Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die propaganda maken zooals hij. Othmans Maleische bewerking van den hoofdinhoud der verhandeling van Saüm draagt, zooals de meeste dier theologische werken, eenen Arabischen, rijmenden titel: „De schoone vermaning - over hen, die zich in het kleed der tariqa hullen. Hij wijst daarin met nadruk op de oneindig hooge eischen, die alle grootmeesters der mystiek, ook de stichter van de orde der Naqsjibendi's, aan hunne leerlingen stelden : hunne kennis der geloofs- en plichtenleer moest volledig, hun handel en wandel geheel in overeenstemming met die kennis zijn; in alles moest hun streven blijken om den profeet na te volgen; zoowel hetgeen de godsdienst slechts aanbeveelt, als hetgeen hij gebiedend voorschrijft, moesten zij geregeld betrachten, vóórdat de eerste hand gelegd kon worden aan hunne hoogere geestelijke opvoeding, vóórdat zij den voorhof van den tempel der mystiek konden binnentreden. Hoe zal men hem, die niet in ritueel-reinen toestand verkeert, bevelen de voorgeschreven godsdienstoefening (die zonder deze reinheid ongeldig is) te verrichten P vraagt onze auteur. Even dwaas als zulk een bevel zou zijn, even onzinnig is de aansporing om lid eener mystieke broederschap te worden, gericht tot hen, die niet aan alle boven geresumeerde voorwaarden voldoen. Zulke menschen echter vindt men in onzen tijd, aldus vervolgt hij, ternauwernood onder de uitgelezene vromen; hoeveel te minder dan onder de menigte, die thans het voorwerp is eener onheilige propaganda! Hoe Othman nu oordeelt over de talrijke sjêchs, die zich als leeraars voordoen, terwijl nauwelijks eenige weinigen den trap bereiken waarop men leerling worden kan, laat zich gemakkelijk bevroeden. Hij kent geene woorden, sterk genoeg, om hunne goddelooze verwatenheid te brandmerken, en zijne

Sluiten