Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daarna te voelen of ze vast genoeg zit, terwijl haar gezicht het grootste vertrouwen in de uitkomst verraadt. Voordat ze evenwel begint, onthaalt de zienster ons op allerlei verhalen uit haren bakertijd, welke verhalen getuigenis moeten afleggen omtrent hare bekwaamheid in dezen. Mevrouw A. op de hoofdplaats, was een gouden vingerhoed kwijt geraakt, en door Antjes zeef en schaar vond men hem weldra in de naaikist der keukenmeid. Mevrouw B. verloor een' zilveren paplepel, en door Antjes kunst ontdekte men hem onder het hoofdkussen van den huisjongen.

Ik begin andermaal gewicht te hechten aan de zeef, die aan de schaar, en de schaar, die aan Antjes pink hangt te waggelen. Mijne nieuwsgierigheid is niet meer te toornen, en ik maak een eind aan de ellenlange verhalen door uit te roepen:

»Kom, laat ons zien of het gaat!"

Het eenoogige gelaat der zienster neemt eene buitengewoon ernstige uitdrukking aan, nu ze de oplettendheid vraagt van mijnheer en allen, die tegenwoordig zijn. Zij wil namen noemen, en bij iederen naam aan de zeef de vraag stellen, of die naam die van den dief is.

j/Zeef! zeef! heeft mijnheer den sleutel verduisterd?" zoo klinkt de stem der tooveres.

Het aangesproken voorwerp hangt doodstil en geeft geen licht.

»Zeef! zeef! heeft Jesajas, de huisjongen, den sleutel weggenomen ?"

De zeef geeft geen antwoord, en het geheim der dieverij blijft gesloten. Andermaal wordt een naam genoemd, en aan de zeef ter zifting aangeboden, doch het voorwerp geeft geen teeken van leven. Al de jongens worden voor het ziftend orakel gebracht, doch met geen' beteren uitslag.

Sluiten