Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heden dragen, terwijl de anderen voor uitspanning medegaan en ons den tijd willen verdrijven met geestelijk gezang. Allen hebben wel den tijd, en wenschen gaarne eens vrij te zijn na de merkwaardige inspanning van gisteren. Wij gaan te voet, want een draagstoel is te vervelend. Trouwens de afstanden zijn klein, en de afwisseling op den weg is ons aangenaam.

Daar komt nog een diaken aan, en vraagt of mijnheer geen bezwaren heeft, wanneer hij meegaat. Wij hebben geeu bezwaar, en vinden 't zelfs aangenaam een groot gezelschap te hebben. Deze laatste uiting doet eene oude vrouw vragen, of zij ook mee mag, al is ze niet meer waard, zich bij het jongere geslacht te scharen; immers voor het bedienen van de tafel en de keuken kan ze nog veel meedoen, en zoekt ze onder de jongeren haars gelijke. En bovendien heeft ze ontelbare vrienden en vriendinnen in de te bezoeken negeryen.

Daar gaan wij de lommerrijke laan van ons dorp af, en komen in het bosch. De dragers zijn al vooruit, hollen over den weg met merkwaardige vlugheid, om, wanneer ze ons ver vooruit zijn, op te houden en ons af te wachten. Al zullen zij slechts een plasdankje of een enkele sigaar ontvangen, ze doen hun werk als of ze heerendiensten verrichtten. Trouwens de gunst, die ze gisteren erlangden, en waaTop ze zoo lang gehoopt hadden, maakt hen dankbaarder dan voor eene geldelijke belooning.

De weg slingert zich langs het bosch ter eener zijde, terwijl aan den anderen kant door bet groen van sagopalmen de helder blauwe zee zich laat zien. Zoo nu en dan springt een leguaan, opgeschrikt door de naderende voetstappen, over den weg en verdwijnt tusschen gras en struiken. Zingende en tierende sprikhanen en torren doen hun scherp geluid hooren, en schijnen het bosch het be2*