Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aanteekeuingeu.

(1) cljin, sétan, enz. benamingen van verschillende geesten en spoken. (2) de lësoeng is een langwerpig uitgehold houten blok, waarin de padi door stampen van het stroo ontdaan wordt.

Bij hetgeen P. W. hier mededeelt, dient men nog te weten dat de lësoeng volgens sommigen ontstaan is uit den romp van den reus (Lëmboe tjoeloeng geh'eeten), die van ouds de zon en maan tot zijne prooi zoekt te maken. Bij eene vroegere poging van dezen aard werd hij eens door Batara Visnoe zoodanig met een pijl in den nek getroffen, dat het hoofd van zijn lichaam vloog, en de romp ter aarde stortte, alwaar die in den vorm vau een lësoeng werd terug gevonden. Wanneer nu het hoofd van deu reus, in het uitspansel achtergebleven, van tijd tot tijd zijne verraderlijke aanvallen op zon of maan herhaalt, beukt men iu het rijstblok, tevens om hem te pijnigen, en aldus zooveel te spoediger te verjagen.

(3) Këntongan is de naam van een groot uitgehold stuk hout, of een stuk dikke bamboe met een gleuf, daar de nachtwacht op slaat, en waarmee verschillende seinen gegeven worden tot oproepingen.

(4) Primbon; volgens Woordenboek een boek met tooverformulieren en gebeden.

(5) Offermaaltijden. Eene eenigszins vermakelijke beschrijving van zulk een slamëtan vindt men iu onze «Mededeel." 1874 pag. 214 v. v.

(6) maar één afschrift enz. De schrijver, die een en andermaal van almanakken spreekt, had hier kunnen bijvoegen, dat in den almanak van 1888 en '89 uitgave van G. C. T. van Dorp & Co. te Samarang, een Primbon is afgedrukt; en dat blijkens een Catalogus van Jav. en Mal. boekwerken, aan bedoelden almanak toegevoegd, ook andere geheimen van dezen aard door de pers reeds wereldkundig zijn gemaakt.

(7) Badoewi's, waarschijnlijk de bekende volkstam in Bantën, of anders in 't algemeen de Javanen, die nog aan de zeden en gewoonten van den vóórmohammedaanschen tijd zjjn gehecht.