Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

goten heeft (om hem te dooden); men doet hem in een kookpot, omhult dien met idjoek en geeft hem een plaats in de sopo (rijstschuur). Hij' draagt verschillende namen : Sitaboenangnang (kalibas der voorzichtigheid, doelende op den vorm van den pot en de voorzichtigheid, waarmee men den inhoud behandelen moet), Sibaliksoempa (vloekafwender) en andere. Oorspronkelijk in oude tijden was de wijze om een pangoeloebalang te maken aldus. Men ving of kocht een mensen, eea meisje, en gaf het eerst een liefdedrank (dui.ma) in. Daarna gaf men het lekker eten. Daarna moest het toestemmen zich te laten zenden waarheen ook en gehoorzamen, wat men het ook te doen beval. Yoorts bracht men het naar een eenzame plaats of naar een soort van grot en daar gekomen, zeide men tot het meisje: „Wilt gij steeds daarheen gaan, waarheen gij gezonden wordt?" ,,Indien u door mij bevolen wordt, iemand te dooden, zult gij dat in geen geval weigeren ? Zult gij nooit uw naam zeggen of verklappen hoe gij gestorven zijt ?" Daarop moet het meisje antwoorden : ja, ja. Dan smelt men lood en giet het haar in den mond, zoodat zij sterft, en voorts doet men haar in voorzegden p(Ot. *)

Wanneer nu de pangoeloebalang zich door zijn medium 2 ) openbaart, en zijn naam of dood wil bekend maken, dan roept de eigenaar hem toe : „Denk er om, grootje, dat is verboden." Yaart hij in den een of

1) Deze beschrijving i9 zeer kort en onvolledig. Een betere vindt men in mijn opstel: „De Bataksche Tooverstaf" opgenomen in de Bijdragen voor de Taal-, Land- en Volkenkunde van Ned.-Indië, Ce Yolgr. X en ook in het door mij geschreven werkje „Pidari", Utrecht, H. H. Londt 1903, blz. 179-180.

2) De pangoeloebalang wordt tegen eiken vijand, mensch of geest te hulp geroepen, tegen welke men zich met gewone aardsche middelen niet opgewassen voelt.