Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te zegenen en de gemeente door onderzoek voor de bediening van het Avondmaal voor te bereiden, waarom men verzocht had. Er was alzoo geen gebrek aan werk. Het onderzoek der nieuwelingen liep naar genoegen af.

Doch vóór ik mijne werkzaamheden te Wioeng mededeel, gunne ik een' blik in het dagboek van Soeléman. Het volgende komt daarin voor:

»14 Januari, Donderdag ging ik naar Mëdaëng (zie boven) ten huize van Pak Sanirah. Ik verkondigde het Evangelie; maar men wilde niet gelooven, zeggende, dat de voorouders ook niet naar die leer gewandeld hadden. Toch waren er een paar, die wel wilden hooren, een man en eene vrouw. (Deze vrouw is dezelfde, die bij mijn bezoek in Augustus, aangenomen en gedoopt werd.)

i/21 Februari. Op reis naar Poelé, (waar reeds eenige christenen wonen), om daar 22 Februari voor te gaan. Ik ging in de desa Ngampon aan, om hout voor mijn' huishouw te zoeken, en tegelijk het Evangelie te verkondigen. Maar ik trof niemand, die het aannemen wilde, omdat ik de besnijdenis niet leerde en slèdèqqan noch bariqqan bij de christenen geoorloofd is.

«20 Juni. Ik leerde te Gloendoeng ten huize van Pak Raidin. (1) Daarna bezocht ik den nieuwen loerah."

Ter opheldering voeg ik hierbij, dat de oude loerah, die Pak Raidin zoo zeer tegenstond, plotseling, waarschijnlijk ten gevolge van eene beroerte, stierf. De vrouw schreef dit aan den invloed van Pak Raidin toe, en liet hem voor zich en hare kinderen om vergiffenis smeekeu. Pak Raidin liet antwoorden, dat hij slechts een zwak mensch was,

(1) Zie over hem Meded D. XXVI, bid. 396, XXVIII, bid. 154, en v. Wat daar voorkomt omtrent den tegenstand, dien deze man aanvankelijk van den loerah ondervond, verdient hierbij de aandacht

Sluiten