Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar zwerven des nachts, wanneer de dorpbewoners slapen, de nooit rustende vampirs rond, en houden er hunnen bloedraad. De spoken, die des daags hun gemak houden, zijn hier nog niet verontrust door het licht der tijden, en zetten in de nachtelijke donkerheid hunne ergerlijke roeping voort.

Als wij onze reis vervolgen, hebben wij gelegenheid op te merken, dat ook het kerkhof er ergerlijk genoeg nitziet om aan spoken te doen denken. Trouwens alle kerkhoven onder inlanders zien er ergerlijk uit. Geen goed onderhouden steenen en paggers; alle dooden rusten hier in de wildernis.

Daar in de baai aan onze linkerhand liggen schuiten op de zacht kabbelende golven te wiegelen. Aan de masten schateren roode en witte papagaaien en beschamen den zwijgenden kapitein, die aan een der masten staat te gluren naar onzen optocht. Het zijn prauwen van Ceram, geladen met sago en genoemde vogels, om deze waar hier aan den man te brengen en in te ruilen tegen kruidnagelen. Hoe nederig en stil zoo'n schuit er uit ziet, toch kunnen er drama's op voorvallen, die de haren te berge doen rijzen.

Het was op zekeren dag, dat ik in mijne achtergalerij zat en plotseling een hevig rumoer hoorde. Daar kwam een onbekende inlander bij mij binnenstuiven en schreeuwde »help! help! hij wil mij vermoorden." Vlak achter den vluchteling kwam bedoelde hij, een Islammer van een allergemeenst uitzicht, met rollende oogen en trillende kaken. Ondertusschen was de vluchteling achter mij gaan staan, en beefde over zijn geheele lichaam.

»Wat moet je van hem hebben?" zei ik.

»Dat is een opvarende van mijne schuit, die mij nog vijftien gulden schuldig is, en nu wil hij niet meer meê terug naar Ceram."