Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lezen; d. w. z. mótjó (zingende lezen). Dat leerden zij van familieleden of goede kennissen, en verder door eigen oefening. Ligt het daarbij in hunnen aard, dan worden zij nog wel eens desa-schrijver, of wel desa-hoofd. Maar niet een ieder heeft daar den noodigen lust toe. De personen, die op dergelijke ambten belust zijn, komen niet altijd uit deze gezinnen voort. En dat is jammer! Een desa-bestuurder komt zoo veelvuldig in de verzoeking, kronkelpaden op te gaan, dat er wel eenige karaktervorming noodig is, om die standvastig te vermijden. Maar van waar zou hij die karaktervorming verkregen hebben, als het niet ware in den kring des huiselijken gezins?

Wat wij ous van die karaktervorming in het gezin in het algemeen hebben voor te stellen, alsook in welken zin zedelijk-godsdienstige vorming in het gezin plaats heeft, kan uit hetgeen wij vroeger reeds meêdeelden eenigszins afgeleid worden. Van dat het kind geboren wordt, tot dat het al of niet gehuwd de ouderlijke woning verlaat, en ook nog daarna, leeft het onder den zedelijkgodsdienstigen invloed van familie en omgeving. En hierbij is het misschien niet ondienstig en ter plaatse, op te merken, dat zedelijkheid en godsdienst voor den Inlander niet twee, maar één zijn, en, hoewel hem zelf natuurlijk onbewust, door elkander bepaald en gekenmerkt worden. Het één is zonder het ander niet voor hem denkbaar, gelijk er nog nooit een Inlander is geweest, die, zich zelf bewust, deze beiden van elkander heeft losgemaakt. Alle zedelijke begrippen ontleenen hun gezag en waarde aan godsdienstige overtuigingen en gezindheden. Naar gelang van den godsdienstigen zin der ouders, den godsdienstigen geest, die in het gezin heerscht, zijn ook de zedelijke indrukken, die het kind ontvangt. Hebben wij dus het godsdienstig leven des gezins leeren kennen, dan kunnen wij ons ook in het algemeen en grootendeels voorstellen,

Sluiten