerste •per is, dat ’t jonge opkomende geslacht uezen strijd te strijden heeft. De mensche‘JKe geschiedenis lijkt op een estafetteloop 'het fakkels; ’t einddoel is ’t Geluk. , Net begin verliest zich inde grijze oudheid. Toen rende de mensch al inde duispriils langs de baan der geschiedenis met he fakkel hoog boven ’t hoofd, naar ’t Groote Licht, het Groote Licht! Totdat de vermoeienis den loop vertraagde, de fakkel zonk inde verslappende hand. paar dan stond een nieuw geslacht gereed “hl haar over te nemen en verder te rennen steeds naar ’t lokkende Groote Licht. En de menschheid is genaderd, dat Is per. De duisternis is zoo diep niet meer inden beginne. Wie dat niet gelooft, p°et maar eens lezen, hoe wanhopig donker c was in vroegere eeuwen. , Ook wy hebben de fakkel gedragen, toen Te jong waren; ook wij zijn ’t Licht een Jpel klein stukje genaderd. We dragen haar °S! Maar spoedig zullen we ’t moeten oprplen’ we worden moe en de eindpaal bekken wij niet meer, dat wéten wij. Kunt gij, Jongeren, de fakkel overnemen? Eyit gy> jongeren, de fakkel kunnen overeen, als wij U daarom smeeken? Of zult staan met ’t schaamrood op Uw kaken en j,ppn: „Ik kan niet; mijn krachten zijn Pt toereikend?” e zult gij, Jongeren, trotsch u oprichten zeggen: „Ga gerust slapen, mijn vaderen, Zal het werk voortzetten?” karU wil u een beet-ie helpen, met ’t ver>(. eh dier krachten. Een beetje maar, want deel zult gij zélf moeten ontwikw®. twee voornaamste krachten, die gij bepjpp hebt, zijn Liefde en Inzicht. Vooral wie Liefde heeft zonder Inzicht, Is ailg g°edig mensch zonder oogen. En wie bia h Inzicht heeft, is een scherpdenkend Vgf ®ch zonder hart. De eerste loopt gevaar <ietterd te worden onder den wagen der ïlt o chappelijke werkelijkheid; de tweede ken P de bok, en ment den wagen over lijheen. ?6U k als Liefde en Ihziuht samen depaart g 6 mennen ze voorzichtig door SqUi5i ze trachten ’t doel te naderen, te v jahgs omwegen, maar zonder iemand LwPletteren. 6 voor uw familie, uw grond, uw volk.

den mensch. Inzicht, voorzoo ver mogelijk in ’t ingewikkelde raderwerk der Maatschappij. De Liefde is u ingeboren; gij moet alleen oppassen, dat ze niet gesmoord wordt door ’t rauwe leven. Uw inzicht zal ik een beetje trachten te verhelderen. Een beetje' Want ’t meeste werk moet Gij zelf doen. Denkmateriaal vindt gij in uw krant. Economie. 1. Naam Inbond Doel. Economie, afgeleid van het Grieksche woord „Oikumene”, d.w.z. bewoonde wereld. Economie als wetenschap houdt dus in; het nagaan van de handeling, het doen en laten de bewoonde wereld: de menschen. Toch is het geen historie: geschiedenis. Veel omvattender. Economie op zichzelf bestaat ook niet, is een onding. De economie is een onderdeel van de sociologie: niet te verwarren met het socialisme, dat slechts eender verscheidene scholen, richtingen, inde economie is. Terwijl de sociologie zich inden ruimsten zin van het woord bezig houdt met de handelingen van de menschen en er het oorzakelijk verband in zoekt, beperkt de economie zich tot enger terrein. De socioloog bestudeert biologie, psychologie (wetenschap der bewustzijnsverschijnselen, ethnologie (volkenkunde), geschiedenis (fata) en alle ontwikkeling over kunst, literatuur, recht, kuituur enz. Sociologie op beperkter terrein