Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wektheid, waarmede zij zich daarvan kwijten, bij de meesten te wenschen overlaat. De oorzaak van minderen lust tot het werk in de gemeente schijnt wel gelegen te zijn in de plotselinge lotsverbetering in stoffelijk opzicht. Daardoor zijn behoeften ontstaan, die men vroeger niet kende, en tengevolge daarvan zorgen, die men weieens met bezwaard gemoed torscht. Een paar bekentenissen van een zoodanig onderwijzer kunnen dienen ter bevestiging van deze opmerking; n.1.: „vroeger hadden wij minder tractement, veel minder, maar wij kwamen er verder mede dan tegenwoordig;" en: „wij hebben nu meer moeite met ons groote tractement om rond te komen, dan vroeger met zoo weinig, en we leefden meer tevreden. Daarbij is het, of de geest van den godsdienst van ons is geweken." Zoo wordt het minder voldoen als leidsman der gemeente verklaard.

Overal schier wordt de hulp bij het werk in de gemeenten van gouvemements-onderwijzers en hulponderwijzers, die daartoe genegen zijn en geschiktheid hebben, gaarne aangenomen. Maar niet overal doet men daarbij ervaringen op als de zoo even genoemde. Van menigeen wordt die hulp hoogelijk gewaardeerd, en hun arbeid is velen ten zegen. Wij zouden niet gaarne zien, dat de diensten door die onderwijzers en hulponderwijzers voor de gemeenten verloren gingen, al erkennen wij, dat 't ontstaan van geheel zuivere toestanden, met voldoend medewerkend personeel wenschelijk is en blijft. Intusschen zijn de werkelijke belemmeringen, die wij ontmoeten, als tegenstand aan te merken. Ware de hulp, die de onderscheidene onderwijzers ons bieden zóó als wij die gaarne zouden wenschen, dan zou er ongetwijfeld meer en beter in de gemeenten gewerkt worden.

Naar aanleiding van wat straks gezegd is over gebrek