Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bovendien gehuldigd was van den aanvang onzer heerschappij af. Wel verre dus van den bestaanden toestand te handhaven , gelijk men voorgaf, deed men daarin een' revolutionairen greep, namelijk om de Inlandsche christenen niet langer te onderwerpen aan liet zelfde burgerlijk en handelsrecht als de Europeanen en daarmede gelijk gestelden. En deze stap achterwaarts is zooveel minder te rechtvaardigen, omdat de Inlandsche christenen over het algemeen zeer verlangen, om, althans wat het burgerlijk en handelsrecht betreft, als Europeanen te worden beschouwd. De talrijke, meestal vruchtelooze pogingen door Inlandsche christenen gedaan, om individueel door den Goeverneur-Generaal, krachtens de laatste alinea van art. 109 Reg Regl. met Europeanen te worden gelijk gesteld, zijn daarvoor alleen reeds een bewijs.

Wat echter van dit alles zij, met het oog op de imperatieve bewoordingen van art. 15 (Ov.), moeten sedert 1848 de Inlandsche christenen, om met Europeanen of daarmede gelijk gestelden te kunnen trouwen, zich vooraf aan het voor dezen geldende burgerlijk en handelsrecht onderwerpen, even als de onchristen Inlanders. Hunne gemengde huwelijken, tot dusverre onbelemmerd en tot dusverre zuivere rechtsverhoudingen opleverende, werden van toen af aan dezelfde rechtsconflicten en aan dezelfde rechtsonzekerheid onderhevig, als wij hierboven ten opzichte van die der gewone Inlanders en daarmede gelijk gestelden hebben geschetst. Het eenig verschil was, dat de conflicten bij hen niet bestonden tusschen de in 1848 ingevoerde wetten, volksinstellingen en gebruiken, maar tusschen bedoelde wetgeving en het Oud- Hollandsche en Romeinsche recht.

Nog erger werd intusschen de zaak bij de invoering van het tegenwoordige Regeerings-Reglement in 1855.