is echter de economie. Een meer bevattelijker woord er voor is staatshuishoudkunde of volkshuishoudkunde (Volkswirtschaft). Zij houdt zich bepaald bezig met de voortbrenging, de verdeeling en het verbruik der goederen. Zij tracht ons te leeren hoe inde wereld goederen op de ruimste wijze voortgebracht worden. Hoé deze goederen het billijkst verdeeld worden en hoe op de verstandigste manier verbruikt. Wat zijn goederen? Alvorens deze zoo eenvoudig lijkende vraag te beantwoorden, moeten we een ander woord eerst nader bepalen. En wel het woord: maatschappij. In ons dagelijksch leven komen we ook dit woord op verscheidene wijzen tegen. We kennen b.v. levensverzekeringsmaatschappijen, handelsmaatschappijen, maatschappijen van weldadigheid, voor volkshuisvesting, voor bevordering van een of andere wetenschap; onze eigen landbouwmaatschappijen, de Unilever enz. Er is echter een ander woord maatschappij, dat beteekent; samenleving, omvattende alle menseden. Een mensch op zichzelf is niet denkbaar inde beschaafde wereld. Een modern mensch kan onmogelijk zijn eigen machinist, dokter, advocaat, burgemeester, veehouder, letterzetter, monteur, expeditieknecht, tandarts, chemicus enz. zijn. Wij moeten den arbeid verdeelen en zoo dus een groote onderlinge verscheidenheid inden arbeid (beroepen) brengen, waarbij de een de hulp van den ander noodig heeft. Uit deze hulp, dezen bijstand, dien de menschen elkander wederkoerig moeten verleenen, dm in hun onderhoud te kunnen voorzien, is langzamerhand tusschen de menseben onderling een band ontstaan, waaruit de maatschappij of die samenleving voortgekomen is. Dit ter inleiding. OOM JAN. Jonge Boerenbondsters, strijdt mee! De heer Evers sprak onlangs te Vries. Een onderdeel van zij'n rede trok vooral onze aandacht, namelijk waar hij het had over de belangstelling van de vrouwen voor den strijd der boeren. Zeer juist was de opmerking van den spreker, dat nog veel te veel vrouwen zich op het standpunt stellen, dat de strijd, welke thans door de ouderen en de jongeren wordt gevoerd, haar niet aangaat. Wij waren blij, dat de heer Evers dit zoo met nadruk naar voren bracht. Er kan niet genoeg op dit aambeeld gehamerd worden. Vooral dient ook de jongere garde onder de vrouwen strijdvaardigheid te worden bijgebracht. Wij1 strijden immers voor de toekomst en wie heeft daar meer belang bijl dan wij, jeugdige boerinnen? We weten toch allen, dat wanneer de toestand zoo blijft of nog verergert, dat er dan voor ons op het platteland geen redelijk bestaan meer te vinden zal zijn. Hoe vaak echter hooren we In onze kringen nog zeggen: „Och daar behoeven wijl ons niet om te bek emmeren; daar kunnen wij toch niets aan veranderen”. Zooiets getuigt van kortzichtigheid, lauw- en lakschheid, eigenschappen, die uit onze gelederen moeten worden gebannen. Middelen, cm dat te bereiken, zijn er te over. Wek vrienden en kennissen op, toch vooral ons mooie blad, „Landbouw en Maatschappij” te lezen. Wek hen ook op, het bondsinsigne te dragen. Dat insigne lokt gesprekken uit. Men komt daardoor tot uitwisseling van gedachten en is het niet zoo, dat uit de botsing der meeningen de waarheid ontspringt? Groote velden liggen in dezen nog braak, om bewerkt te worden. Wij jongeren hebben hier een prachtige taak.

