Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hebben zij getoond dat zij mijne Evangelieprediking op prijs stelden. Het dient gezegd dat mijne gemeenten altijd, nu bijna acht en dertig jaren, door trouwe opkomst getoond hebben dat zij gaarne het woord dat ik tot hen bracht vernamen en waardeerden. Nooit sprak ik hier voor ledige kerken. Maar toch het allerlaatste jaar spande de kroon. Was het wellicht omdat zij mij als uit den dood hergeven achtten? Was het misschien dat mijn woord een meer ernstigen stempel droeg, omdat ik mij zelve reeds ten doode gewijd achtte en daardoor het eeuwige nog meer op den voorgrond stelde ? Ik weet het zelf niet. Maar het is een feit dat hier in den loop van 1906 veel belangstelling werd getoond in de zaken die het Koninkrijk der Hemelen betreffen. Om maar iets te noemen. Aan het einde des jaars mochten de liefdegaven, dat zijn de gaven voor de uitbreiding van het Godsrijk over het jaar 1906 het aanzienlijke cijfer van ƒ 2461. — zegge twee duizend vier honderd een en zestig gulden, bereiken. Geeft zoo iets geen stof tot danken ? Zoo zoude ik voort kunnen gaan en veel lieflijks en aangenaams kunnen vermelden. Maar het is behoorlijk dat wij van ons zeiven afzien, en dat wij al die zegeningen en weldaden nederleggen aan de voeten onzes Heeren. Hij was met ons. Hij heeft ons gesteund en gesterkt. Niet ons o Heer, niet ons, Uw naam alleen zij de eer!

Natuurlijk waren ook weder in het afgeloopen jaar vele droeve ervaringen ons deel. Velen gingen van ons, die wij o zoo gaarne nog eenigen tijd met ons gewenscht hadden. Jonge mannen in de kracht huns levens ontvielen ons. En wij hadden juist voor de toekomst op hen gehoopt en gebouwd. Onder hen een jeugdig onderwijzer, eenige jaren lang een trouw