Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik. Met uw verlof, Goesti! Naar mijn inzien, is het daar nog ver van daan. Geen schaduw zelfs is daarvan te zien. Men vindt bij de Javanen noch djówö, noch slamët; wel domheid, onwetendheid en ongeluk; zoo zelfs, dat men van hen zegt: wong djöwö ilang djawané, kari djawalé, ilang slamëté, kari tjilakané. (De Javanen hebben geen begrip meer, en nu zijn ze verdwaasd; hun geluk is weg, niets dan ongeluk is hun deel). (12)

Het was den Panghoeloe aan te zien, dat hij met dit alles volstrekt geen genoegen nam. Gedurig sprak hij weer tot den Boepati, doch zóó zacht, dat ik niet verstaan kon, wat hij zeide. Toen hij zich stilhield, hervatte de

R. A tot mij. Zeg, Mödjöpahit! (13) de christenen, houden die geen sëdëkah of slamëtan (offermaaltijden) ? En vasten ze niet?

Ik. Met uw verlof, Goesti! Zoo uw Hoogheids dienaar vragen mag: hoeveel soorten van offermaaltijden en vasten zijn er wel? En wat is de bedoeling daarvan? Mij is dat niet recht duidelijk.

R. A. Onmogelijk, dat je dat niet zoudt weten! Wel, zooals dat onder het volk gebruikelijk is.

Ik. Met uw verlof, Goesti! Daarvan kan uw Hoogheids dienaar inderdaad de bedoeling niet vatten; want alles wat uw dienaar van dien aard ziet, schijnt mij toe, niet tot het doel te leiden, wijl het verkeerd begrepen of toegepast wordt. Mag uw Hoogheids dienaar vragen, Goesti! of men zich met rijst en toespijs van zijne zonden kan vrijkoopen? En wat de reinheid des harten betreft, kan die door vasten bewerkt worden? Men zou dit alles kunnen noemen: verkeerd of niet ernstig gemeend, zooals kinderen die spelen.

R. A. Mödjöpahit, de christenen, hoe doen die dan wel?

Sluiten