De schuld hiervan ligt inde verkeerde economische inzichten. Daarom is het noodig dat onze jeugd zich aaneensluit, om hieraan, een einde te maken. Met een opwekking om zich bij de jeugdclub aan te sluiten, eindigde spr. zijn rede. Door de jeugdclub Purmer werden vervolgens „Het bezoek van zijn Hooggeleerde” en „De Les” voor het voetlicht gebracht. De rollen werden op uitmuntende wijze vertolkt en oogstten dan ook veel bijval. De heer Zuidervliet droeg nog een historische Zuid-Hollandsche schets voor. Hierna gaven zich 39 jongeren op als lid der jeugdclub. Tot voorl. bestuur werden benoemd Piet Spaans, C. Visscher, Trier Bruin, Jb. Koelemay, terwijl door het afd.-hestuur de heer D. Doets werd toegevoegd. DE WIJK. Dinsdag 3 Maart vergaderde onze jeugdclub. De notulen der vorige vergadering werden onveranderd vastgesteld. De heer J. Guichelaar hield een inleiding met als onderwerp: „Is de behandeling van. d°n boerenstand onrechtvaardig?” Op duidelijke wijze werden de fouten van de sociale wetgeving naar voren gebracht. Na afloop bleek uit het aantal vragen, dat men de inleiding goed bad gevolgd. Door den inleider werden deze vragen op duidelijke wijze beantwoord. Ook werden er schriftelijke vragen gesteld, doch aangezien hierop zeer uitgebreide antwoorden mogeliik waren, werd op voorstel van den beer M. Slomp besloten om hierover den volgenden keer een inleiding te houden. Door eender leden werd voorgesteld om uit andere jeugdclubs ook eens inleiders te vragen of met elkaar te ruilen. Verschillende meeningen werden hierover geboord, doch onder nadere toelichting werd dit goedgevonden.. DALERVEEN, 6 Maart. Op eender propaganda-avonden, vorige week gehouden., sprak de heer Lubbi voor de jeugd. Op zeer duidelijke wijze bepleitte hij de noodzakelijkheid om tot oprichting vaneen jeugdclub over te gaan. Na afloop van zijn redls gaf zich onmiddellijk een 45-tal personen, als lid op. Besloten werd om Woensdag 18 Maart een vergadering ite houden voor benoeming van een definitief bestuur. Met veel succes werden de pronagandastukjes „De Les”, „In dagen van strijd” en „Eendracht maakt macht” opgevoerd. PURMER, 10 Maart. Hedenavond hield onze jeugdclub een ledenvergadering; 27 leden, waren aanwezig. De voorz. sprak een welkomstwoord tot de nieuwe leden, w.o. eenige uit den Wijden Wormer, waar wegens onvoldoende belangstelling, nog geen jeugdclub is ongericht. De beer Hiemstra hield een inleiding over „Het doe! en streven, van L. en M.” Na afloop volgde een aangename discussie. De jeugdclub telt momenteel 31 leden. EEXTER-ZANDVOORT. Zaterdagavond 14 Maart hield de jeugdclub Eexter- en Gieter-Zandvoort een feestelijke bijeenkomst. Allereerst werd het propagandastuk)© „Eendracht maakt macht” opgevoerd. Vervolgens zette de heer Hagimlng uit Annerveen. op duidelijke wijze het doel en streven der jeugdbeweging uiteen, waarbij hij tevens met treffende woorden den noodtoestand op het platteland schilderde. Hierna werd het tooneelstnkje „In dagen van. strijd" opgevoerd. De heer Joosten, hoofd der school, onder wiens leiding de stukjes waren ingestudeerd, ontving een stoffelijk blijk van waardeering. Daar de zaal geheel bezet was, kan de jeugdclub met voldoening op dezen avond terugzien. DALEN. 