Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en uit overtuiging constitutioneel, onwankelbaar trouw aan de ongeschreven grondwet, die elk hunner onderdanen op zijn duimpje kent. Br. Kruijt wist dit reeds te goed, dan dat hij hun eene belofte wilde afpersen, die zij toch niet konden houden. Nu hij één vogel in de hand had, liet hij voorloopig de tien in de lucht; de onderwijzer zelf zou wel zien dat hij kinderen op school kreeg. Zijne beide onderwijzers kon hij in dit opzicht vertrouwen. Vooreerst zou hij door maandelijksche bezoeken op Tomasa en half-maandelijksche te Panta zijne goeroes voldoende kunnen controleeren en daarbij, een Minahassische goeroe, moet al bepaald tot de minste soort behooren, indien hij er onverschillig voor is of hij kinderen op school heeft of niet. Kent men ons volk talent toe voor teekenen en schilderen en den Duitschers voor muziek, als nationaal talent der Minahassers mag men gerust de kunst van onderwijzen noemen. Het is merkwaardig orn te zien, hoevele mannen uit dit volk, die eenvoudig de dorpsschool hunner woonplaats hebben afgeloopen, zich zelf door eigen oefening en eenige leiding van het schoolhoofd tot bruikbare onderwijzers opwerken, aan wie later de leiding eener school kan worden toevertrouwd.

Ook onze onderwijzers waren zulke mannen. De oudste, Herman Kolondam van Tondano, die thans nog bij ons is en dus de oudste onzer onderwijzers is, was de levendigste en werd daarom geplaatst te Panta, onder de drukke, lawaaiige To Pebato, de jongste, Kaligis, een stil man, onder de deftige, vormelijke To Lage.

Natuurlijk moesten wij voor alles zelf zorgen. Hout, dakbedekking, vloer, wanden, alles moesten wij zelf aanschaffen of van de bevolking koopen. De goeroes zelf bouwden mede aan hunne huizen; deze kregen eene ruime voorgalerij, waarop de schoolbanken stonden.