is toegevoegd aan uw favorieten.

Archief voor de geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht; bijdragen, 1900, 1900

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

inspanning aller krachten, i) Hij werd daarom door paus Bonifacius VIII van den Utrechtschen zetel gevrijd en op 3 Febr. 1296 overgeplaatst naar Toul in het oude Lotharingen. Daags daarna werd voor den Stoel van St Willebrord, welke nu ledig stond, door denzelfden paus benoemd de kloeke Willem Berthold van Mechelen, wiens leven we trachten te schetsen.

Van ouds behoorden de Bertholden tot den hoogsten en machtigsten adel van Brabant. Zij waren aanvankelijk heeren van Grimbergen. Hun stamvader is vermoedelijk »nobilis Bertholdus de Grimbergen” bij Heda omstreeks 804 vermeld als een der heervoerders van Karei den Groote en als broeder van Hildebald, 785—819 aartsbisschop van Keulen. Hunnenazaten namen deel aan de kruistochten en verwierven mede in ons westen rijke bezittingen. Ook de voogdij over Mechelen met zijne onderhoorigheden viel hun ten deel, en reeds in de eerste helft der 13® eeuw dongen ze met den bisschep om de heerlijkheid van Mechelen. Straks splitsten zij zich in meerdere vertakkingen, toen zij door Gilles Berthold met den Baard heeren werden van Berlaer enz., door Hendrik Berthold, Gilles’ broeder, heeren van Duffel, Geel enz. In Mechelen hadden reeds twee, drie Bertholden achtereen zich onderscheiden, toen Wouter Berthold de Groote daar met kloeke hand in de teugels greep. Hij was zoon van Wouter II bij Margriete ’s graven dochter

1) Attendentes quod ecclesia Trajectensis, cui preëras, multis gravabatur injuriis circumstantium tyrannidum superborum, teque pro ipsius ecclesie Trajectensis defensione jurinni graves oportebat subire labores .... (Brom, Bullanmn, I no. 416.)

2) Historia Bpiscoporum Ultrajectensium, bl. 60.