Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

we een poosje liadden zitten praten, vroeg ik: „zijn jelui al getrouwd?" „Neen", was liet antwoord, „want ' we leven pas een jaar samen; we zijn van plan later te trouwen." Ik wees den man er op, dat „later" wel eens te laat kon worden, maar dit geloofde de man niet, want, zei hij „ik bid eiken avond om een lang leven." Toch gaat het trouwen op hun manier geheel naar den vorm met bruidschat en voorwaarde dat de man een jaar knecht bij zijn schoonouders wordt; en zoolang ze niet op hun wijze „wettig" gescheiden zijn, laat de echtelijke trouw haast niet te wenschen over, terwijl bij de andere Minahassa-stammen, hoewel wettig gehuwd, het nog te veel voorkomt, dat de huwelijkstrouw geschonden wordt.

Een schaduwzijde van het Bantiksche huwelijk is de vrij gemakkelijke manier van scheiden en van elkaar wegloopen ; onbestorven weduwen en weduwnaars zijn er te over en schamen ze het zich allerminst. Dat doet ons Westerlingen nu wel niet aangenaam aan, voor zoover de moderne huwelijksbegrippen nog niet door ons gehuldigd worden, maar wij kunnen de Bantikers, die nog niet zoo gevoelen en denken als wij, er niet al te hard om vallen ; hun huwelijk is meer op uiterlijkheden dan op innerlijke verbinding der harten gegrond. Bij een ander huisbezoek kwam ik bij een woning, waarvoor een vrouw stond rijst te stampen. Ik vroeg haar of ze nogal vaak de „onderlinge samenkomst der gemeente" bijwoonde; dit beantwoordde zij toestemmend, maar dadelijk daarop steeg uit de huizen rechts en links een schamper lachen op, waardoor ik dadelijk op het spoor der waarheid kwam. Trouwens op het punt van ja en neen wordt liet hier niet nauwer genomen dan in het lieve vaderland maar al te vaak gebeurt; men neemt hier tegenover een, voor spreker of spreekster,