Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit laatste feit bracht er mij toe over deze aangelegenheid te schrijven. Helaas, gedurende bijna 40 jaar die ik in de Minahassa vertoefde, zag ik zoo menig ouderpaar werken en ploeteren, om vooruit te komen in dit leven, een en ander te vergaderen voor de kinderen, doch als de vader vroeg komt te overlijden, dan heeft hij meestal zijn zweetdroppels voor niets gestort en rooft ieder wat hij kan, niet denkende aan weduwe of weezen. Mij dunkt het is meer dan tijd, dat van bestuurswege krachtig worde opgetreden, ten einde aan die onrechtvaardigheden een einde te maken. Op welke wijze? Het staat niet aan mij om daar een raad in te geven. Een ding is zeker, wil men de zaak geheel in handen laten van de inlandsche hoofden, dan is zulks hetzelfde alsof men niets deed. De een is te zwak, en een ander te veel geinteresseerd bij sommige gevallen. Men zou dan van den wal in de sloot raken. De personen, die met de regeling van dergelijke aangelegenheden zouden worden belast, zullen zeer zeker onder streng Euroj>eesch toezicht moeten staan, lieeds werd vroeger door den ltesident Jellesma en Mr. J. H. Carpentier Alting gespioken over inlandsch notariaat. Voor die betrekking zijn zeker krachten genoeg aanwezig, mits men de personen met oordeel kieze, en onder strenge, nauwgezette controle plaatst. Landverdeeling, maar mede nalatenschappen, zijn een eerste en groote vere-schte voor de Minahassa, zal het volk tot meerdere welvaart komen. De onrechtvaardigheden, het onderdrukken, benadeelen van weduwen en weezen eischen krachtdadig ingrijpen.

Mocht dit mijn sein ij ven daartoe mede een stoot gegeven hebben in goede richting, dan zal ik me daarover zeer verblijden.

Tomohon, 23 Juli 1907.