103 leden waren op de Zaterdagavond gehouden bijeenkomst der jeugdclub aanwezig. Door Mej. Hm. Boer werd een inleiding gehouden over „De actie tegen den. landbouwsteun”, terwijl de heer H. Veldhuis het onderwerp „Landbouw en Economie” inleidde. Beiden hadden een aandachtig gehoor. Medegedeeld werd, dat de propaganda-avonden, die zich ineen zeer druk bezoek hadden, mogen verheugen, een batig saldo hadden opgeleverd. De volgende bijeenkomst werd bepaald op Zaterdag 4 April. ZWEELOO, 14 Maart. Hedenavond hield onze jeugdclub een bijeenkomst. De opkomst was zeer goed. Allereerst werd het bondslied uit volle borst gezongen. Vervolgens werden afgewisseld door eenige voordrachten, door eenige leden inleidingen gehouden. Op treffende en vaak verbluffende wijze gaven verschillende jeugdleden een uiteenzetting over de maatschappij, in het bijzonder den boerenstand betreffende. Na de pauze voerden 0..a. de heer L. H. Eising, pi. propagandist en de heer J. Hooge het woord. Tot slot werd door allen het boeren-strijdlied gezongen. RUINERWOLD. Op de Dinsdag 17 Maart gehouden vergadering van de jeugdclub was een 50-tal leden tegenwoordig. Door het lid, den heer R. Prins Wz„ werd een inleiding gehouden over „Boter en Margarine”, die blijkens het applaus zeer inden smaak viei. Inde pauze werd door de dames-bestuursleden de contributie geind. Door den voorz. werd het reglement voorgelezen, daar dit voor de nieuwe leden nog onbekend was. Door enkele leden werden nog eenige voor-

Laat ieder doen, wat zijn hand hier vindt om te doen. Het boerenbedrijf geeft vaak drukke tijden. Maar hoeveel o ogenblikken hebben we niet, die we zeer nuttig in het belang van ons allen kunnen besteden. Laten we zulke oogenblikken niet in doelloosheid doorbrengen, maar ze steeds productief maken voor de verheffing van het platteland. Laten we ons van onze standsfierheid bewust zijln en die fierheid overal uitdragen, in eigen omgeving en vóóral ook inden vreemde! Vooruit jonge Boerenbondsters, den strijd aanvaard. Vrouwen, schaart U inde rijen der mannen, achter het vaan van Landbouw en Maatschappij! Twee jonge Boerenbondstèrs uit Zeijen. Boer Willem en de tandarts. Boer Willem reist per bus naar stad toe, Hij deed reeds vaker deze rit. Hij had zijn tanden laten trekken, En kreeg nu gauw een nieuw gebit. Ja, ’twas geen tijd voor zulke dingen, De crisis maakte ’t leven zuur! Men „maakte” niets en – (gek verschijnsel) De tanden bleven even duur. Maar Willem had in betere tijden Heel zachtjes aan wat opgespaard. Dat was hem nu, in deze dagen. Een goeie noodhulp, heel wat waard. Hij zou ’t er nu dus maar van nemen, Zijn kind’ren wilden ’t ook zoo graag. Het leek ook niets meer, en ze zeiden: Het was ook beter voor de maag. Vandaag moet hij in gips gaan bijten, De vorm gaan nemen, zoo dat heet. Och, in zoo’n bus is ’t makk’lijk reizen, Hij is er al weer voor hij ’t weet. Weldra is hij weer op de singel. Voor ’t heerenhuis gearriveerd. Hier gaat hij zonder bellen binnen, Dat heeft de dienstmeid hem geleerd. Hij gaat de gang door, waar toevallig, Mijnheer de tandarts hem bespeurt. Zoo, zegt hij, kom maar hier, hoor Willem, Je bent vandaag direct aan beurt. Ze praten over ’t een en ander, (Met boeren raak je gauw bekend) En weldra is ’t het daag-lijksch praatje: De crisis en al zijn ellend’. En Willem pleit als vurig strijder, Voor ’t nut der boeren in deez’ tijd. Die stand heeft de staat’t eerst van noode! En duldt nog, dat hij ’t meeste lijdt! Maar dan zegt onze tandarts nijdig: Och, jullie meenen ook altijd, Dat alles