Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik had gevraagd mij een deel van de afbraak af te staan om het gebouw der Genootschapsschool te vergrooten, en tevens een klein huisje op te richten tot verpleging van enkele gewonden. Menigmaal gebeurt het toch, dat mij gewonden gebracht worden, hetzij uit Tomohon of een der naastbij gelegen negerijen, die ik moeielijk dagelijks kon laten komen om verbonden te worden, daar het mij onmogelijk is hen te bezoeken. Wilde ik dat doen dan zouden mijne dagelijksche lessen aan de kweekelingen er onder lijden. Zoo werd bijv. in 1905 bij mij gebracht een man van Kenilo op de pasar - markt - door een koe gestoken. De man met een groote wond aan 't dijbeen moest door mij steeds buiten geholpen worden en kon maar eens per week gebracht worden. Een meisje met een vreeselijke beenwond moest dagelijks per kar gebracht worden. Zoo zijn er velen. Een bepaald ziekenhuisje wil ik niet hebben. Dit moeten maar jongere krachten, met meer kennis, die na mij komen, tot stand brengen. Ik verlang alleen eene goede plaats, waar ik niet altijd aangegaapt door tal van nieuwsgierigen, kan helpen en verbinden, en desnoods de lieden kan laten blijven. Voor hun eten kan ik dan zelf wel zorgen.

Nu weet ik hoe het bij dergelijke afbraak gaat. Er gaat toch heel wat verloren. Mijn plan werd in de hoofden vergadering gebracht. Mijn eerste verzoek om hout voor bijbouw van de Genootschapsschool werd van de hand gewezen. Het tweede goed gekeurd, doch de toestemming van den toenmaligen Controleur moest gevraagd worden. Deze juichte het plan toe, ja wilde zelfs verder gaan dan in mijne bedoeling lag en uit de districtskas bedden enz. bekostigen. Maar toen nu het gebouw afgebroken was, en het op verdeelen aankwam wilden een paar kleine hoofden mij met het onbruikbare afschepen. Natuurlijk namen mijne pënoeloengs,