Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hunne ineening over zijne „schoone vermaning" te willen mededeelen. Beiden spraken in sierlijke taai hun onvoorwaardelijk gunstig oordeel uit, hetwelk wij in afschrift voor ons hebben. Zoo gaf dus Othman aanleiding, dat men voortaan twee door gansch Java bekende en geëerde namen tegen de geestdrijverij der Naqsjibendi's met recht gebruiken mag! De storm was daarmede echter nog geenszins bezworen; de in hun onzedelijk bedrijf benadeelden hielden niet op, hunnen aanklager te belasteren en te vervolgen. Zoo zag hij zich genoodzaakt, zich nogmaals, thans in een Arabisch tractaatje te verantwoorden; ,/het volkomen vertrouwen - over de verhevenheid van de tarlija der soefi's" noemde hij dit geschrift. Othman geeft daarin ten volle toe, dat bekladding van den goeden naam der ware soefi's eene onvergefelijke zonde is; hij wijst echter met nadruk de beschuldiging af, als zoude hij zich daaraan schuldig gemaakt hebben. Niet de ware soefi's, noch de ware mystiek heeft hij gelaakt, juist dezulken, die door hunne ergerlijke handelingen den soefi-naam misbruiken en verguizen. »Zijn niet de rampzalige gevolgen dier dwaalleeringen voor ieder blijkbaar", zegt hij, »daar mannen en vrouwen te samen dusgenaamde dikirs houden, en de lampen bij die plechtigheid (!) worden uitgebluscht?" Afgezien zelfs van zulke uitspattingen, kan echter iedereen in de werken der algemeen erkende mystieke geleerden zien, hoe hoog verheven, voor onzen tijd zoo goed als onbereikbaar, de tariqa der soefi's is, hoe geheel verschillend van de ellendige caricatuur, die velen thans met dien naam bestempelen. »Ik wil geene personen noemen", zegt Othman verder, smaar ik raad allen, die als sjêchs of adepten gelden, in gemoede aan, tot zichzelven in te keeren en zich af te vragen,

Sluiten