Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Radja schoot vooruit; mijn ros wilde dezelfde vaart nemen, maar ik hield hem op de gewone snelheid. De Radja zag om, schudde het hoofd, hield even in, en beproefde nog eens of' ik mij liet overhalen. Ik deed of ik daarvan niets begreep, en verder schikte de Radja zich in zijn lot.

Wij kwamen voorbij kampongs, waar het levendig toeging, en de vrouwen zich weder het meest deden hooren. Wij zagen in het voorbijgaan ontzagwekkende rotsblokken en grotten, die ik gaarne meer van nabij had bezien, maar de tijd liet mij dat niet toe. De weg stijgt aanmerkelijk; straks zien wij het landschap links in de diepte wegzinken, en volgen wij een' tien a twaalf voet breed ingehakten weg aan den rotswand, terwijl aan de rechterzijde de rots zich nog hoog verheft. Dat bekappen van dezen weg was een grootsch en zwaar werk, en dat is verricht door eene bevolking, die niet onder rechtstreeksch bestuur leeft, en dit weet! Het getuigt dus wel van den tact en het beleid der ambtenaren, aan wie hier het bestuur was opgedragen. Ik heb achting voor zulke persoonlijkheden, die daar, afgezonderd van de wereld, zulke werken tot stand brengen; zij zijn het bewijs van wat eene degelijke persoonlijkheid met goed beleid vermag.

De kampong, waar wij binnenrijden, ziet er goed uit, en er is leven en beweging. Dat groote gebouw d&ar is zeker de school. Wij gaan binnen; wij zien niets en hooren niets; eindelijk is er eenig geschuifel. Ik vraag naar den onderwijzer. Die treedt nader. Langsamerhand gewent zich het oog aan de Egyptische duisternis, waarin wij ons bevinden; geen enkele opening laat licht binnen, en het dak hangt ver over den lagen wand.

»Zeg, meester is het hier altijd zoo donker?" (Ter wille van de omgeving sprak ik hem toe in 't Hollansch.)