Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In September vau het jaar 1868 verscheen in de Minahassa de pastoor j. de vries , van Ambarawa, Residentie Samarang, wien volgens Regeeringsbesluit vrijheid was verleend, zijne geloofsgenooten in eenige gedeelten van Indië te bezoeken. Hij reisde als Gouvernementsambtenaar, wien dus van de zijde der autoriteiten de noodige hulp moest verleend worden, en wien voor het transport zijner goederen zes koelies ten dienst werden gesteld. Hij zou, waar geloofsgenooten waren, het door de kerk gevorderde dienstwerk verrichten. Het was meer gebeurd, dat op zulke dienstreizen de Minahassa door pastoors bezocht werd, en daarin lag niets hinderlijks; daarover hadden de zendelingen zich nooit beklaagd, integendeel hadden zij zulke geestelijken steeds met voorkomendheid ontmoet en zelfs gehuisvest. Dit had o. a. pastoor hessels ondervonden.

Pastoor de vries koesterde eene ruimer opvatting vau het hem verleende verlof dan zijne voorgangers. Te Kema ging hij in de avonduren huis in, huis uit, en doopte hij drie en tachtig kinderen, zoo ten huize van het tweede districtshoofd, waar hij gelogeerd was, als in huizen van particulieren. Die 83 kinderen behoorden niet tot zijne gemeente. De ouders waren opgenomen in de Protestantsche gemeente, doch leefden ongehuwd te samen, met uitzondering vau drie gezinnen. Allen waren echter geheel nalatig eu onverschillig, en dien ten gevolge waren zeker eenige van die kinderen nog ongedoopt.

Te Kakas doopte de Heer de Vries elf kinderen, mede van ouders, die omdat zij ongehuwd of wel geheel onverschillig waren, wel wisten, dat op hun verzoek om den Doop voor hunne kinderen niet zou zijn ingegaan, daar dit eenmaal streed met gemeentelijke verordeningen.

Het werd den zendelingen door vele Europeanen in de

Sluiten