Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blikken gevoelt men, dat men eene plaats in hunne harten heeft veroverd. Zoo zou er meer te noemen zijn, maar laat dit als kijkje op onzen arbeid voldoende zijn.

Meer dan vorige jaren werd ik, zoowel bij heidenen als christenen geroepen als zij hun kind voor het eerst naar de badplaats wilden brengen (pëtëlajokën, zie lied. deel •38, pag. 8). Zij wilden dan geen heidensche gebruiken meer volgen, maar maakten een maaltijd en verzochten mij dan met hen te bidden, dan was hun „hart vast." Als ik eenigszins kon voldeed ik aan hun verzoek, anders zond ik den goeroe. Yerder wilden ze mij gaarne wel overal bij hebben, bij trouwen enz. maar daar kon ik niet altijd aan voldoen.

Mogen wij dus van vooruitgang spreken, toch waarschuwde ik reeds in den aanvang voor al te vroeg gejuich. Wie de politieke kaart van het land kent zal moeten toegeven dat het Christendom nog een harden strijd zal hebben wanneer niet de groote Hoofden overgaan. Om dit te illustreeren het volgende: de bovengenoemde pëngoeloe liet zijn gansche gezin doopen, behalve zijn vermoed; 1 !ijken opvolger, zijn oudsten zoon ! ! Als reden gaf hij op dat die jongen ongelukkig getrouwd was en wachtte tot zijne vrouw zou overgaan. Maar ik voelde er een andere reden in, als nl. liet Chistendom eens te niet ging, dan zou zijn zoon, ongedoopt zijnde, weinig gevaar loopen. Nogmaals wil ik er op wijzen dat onze kracht hier zoo klein is ten opzichte van de taak die vervuld moet worden. .Jaren lang reeds vragen de bewoners der oeroengs tërbanaman, Binge, Sinëmbah en verder naar Timoer toe om onderwijzers. Moeten wij maar altijd van die menschen nog een jaartjegeduld vragen, en dan nog een jaartje, en dan nog één? of als ze bij de Mohammadanen onderwijs gaan vragen, zeggen dat dit niet goed is, zonder hun wat anders te