Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

middelen op hunne waarde weet te schatten, hem durf ik wel uitnoodigen om bij gelegenheid ook te Kajoeapoe eens aan te gaan. Geeft u het een of ander ook al een' ietwat zonderlingen, misschien minder aangenamen indruk, het geheel zal toch niet nalaten, u weldadig aan te doen, minstens uwe sympathie verhoogen met hetgeen in allen eenvoud ook hier in de desa door de zending wordt verricht of beproefd. Kinderen van christenen en niet-christenen vindt gij hier vredig bijeen, gelijk zij ook op het veld steeds vroolijk zijn. Treft het u wellicht, dat er onder de leerlingen zijn, die u wat schuchter bejegenen, terwijl anderen u vrijmoediger aanzien, en uwe vragen beantwoorden, zoo weet, dat deze laatsten onze christen-kinderen zijn, wier ouders u ook met meer vertrouwen zullen naderen dan de andere desa-Javanen. Het aantal meisjes acht gij al zeer gering, en onwillekeurig vraagt gij of er niet meer zijn? Mag ik u zeggen, dat de Javaan zijne dochters niet naar school zendt (1), dat gij ook deze meisjes niet hier zoudt zien, zoo hare ouders geen christenen waren, en dat ook de christen-meisjes al spoedig te groot worden, om met jongens samen ter school te gaan (2)? Trouwens voor jongens noch meisjes wordt in de désa naar onze kinderschool gevraagd. Maar is het dan niet opmerkelijk, dat daar toch wel kinderen gevonden worden, die, na de hitte en inspanning des daags, zich 's avonds verzamelen willen, om wat eenvoudig onderwijs te ontvangen? En is het niet aangenaam, te weten, dat ook zij later van het hier gehoorde en geleerde in hunne mate partij kunnen

(1) Modjöwarnó maakt hier eene merkwaardige uitzondering, wijl de school aldaar op ult°. 1885 onder 528 leerlingen niet minder dan 151 meisjes telde, van welke 26, niet tot de gemeente behoorende.

(2) Ook om deze reden is de avondschool zeker minder aan te bevelen.

Sluiten