Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wel vaak heb ik toen gedacht: Och kon ik op de een of andere manier maar wat voor deze ongelukkigen doen. Totdat de WelEd. Grestr. Heer Westenberg, Ass.-Resident, op een doorreis bij ons logeerde en dit punt ook ter sprake bracht. Hij nam zich voor op de vergadering met de Karo-hoofden ook over deze zaak te spreken en te vragen naar een geschikt terrein, waar water was voor de op te richten kolonie doch dat dan ook niet door andere dorpen kon of mocht worden gebruikt.

Xu zulk eene plaats was weldra gevonden (met een kwadraat je aangeduid op nevensgaand kaartje.)

Alle vorsten van de Hoogvlakte spraken hunne vreugde er over uit. Wel wordt een lepralijder door de Bat. maatschappij uitgestooten, die dan zijn heil zoekt in een schuurtje op een rijstveld of in een bosch, maar zelfs de Bataks voelden, dat door het verzamelen van leprozen op één plaats, het besmettingsgevaar enorm verminderen zou.

De H eer Westenberg zou voor de uitvoering van het plan zorgen, en ik zou het toezicht en de behandeling op mij nemen. De hulp van de Begeering werd nog ingeroepen, maar ofschoon het Hoofd van het Gew. Bestuur zeer met deze plannen was ingenomen, kon toch geen steun worden toegezegd. Yoorloopig moet dan deze leprozenkolonie maar heel, heel primitief blijven, totdat we later over fondsen kunnen beschikken en het besmettingsgevaar door doelmatige inrichting nog kleiner kunnen maken.

Yoor het voedsel voor de lijders wordt door de bevolking gezorgd. De familieleden van den lijder moeten voor zout, tabak, enz. zorgen, terwijl alle huisgezinnen van de Hoogvlakte eens of tweemaal per jaar een maat gebolsterde rijst er heen brengen, overeenkomende met ongeveer 3 pond.