Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem op 't werkelijk goede huis dat hij nu bezat, doch tevens dat dit maar een tijdelijk verblijf was, en wij hier ons op reis moeten gevoelen naar het Vaderhuis, waar we alleen door Christus kunnen binnengaan.

„U heeft gelijk mijnheer! doch de pënoeloeng weet het, mijne vrouw is maanden lang op den rand van het graf geweest, en heeft nog altijd oppassing noodig". „Dat weet ik, Nicolaas", antwoordde ik: „doch even zoo goed als ge naar feesten of andere werkzaamheden kunt gaan, zoo kunt ge Benjamina dan wel eens een uur alleen laten, of aan de zorg der kinderen toevertrouwen. Denk er aan, wie hier den Heer niet wil zoeken, zal eenmaal in de stervensure beschaamd staan en de deur van het Vaderhuis gesloten vinden".

Na lang met hem gesproken te hebben, nam ik afscheid. „Mijne groeten aan Benjamina, beterschap met haar!" „Dank u mijnheer!" Misschien vindt men het minder goed, dat ik de zieke niet vroeg te bezoeken, doch alles was zoo gesloten en men heeft wel eens liever niet, dat men tot in de binnenkameren, als die er zijn, doordringt.

„Kom pënoeloeng!" zei ik toen we buiten waren, „nu naar Joesof en Korneli. Ik zag beiden van morgen niet in de kerk". Daarin had ik me echter vergist, ze waren laat gekomen en hadden achteraan gezeten. We stapten dus een 20 tal erven verder en dat van Joesof op. Juist toen we daarop gingen kwam eene vrouw er af, met een leeg petroleumblik bij zich en een kind naast haar loopende. Dat gezicht, die slechte oogen kwamen me bekend voor. „Hé pënoeloeng! wie is dat ?" „Benjamina mijnheer!" Men begrijpt, ik spoedig naar haar toeging en ook met haar sprak, tevens de groeten aan Nicolaas doende, dat ik haar ontmoet had, en hij nooit weer zijne vrouw zwaar ziek moest melden, als ze over