van den boer moet komen! Vergun mij, dat ik dat bestrijd. Natuurlijk, zeker, ’n mensch moet eten, Dat is een waarheid als een koe! Maar d’eer om daar steeds voor te werken. Komt niet alleen den boeren toe! Al had Je hier nu al dateten, Jij met je tandelooze mond, Hoe wou je ’t ooit naar binnen krijgen, Als er geen tandarts meer bestond? Ons boertje peinst, en zegt wat schuchter: Ja, dat is wel een heele toer, U hebt zeker wel gelijk hoor, och Ik ben ook maar een domme boer. Natuurlijk zijn we allen noodig, Wat d’een ontbreekt, vult d’andér aan. Maar zonder boeren kan de wereld. Dunkt mij, toch allerminst bestaan. Want toen men toch in d’oorlogsjaren, Geen graan genoeg verbouwen kon, Was ’t ziekte, zwakte en ondervoeding, Je kreeg te weinig op zoo’n bon. En toen er in mijn jongensjaren, Nog haast geen valsch gebit bestond. Werd Grootmoe, zonder tand of kiezen, Ruim tachtig jaar en steeds gezond. „Meneer” kijkt den boer eens schuin aan, Stopt gauw zijn mond vol gips en zegt; Pas op, vooreerst geen mond weer open, Dan komt van alles niets terecht. Hij mompelt zachtjes: „wat een lomperd, Men merkt weer, dat het boeren zijn....” En hardop „nu maar even wachten Hallo! de volgende patiënt.” ABONNê uit Norg. Uit onze Jeugdclubs. BEEMSTER. Woensdag 4 Maart hield de afd. Beemster, met medewerking van de jeugdclub Purmer, een openbare vergadering, met het doel ook hier een jeugdclub op te richten. De groote zaal in het Heerenhuis was geheel bezet met jóngeren, ouders en belangstellenden. Door den heer De Lange werd een boeiende rede uitgesproken, waarin hij liet uitkomen, welk een belangrijke plaats de boerenstand in onze maatschappij inneemt en hoe weinig dit nog wordt gewaardeerd.

1 Inde jeugdclubs komt men bij elkaar om te leeren doch niet voor vermaak. Degenen, die daarmede geen rekening wenschen te houden, dienen uit de jeugdclubs te treden. Dat eischt de waardigheid der beweging! (Uit het jaarverslag van den secretaris der afd. Drenthe.)

drachten ten beste gegeven, waarmee zij een dankbaar applaus oogsten. Verschillende aangelegenheden werden verder besproken, waarbij enkele punten werden vastgesteld voor een volgende samenkomst. Het ledental heeft zich uitgebreid tot 68. WACHTUM, 7 Febr. Hedenavond hield onze jeugdclub een ledenvergadering. De notulen van de vorige vergadering werden onveranderd vastgesteld. Inleidingen werden gehouden door de heeren O. Wassen over „De Boerenstand inde samenleving” en J. Bidding over „Het margarine-vraagstuk”. De na afloop gestelde vragen werden gedeeltelijk door de inleiders zelf en gedeeltelijk door het adv. lid, den heer G. A. Boetting, tot aller tevredenheid beantwoord. Vervolgens vond nog een aangename gedachtenwisseling plaats. DEDEMSVAART. 8 Febr. vergaderde onze jeugdclub. Alle leden waren aanwezig. De conoept-regleraenten werden onveranderd vastgesteld. Het adviseerend lid, de heer Wonder, hield vervolgens een inleiding over „Den toestand van den landbouw tijdens d© republiek der Vereenigde Nederlanden”. Een daverend applaus volgde op deze gloedvol uitgesproken inleiding. De voorz., H. Tonnis, wekte tenslotte alle leden op om zooveel mogelijk propaganda te maken en nieuwe leden te winnen. BROEKSTREEK, 14 Febr. Hedenavond hield onze jeugdclub haar maandelijksche vergadering. De notulen der vorige vergadering werden onveranderd vastgesteld. De heer G. Koopman hield vervolgens een inleiding met als onderwerp: „Het doel van ons streven naar betere verhoudingen”. Hierna werd dóór den pl. propagandist, den heer W. Kamps, verslag uitgebracht van de kringvergadering van afd.