Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitzondering. Niet alleen dat de idee van kerk bijna nergens bestond, maar die gebouwen zagen er ook allen even bouwvallig uit. Het waren meest alle eenvoudige woonhuizen, later tot kerk vervormd, of ook wel akelige bamboe-loodsen, die meer op eene onaanzienlijke bergplaats geleken, dan op een kerkgebouw. En waar nog eenigszins de idee van kerk bestond, zooals te Tompasso, daar was het gebouw zoo lek en verwaarloosd, dat men bij stortregen even goed onder een' boom kon gaan staan als in die kerk. Men was toen juist in de Minahassa in een' tijd van overgang. Wat vroeger door het district verricht werd, was aan de gemeenten overgedragen. Maar vele gemeenten beseften hare roeping niet. (1) Zij waren nog te zeer aan de oude sleur gewend. Zij wachtten nog steeds op bevelen van hare Hoofden. Maar de Hoofden hadden zich voor goed aan alle regeling en bevel in dezen onttrokken. Ja, enkelen hunner hadden de nieuwe regeling opgevat in den zin, dat zij nu tegen het bouwen moesten ageeren, en dus zooveel mogelijk belemmeringen in den weg moesten leggen. Dit was natuurlijk niet de bedoeling van de Hooge Regeering. Langzamerhand zijn de Hoofden in mijn ressort daarvan overtuigd gewerden. Al geven zij nu ook niet langer bevelen tot het bouwen van kerken, al onttrekken de meesten hunner zich ook aan iedere medewerking, wanende dat ook de hulp aan de gemeente, waarvan echter ook zij lid zijn, niet op hun' weg ligt, zij geven ook niet langer tegenbevelen. De toestanden zijn normaal geworden. Als men alles wel beschouwt, dan is het thans beter dan vroeger. De gemeenten staan nu niet langer onder voogdijschap van hunne Hoofden. Het onmondige kind is man geworden. Ik voor mij verheug

(1) Zie »Mededeelingen", 1886, blz. 65 e .v.

MED. n.z.ü. xxxi. 5

Sluiten