Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verkeer. Velerlei kwade invloed, zoo van stamgenooten en vreemde oosterlingen, als van Europeanen blijft niet zonder gevolg. Gebrek aan oprecht geloof, en daardoor aan vernieuwing des harten, het nog leven naar het vleesch, al is men gedoopt en lidmaat der gemeente geworden, werkt, niet gehechtheid aan voorvaderlijke zeden, dat nog te eerbiedigen ware, maar een streven tot bestendiging van oud-historische gebruiken en gewoonten, die nu eenmaal niet passen in de christelijke levensrichting. Dat op die wijze menigeen verlokt en afgetrokken wordt van een ernstig christelijk leven, is duidelijk. Wij kennen ook dezulken onder onze christenen, tot wie met volle recht de Apostolische vraag gericht mag worden: //Gij, die begonnen zijt met den geest, eindigt gij in het vleesch?" Daar vindt men het invoeren van Europeesche vermaken, op zichzelven onschuldig wellicht, maar bij de navolging zoo vaak wrange vrucht opleverende; bevordering van onzedelijkheid door woord en voorbeeld, en daardoor ondermijning van goede zeden en belemmering van het toenemen in reinheid des harten. Doch genoeg reeds om te zien, meer dan genoeg om te bevroeden, hoe de ontwikkeling van christelijk-godsdienstig leven hare tegenstanders heeft. Christus, levende te midden onzer christelijke bevolking, is ook in de Miuahassa gezet tot eenen val en opstanding van velen, en tot een teeken dat wedersproken wordt, openbarende de gedachten uit veler hart.

Eene geopende deur, en vele tegenstanders, zeggen wij nog éénmaal en denken daarbij, hoe onze schoone Minahassazending, wil men, de Protestantsche Minahassa, bedreigd wordt door de propaganda van Roomsch Katholieke zijde. Met tegenzin vertegenwoordigen wij ons wat van die zijde reeds op verschillende plaatsen en tijden in 't werk geMED.

N.Z.G. xxxm. 7