-propagandisten. Na de pauze hield Mej. H. Makken een inleiding met als onderwerp; „Hoe zien wij plattelandsjeugd L. en M, en boe dienen wij haar”. Tot slot werden de gramofoonplaten met de rede van den heer Smid gedraaid. Zeer duidelijk werden deze weergegeven en ze vonden dan ook een aandachtig gehoor. DALEN. Zaterdagavond hield onze jeugdclub een goed bezochte vergadering: 105 leden waren aanwezig. Mej. Mina Huizing hield een inleiding over „De Landbouw en de Mensch"; de heer A. R. Uneken over „Het doel van L. en M.” Beide inleiders werden met groote aandacht gevolgd. Tijdens d© pauze werden brochures verkocht. Gewezen werd nog op het gebruik van boeken uit de landbouw-bibliotheek der Vereen, v. Oud-Leerl. Voor de e.v. vergadering werden Mej. H. Boer en de heer H. Veldhuis aangewezen om een inleiding te houden. VLEDDERVEEN, 16 Febr, Gisterenavond1 had de afdeeling Musselkanaal en Omsitr. een vergadering belegd, teneinde te trachten om ook hier tot oprichting vaneen jeugdclub te geraken. Tot groot genoegen van het afd.- bestuur gaven zich onmiddellijk ruim twintig dames en heeren als lid op. Het bestuur bestaat uit de dames: N. Hoitzing en J. Schoenmaker en de heeren: W. Strokmeyer, H. Kuiper en G. Oosterveld. Enkelen gaven blijk goed te kunnen reciteeren. WIJSTER. De op eender propaganda* avonden opgerichte jeugdclub hield op 18 Febr. haar eerste vergadering. Aanwezig waren pL.m. 60 leden. Het conoept-reglement werd na een kleine wijziging vastgesteld. De contributie werd voorloopig vastgesteld op 50 ct. per lid en per jaar, twee leden uitéén gezin samen 75 ct. en meerdere leden f 1 per jaar. Hierna volgde bestuursverkiezing. Door het voorl. bestuur werd voorgesteld om het bestuur met 4 leden uitte breiden, vanwege de groote uitgestrektheid onzer afd. In het bestuur werden verkozen de dames L. Nijzing (penn.se), G. Hulsebosch en Albertje Hummel, alsmede de heeren M. Jansen (voorz.), P. Tijmes, H. Koning, H. Eising en K. van Es(secr.). ,De heer H. Sikken hield vervolgens een keurige inleiding met als onderwerp: „Waarom een jeugdclub van L. en M.?” Vervolgens kwam aan de orde bespreking vragenbus. Allen konden zich hiermee vereerilgen. De heer De Weerd bracht hierna verslag uit van de propagandistenvergadering. Eenige nieuwe leden konden worden geboekt. VEENDAM, 19 Febr. Heden vond alhier een bijeenkomst van jongeren plaats met het doel om ook hier een jeugdclub op te richten. Door den heer Q. G. Wolthuis werd een inleiding gehouden, waarin het doel en streven der jeugdclub uiteen werd gezet. Hierna werd tot oprichting besloten en traden aanvankelijk een 15-tal leden toe, waaruit een bestuur werd verkozen- NIEUW-BUINEN, 20 Febr. Hedenavond werd alhier een vergadering belegd om te trachten tot oprichting vaneen jeugdclub te komen. Wegens ziekte van den heer Holm, zette de heer A. Lubberink het doel en de werkzaamheden der jeugdbeweging uiteen. Hierna werd tot definitieve oprichting besloten en traden 21 leden toe. Tot bestuursleden, werden verkozen de dames A. Fransens en Q. Zwinderman en de heeren F. Rubingh en R. Sloots Bzn„ waaraan door het afd.-bestuur werd toegevoegd de heer J. H. Holm. De contributie-regeling werd vastgesteld.