Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in de Vorstenlanden en wellicht ook elders aan de Kalifen en de Wali's zijn gewijd. Doch het algemeen geeft daaraan die beteekenis niet. Zelfs ontmoette ik een' Javaan van Jogjakarta, die gezegde offermaaltijden aan 't hof aldaar menigmaal had bijgewoond en ze steeds had hooren inleiden met:

HZ //ter eere van 't woord Gods (betreffende) het nederdalen van den nacht van 't noodlot." En als men nu hierbij de 97ste soera van den Koran opslaat (getiteld: Al kadar) waar die nacht van 't noodlot beschreven wordt, komt men tot het vermoeden, dat hetgeen boven ten aanzien van NissoeSja'ban is meegedeeld, eigenlijk op de sëdëkah-malëm betrekking heeft.

(17) Eene eigenaardigheid van dergelijke sëdëkah is nog, dat deze ambëng, rijst enz. voor 2, 3 of meer personen bevattende, onderling worden geruild, en dat wat van den maaltijd overschiet (onder den naam van bërkat) mede naar huis wordt genomen voor vrouw eu kinderen en wie verder mochten achtergebleven zijn.

(18) Meer dan waarschijnlijk is de benaming van tahoen bëharoe afkomstig van de Europeanen, en door de inlanders van dezen overgenomen. Hoe weinig de desa-Javaan daarmêe vertrouwd is, blijkt genoeg hieruit, dat hij er op 't gehoor af dikwijls tawon bëharoe (nieuwe bij) van maakt.

(19) Deze en gene weet te zeggen, dat versche of onverwelkte bloemen het vermogen bezitten om God te verheerlijken, en dat deze verheerlijking op de graven ook den gestorvenen ten goede komt, te eerder, wijl de geur der bloemen ook de engelen aantrekt, om by wijlen daar te vertoeven.

(20) Men herinnere zich, dat de dag altijd gerekend wordt bij het invallen van den avond aan te vangen.

(21) Lichtelijk herkent men in het woord pitrah den Arabischen naam van het feest, namelijk Idoe'l-fitr, d. i. feestdag der ontnuchtering, of van het afbreken der vasten.

(22) Hier hoorde ik soms, dat de pitrah voor kleine kinderen aan de doekoen (vroedvrouw) en die voor jongens,

Sluiten