Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

walmen, en belooft ons te laten zien, dat ze even goed kringen kan blazen als haar zoon, die deze kunst leerde, toen hij in dienst was, en voortdurend lekkere sigaren kreeg van zijn' luitenant, bij wien hij oppasser was. De oude vertoont ons echter niet lang hare kunst; want wij zijn aan eene vreeselijke helling, die eene reusachtige stoep gelijk, naar de negery Akoon voert. Inderdaad, nu hebben wij al onzen adein noodig. Het zweet gudst ons over het gezicht; de zwarte baadjes der dragers zijn al lang uitgetogen en laten ontbloot chocolaadbruine schouders en ruggen zien, badende in zweet. Eindelijk zijn wij dan boven, en de negery Akoon ligt vóór ons.

Wanneer wij door het geboomte aan onze linkerzijde turen, dan worden wij een klein eilandje gewaar. Het heet Batoe-kapal, of schipsteen, 't Is lang, heel lang geleden, dat daar op die plek, die toen nog geen eiland vertoonde, een schip ankerde. De kapitein, een goddeloos mensch, die den ganschen dag vloekte, en er zijne dagtaak van maakte zijne manschappen ergerlijk te behandelen, stierf, toen hij het strand naderde, plotseling. En terwijl hij den laatsten adem uitblies, veranderde zijn schip in een' steen, tot een afschrikwekkend voorbeeld voor vloekende en negerende kapiteins, die hier mochten komen te ankeren. Het eilandje is een reusachtige koraalsteen, langwerpig van vorm, begroeid met boomen en ondoordringbare doornbosschen en lianen. Er is een graf op van een' vroegeren regent van Akoon, uitgehouwen in de rots en gedekt met een' gemetselden steen.

't Is een klein negerytje dat Akoon. Bijna de helft der bevolking is lidmaat, en ongeveer alle inwoners komen getrouw ter kerk. Daar komt ons de Voorganger begroeten met een' hoogen hoed op en een rok aan. 't Heeft hem moeite gekost, zulke deftige kleedingstukken